O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Lezingen over prekenLezingen over prekenDe prediking der kerk in deze tijd →

Verzamelde Werken, deel 7 · Lezingen over preken · p. 517–527

De plaats der bekering in de prediking

Inleiding tot een bespreking van dit onderwerp in de Ring Makkum

Geachte broeders,

Doordat primus en secundus beiden zich verontschuldigden, heeft uw tertius zich voor de taak gesteld gezien om een inleiding voor de bespreking te leveren. Ofschoon in de wintertijd des jaars, heb ik toch gemeend niet weer mijn taak op een quartus te mogen afwentelen, omdat we dan tot een reeks zouden komen, die wel eens langer zou kunnen blijken dan het getal ringcollega's, en we dan de affaire weer van nummer één zouden moeten beginnen.

Overigens zou ik met alle bescheidenheid willen opmerken of vragen, of het nu zo helemaal onmogelijk is om, wanneer men aan de beurt is, al is het in de wintertijd, iets op te stellen wat uitgangspunt kan zijn voor vruchtbaar debat. Maar nu eenmaal de beurt aan mij kwam, zocht ik naar een onderwerp waarover we onderling eens van gedachten zouden kunnen wisselen.

Gedachtig aan zekere ervaring die ik eens maakte met zeker filosofisch onderwerp, heb ik thans mijn gedachten gericht naar de praktische kant, en iets gezocht dat direct ligt op het terrein van de wekelijkse prediking: De plaats der bekering in de prediking. Zo luidde het onderwerp dat ik aangaf. Ik zie ervan af dat onderwerp nu nader te bepalen, in de hoop dat de bedoeling al sprekende duidelijk zal worden. Het is allerminst mijn bedoeling dadelijk een bepaalde opvatting aan te geven. Maar ik wil op verschillende punten mijn onderwerp aangrijpen, daar waar het praktisch zich wel eens voor mij geplaatst heeft. Misschien is het dan mogelijk aan het slot enige eenheid te zien en aan te wijzen.

Ik wil beginnen met het goed recht van mijn vraagpunt even aan te wijzen. Het is praktisch maar tegelijk dogmatisch. Tussen deze beide zijden van de theologische en pastorale werkzaamheid bestaat mijns inziens een zeer nauw verband. Heel wat onvaste praktijk zal op rekening moeten gesteld worden van een zekere hooghartige houding, die we in onze tijd vaak aangenomen hebben tegenover de dogmatiek. Bang geworden voor het geraamte der scholastiek meende menigeen het zonder beenderengestel te kunnen doen, en ging theologisch een weekdierenleven leiden. Aan een paar voelhorens had men genoeg. Daarmee dacht men op elk ogenblik genoegzaam zijn houding tegenover de geestelijke realiteit te kunnen bepalen. Maar op die manier gaat het niet. We hebben nodig een stevig stel overtuigingen aangaande de hoofdlijnen van het koninkrijk Gods. Of men er niet in slaagt, of nog niet in slaagt, of niet voldoende in slaagt dat te verwerven, is een andere zaak, maar de eis moet gehandhaafd blijven. Wanneer men nagaat de kloeke arbeid die in de gereformeerde kerk in vroeger tijd besteed is in het bestuderen van de lijnen van het koninkrijk Gods, dan vraagt die arbeid onze eerbied, en zal men moeten erkennen dat hier een voorwerp van onderzoek onder handen was, dat het hoogste genoemd moet worden. Men moge dat nu noemen de kennisse Gods (Kuyper), of het Koninkrijk der hemelen (Beets), of het christelijk geloof (Schleiermacher).

Het zal toch altijd nog even belangrijker zijn te onderzoeken hoe het leven zich vertoont, hoe het zich vormt in die plek licht die Christus op de wereld heeft gebracht, hoe dat licht het levensembryo tot ontwikkeling brengt, dan te weten hoe de samenstelling is van enig kwalijkriekend gas of de lijnen van enig kristal. Het kan niet de bedoeling zijn dat we ons op het hoogste levensterrein met enige algemeenheden tevreden zouden stellen, en in de lagere terreinen naar de scherpste bepaling zouden dingen. Dit verraadt een heimelijke onderschatting van het eerdergenoemde gebied. En zo zal men praktisch moeilijk kunnen beweren dat het hoge spiritualiteit verraadt, zo men lichamelijk krank een geneesheer vraagt die met de ligging der lichaamsdelen nauwkeurig op de hoogte is, en geestelijk zich tevreden stelt met enige algemene noties bij de therapeut, - wat erop uitloopt dat hij er maar op in snijdt. Dat loopt uit op een geestelijke engelenmakerij.

Ik geloof dus dat men recht heeft een vraag te stellen als ik deed. Praktisch: Welke plaats komt de bekering toe in de prediking? Dogmatisch luidt de vraag: Welke betekenis heeft dat keerpunt in het leven, dat we de bekering noemen?

Dat de bekering een plaats moet hebben in de prediking, kan althans voor een christelijke prediking moeilijk aangevochten worden, sedert Jezus zijn prediking aldus begon: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Mt. 4 : 17), of: Bekeert u en gelooft het Evangelie (Mk. 1 : 15). De gehele vraag kan nu eigenlijk zo gesteld worden, zo we die korte woorden nemen als een samenvatting der christelijke prediking: Hoeveel gewicht moet op het eerste lid gelegd worden, hoeveel op het tweede?

