Man en vrouw volgens de bijbela1
Otto Piper2 is een bekend theoloog, die reeds heel wat heeft geschreven over de leerb zowel als over het leven.c Hij is, wat men noemt, een hoogkerkelijk man, die meent dat de kerk niet alleen als geloofsartikel bestaat, maar dat God haar, als ik het zo mag zeggen, ook geschapen heeft, zodat ze met vaste vormen en normen mag deelnemen aan het leven. Zulke mensen geven aan de wereld en de wereldse dingen meestal wat meer ruimte dan degenen die een meer geestelijke opvatting van de kerk hebben. Zij vinden dat het wel te wagen is, omdat de kerk toch meespreekt en meespeelt. Zij is er dan juist om het leven der wereld te heiligen en daarom moet men dat niet op een andere wijze proberen te doen. Men moet de dingen, die God geschapen heeft, in hun wezen laten. Piper noemt dat bijbels realisme.
Wanneer men dan echter vraagt hoe die heiliging plaats heeft, dan zal Piper onderscheid maken tussen Oud en Nieuw Testament. Sedert Christus' komst op aarde staan de dingen anders. Wij mogen bij schepping en onderhouding niet blijven staan, maar moeten er op letten, hoe Jezus het menselijk leven heeft geëerd, toen Hij onze natuur aannam. Ons leven is een bevoorrechte plaats in de schepping, niettegenstaande de zonde. In het licht van die eer moeten wij de dingen zien, als het er ons om te doen is hun ware wezen te ontdekken. Op een mystische wijze ontmoeten wij Jezus dan overal. En zonder de dingen zelf te vergeestelijken, zonder te idealiseren, zullen wij dan, juist door ze te laten voor wat ze zijn, op de weg der heiliging geraken. Wij moeten. ons het leven door God in Christus laten geven; ons werk is het te nemen.
Geven en nemen, dat is hier de formule voor een nieuwtestamentisch realisme, dat door Paulus' naam wordt gedekt.
Deze opvatting herinnert, evenals iedere hoogkerkelijke beschouwing, aan Rome. - Bij Piper hoort men ook andere tonen, als hij in het Derde Deel van zijn boek de Werkelijkheid van het geslachtelijk leven behandelt. Dan komt de rechtvaardiging door het geloof naar voren, die nog iets anders en diepers bevat dan het geven en nemen uit het Tweede Deel.
Door dit verschil krijgt het boek iets tweeslachtigs, dat wij bij meer hoogkerkelijke mensen aantreffen. De nood van het leven, in dit geval het sexuele, dringt hen tenslotte om de echt-paulinische vertolking van het Evangelie te hulp te roepen.
Ik heb deze theologische beschouwing voorop laten gaan, omdat men anders het boek van Piper niet goed lezen kan. Want het wil een religieuze verklaring van het geslachtsleven geven. Dat staat al op de omslag van het boek. En het meent daarmee de moderne mens zoveel te kunnen geven, dat al zijn buitensporige eisen op dit gebied worden overtroefd. Hij mag veel nemen, want God geeft veel. Piper legt daarop zoveel nadruk dat, zoals hij zelf het uitdrukt, de tucht wat teruggedrongen wordt.3 Maar hij ziet daarin winst aan echte ernst. De bijbel neemt het geslachtsleven in ernst. De hele concrete mens, het lijfelijke ik is er bij betrokken. Dat is veel meer dan wanneer men het, zoals vele modernen, met eten en drinken op een lijn stelt. Dit zijn geen totale, maar partiële functies. Piper vindt vele nieuwere opvattingen te goedkoop. Er schuilt veel meer achter en dat meerdere kent de kerk uit de bijbel.
Wanneer wij ons door de bijbel laten onderwijzen, zegt Piper, dan zullen we ook niet in een filosofisch idealisme vervallen.4 Hij meent dat Freud dichter bij het Evangelie staat dan dit idealisme, dat eigenlijk op verdringing uit is. Men kan het sexuele toch niet in de geestelijke persoonlijkheid laten opgaan. De geslachtelijke eenheid van man en vrouw bergt een eigen mysterie. De heiliging des lichaams moet plaats hebben door het aan een ander te geven. Ook dan komt men wel boven het lichamelijke uit. Maar langs een eigen weg; niet door morele persoonsgemeenschap.
Daarom heeft het woord kennen op dit gebied een zin, die iedere bijbellezer verstaat. Wij mogen die betekenis niet rationaliseren naar het geestelijk-persoonlijke toe. Wanneer man en vrouw elkander zoeken te ontraadselen en Gods beeld in elkaar zoeken, blijkt het een mysterium tremendum te zijn: niet natuurlijk en rein, maar lokkend en 'unheimlich'. De vrouw openbaart zich als geliefde, gezellin en moeder; de man daartegenover als minnaar, leider en beschermer. De sfeer waarin dit gebeurt is de eer en zo krijgt het geslachtsleven een eigen geestelijkheid, die haar vervulling kan vinden in de christelijke liefde, de verhouding van God tot zijn volk, Christus en zijn kerk.
Na deze bepaling van het wezen van het geslachtsleven, behandelt Piper de normen. Eerst worden de grenzen aangewezen. Omdat hij voor de verhouding van man en vrouw volgens de bijbel een eigen provincie heeft afgebakend, kan hij afwijzend staan tegenover degenen, die het geslachtsleven voor absoluut noodwendig houden. De eenheid tussen man en vrouw is niet een van te voren bestaande; ze is niet metafysisch. Wij kunnen mens zijn zonder geslachtsleven. Het hele leven heeft zin en in de bijbel is de mens niet enkel lichaam. Het is alleen voor de mensheid noodzakelijk, niet voor de enkele mens. Voor de kerk ook omdat Christus anders geen mens kon geworden zijn. Zo krijgt het sexuele leven meer eer dan wanneer men het een absoluut recht geeft. En toch wordt het niet op heidense wijze vergoddelijkt. De onontbeerlijkheid hangt met de zonde samen en is daarom begrensd. Het dient de heiliging des lichaams. Piper beroept zich op Paulus, als deze van de man ten opzichte van de vrouw spreekt als van een redder des lichaams' (Efeze 5 : 23). Zo kan de een de ander tot Heiland worden.
Binnen deze grenzen wordt dan verder gesproken over zegen en moeite, plicht en gevaren, houding en verhouding. Over de hele lijn wordt het geslachtsleven uit de schepping naar de kant van de kerk getrokken.
Piper wil het niet tot de scheppingsorde of onderhoudingsorde rekenen. Het mysterie wordt beter openbaar in het licht van het Nieuwe Testament. Sedert de vleeswording ontmoeten wij Christus in de schepping. Dat geldt ook van het geslachtsleven, in de heiliging des lichaams.
In verband met dit christelijk realisme wil de schrijver bij de geslachtelijke verhouding ook niet van plichten, maar van deugden spreken. De wet heeft voor hem afgedaan. In de weg van geven en nemen moeten wij zalig worden en moet het lichaam geheiligd. Daarbij worden de vier kardinale deugden, die Piper hier behandelt, beoefend. Het zijn liefde, trouw, natuurlijkheid en kuisheid.
Tot de normen der geslachtelijkheid rekent de schrijver ook het huwelijk. Nu pas, in aansluiting aan de deugden, wordt het besproken. Ook vat hij het niet als een goddelijke instelling op. Hij denkt hier weer op dezelfde wijze als we hem reeds meermalen hebben zien doen. God eert het huwelijk, dat op zichzelf niet zedelijker is dan het geslachtelijk verkeer daarbuiten. Het is geen scheppingsorde voor 't eerste mensenpaar, maar is geschapen door de groep, met het oog op het bestand der groep. God eert het wegens de religieuze zin, om de heenwijzing op de gemeenschap in het lichaam van Christus. Daardoor gaat het in betekenis boven het geslachtelijke uit. De huidige vormen acht Piper niet zedelijker dan de polygamie in andere landen, omdat daarnaast de prostitutie erkend of geduid wordt. De echt berust ook niet op de juridische vormen, maar op de wil van het echtpaar. Hij constateert dat vóórechtelijk verkeer bezig is, bestanddeel van de christelijke zede te worden, en staat daartegenover niet beslist afwijzend.
Wij zien dus, hoe consequent Piper is met zijn realisme. Hij geeft heel wat ruimte aan de wereld. Over moeten en plichten spreekt hij niet gaarne. Liever over de deugden als ze er zijn. Hij wil de dingen nemen zoals ze zijn. Want de deugden Gods zijn er ook en wij mogen ze nemen. Overal komen ze ons in Christus tegen, ook in 't geslachtsleven. En dit nemen leidt hier tot heiliging des lichaams, tot de christelijke echt, tot de christelijke liefde. ⚑Zo wordt de wereld tot kerk en de mensheid tot lichaam van Christus.
Natuurlijk moet Piper tenslotte de werkelijkheid buiten de bijbel ook onder ogen zien en die plaatst hij dan onder het gezichtspunt van zonde en vergeving. Ik heb er reeds op gewezen dat, als men eerst zover gegaan is in een realistische voorstelling van de heiliging als hij dat doet, het heel moeilijk is, om dan nog het Evangelie van zonde en genade tot volle uitdrukking te brengen. Wanneer het geslachtsleven, althans het huwelijk, zelf een sacrament is, waardoor de heiliging haar beslag krijgt, dan zijn het, evenals in de Roomse Kerk, eigenlijk alleen de dagelijkse, de overblijvende, de vergefelijke zonden, waarvoor nog verzoening moet worden gedaan. De erfzonde, de doodzonde komt dan niet meer in aanmerking. - Wie het Derde Deel van Pipers boek met aandacht leest, zal zich niet aan de indruk kunnen onttrekken, dat dit hier het geval is. De volle spanning van geloof en werkelijkheid komt niet tot uitdrukking. Het blijft een nemen van een goed en wordt niet een geloven van een belofte. En daardoor wordt er wat licht over de dingen heen gelopen. De afgronden onder de werkelijkheid worden niet aangewezen.
Ofschoon Piper wel weet dat er een bijzonder verband bestaat tussen geslachtelijkheid en erfzonde, omdat daarin "het gehele lichamelijke concrete 'ik' tot uitdrukking komt",5 trekt hij daaruit eigenlijk geen conclusies. Integendeel, in het Derde Deel schijnt hij mij dat inzicht weer weg te werken, als hij de geslachtsdrift toch weer met de honger vergelijktd en haar als zedelijk indifferent voorstelt. Het realisme van Piper rekent over de gehele lijn te weinig met de wil in de werkelijkheid; het is te zakelijk. Daardoor komt het ook dat hij wel veel over goederen en deugden spreekt, maar de plichten verwaarloost. Romeinen 7 komt niet aan de beurt, waarin over de wil en het kwade gesproken wordt op een wijze, die de bijbelvertolking van Piper stoort. Filosofen als Schopenhauer en Kant met hun Wille en radikal Böse,6 hebben hier dieper gezien dan Piper. Ook Kierkegaard met zijn angst.7
In de filosofische ethiek staat de plichtenleer het dichtst bij de bijbel. Het is vrij erg, als Piper voor het geslachtsleven groter betekenis toekent aan de zede dan aan de tucht.e Ook wanneer het waar mocht zijn, dat de eerste meer bereikt dan de laatste, dan is dat toch in een religieuze beschouwing geen maatstaf. Op die weg voortgaande, komen wij in de folklore terecht en niet in het christendom. ⚑Het boek van Piper is een zuiver boek, waarin vele treffende apercu's voorkomen. Het is in menig opzicht een verkwikking om het te lezen. Maar de diepere motieven uit de bijbel en uit de werkelijkheid mis ik er in. Bijbels realisme is geweldiger en past beter bij de echte werkelijkheid. Er schuilt een gevaar in als men, zoals Piper doet, het leven ontijdig sacramenteel maakt. De Wet en het Evangelie gaan vóór het sacrament. De herfst is de sacramentele tijd, als het licht door alle dingen schijnt en aan alle dingen hangt. De lente is een sterker getijde, dat de verwantschap van licht en dood kent. Piper raakt soms wel even aan dit tremendum in het mysterie, maar ook maar even. Hij spreekt veel over geven en nemen, maar weinig over de verwantschap van geslachtelijke liefde met de dood. De bijbel (Thamar),8 Shakespeare (Romeo en Julia) en Gottfried Keller (Romeo en Julia op het dorp)9 weten daar wel van. De zede, het "alzo doet men niet in Israël" (2 Sam. 13), waaraan Piper de hoede van het geslachtelijke wil opdragen, blijkt dan van geen betekenis. Er zijn sterkere machten nodig. Deze diepere tonen mis ik te veel in het boek van Piper. Een der gevolgen is de makke wijze waarop hij spreekt over een verschrikking als de sterilisatie,f over het rassenvraagstukg en hier en daar over de homosexualiteit. En dat geldt ook van dingen die van meer algemene betekenis zijn, zoals het geslachtelijk verkeer buiten het huwelijk, het voor-echtelijk verkeer en de polygamie. Ook hier geeft Piper aan de zede zoveel macht; religie en zedelijkheid zet hij zover uit elkaar, dat er van een profetisch-bijbelse behandeling van de werkelijkheid niet veel meer over blijft.
Er is te veel los aan het werkelijke leven dan dat wij ons de weelde zouden kunnen veroorloven bij het lichaam te beginnen. Dat betekent van de zonde uitgaan. Het sacrament is nu nog slechts een teken en geen weg. Wij kunnen niet van het geslachtsleven naar het huwelijk gaan, zoals Piper wil. Wij moeten van de instelling, van het gebod, van de geest tot de realiteit komen. De Wet terzijde schuiven zoals Piper dat doet, mag niet. De spanning tussen Wet en Evangelie moet blijven. Anders wordt het een geven en nemen dat leidt tot volkomen oplossing van de christelijke moraal.