Ik wil deze vraag zoeken te verduidelijken. Ze sluit zich al dadelijk aan aan de evangeliën. Enerzijds zien we hoe de Heer ingaat tot tollenaars en zondaren, en hen als 't ware bij verrassing neemt. Hij stelt geen voorwaarden, maar wekt een verwondering bij hen op dat zij met Hem mogen zijn. Die verwondering is hun eerste levensteken. Het blijft hun doorgaande levenskracht. Ze zijn brandhouten uit het vuur gerukt, ze weten zelf niet hoe. Hij had hen lief voor ze zelf liefhadden, en dat was hun redding. De minste voorwaarde had misschien deze mensen teruggehouden. Dat ze ineens onvoorwaardelijk gegrepen zijn, dat verbreekt de laatste aarzeling.

Omgekeerd zien we hoe de Heer ook menigmaal anders handelt. Bijvoorbeeld met de rijke jongeling. Een zware voorwaarde wordt gesteld. Het geval wordt gelijkgesteld met het doorgaan van een kemel door het oog van een naald (Mt. 19 : 24). Anderen worden gewezen op het ontzaglijk moeilijke van de roeping om Hem te volgen.

Ten dele kan dit onderscheid misschien verklaard worden doordat de Heer individueel de mensen behandelt. Maar toch zie ik reeds in de evangeliën de beide typen van roeping, die later zo duidelijk in de historie optreden. Men merkt het zelf geducht, welk een onderscheid het maakt naarmate men de ene of de andere stof gekozen heeft voor de prediking. Voor het gevoel van de prediker heeft het soms de schijn alsof men de ene maal omver werpt wat men de andere keer heeft opgebouwd.

En zo meen ik te mogen zeggen, dat beide termen van mijn vraag niet alleen in Jezus' Woord, maar ook in zijn praktijk aan te wijzen zijn, zodat de vraag naar de nadruk voor ons blijft gesteld.

En nu wil ik trachten het ontzaglijk praktisch belang naar voren te brengen. We gaan daarbij uit van de veronderstelling dat het doel der prediking is het wekken van een leven, dat niet zomaar gegeven is. Omnium consensu moet de Evangelieprediking meer zijn dan moraliseren. Er is misschien ook niets op de wereld wat in zichzelve een zo grote eentonigheid heeft als moraliseren. Om het ongestraft te kunnen doen is nodig een grote mate van geest, we zouden zelfs zeggen geestigheid, zoals dan ook de bekende Franse moralisten mannen van geest en geestigheid zijn geweest. Moraliseren zinkt licht tot satire en bitterheid.

De prediking van het koninkrijk Gods stelt mindere eisen van geest en geestigheid, maar vraagt enkel geestelijkheid. In het Evangelie is een geestelijke beweging en belangrijkheid, die er niet in behoeft gelegd te worden, maar die omgekeerd verlevendigend werkt op de geest. Het is een wonder op zichzelf dat week aan week een prediker zich met lust in dezelfde sfeer kan bewegen zonder moede of mat te worden. De enige verklaring hiervan is dat men niet heeft te doen met een gegeven levensstof, die gerangschikt moet worden, maar dat er een beweging in is van het natuurlijk tot het geestelijk leven. Dat geestelijk leven is niet iets gegevens, het is zaak van geloof. En in de beweging daarnaartoe geraakt men uit het platte vlak. En zo worden geboren die talloze mogelijkheden, waaraan Jezus denkt als Hij spreekt van levend water, een fontein springende tot in het eeuwige leven (Joh. 4 : 14).

De prediking is een poging om datgene wat niemand kan aanwijzen of beschrijven te wekken, het overlatende aan de Heilige Geest hoe het wezen zal. Vandaar het wekelijks opnieuw inzetten van dezelfde zaak, terwijl het toch de nieuwheid kan hebben van een pas gemaakte ontdekking.

Wanneer ik iemand moet leren de wegen te vinden op gegeven wegen, al is het wegennet groot en ingewikkeld, dan is dat een arbeid die na enige tijd afloopt, en die naarmate men verder komt de belangstelling doet dalen. Wie het weet behoeft het niet meer te leren. Dat is moraliseren. Maar wanneer iemand moet leren zich te verheffen op vleugelen in een ander element, wanneer daarbij leren, geloven en het kunnen verbonden zijn, dan heeft elke nieuwe onderwijzing tevens het karakter van een proef, waarbij de uitslag de belangstelling tot het uiterste gespannen houdt. Dat is voor mijn gevoel het karakter der Evangelieprediking. Het nieuwe element waarin we moeten leren leven is het Koninkrijk der hemelen.

De wending van het natuurlijke tot dat geestelijke leven heet de bekering en geloof. Geloof is hier de levensbetrekking op het Koninkrijk der hemelen. De bekering is datzelfde leven bezien, maar in zijn tegenstelling met het zonde- en schuldleven. Metanoeite: hebt andere gedachten; epistrofé: omkering. Hoe zal nu praktisch het meest vruchtbaar door het prediken van die beide momenten het nieuwe leven gewekt worden?

Bekering. Het schijnt mij niet onmogelijk om door de prediking der bekering een gemeente dood te preken, tenminste voor zover het gemeentelijk leven van de prediking afhangt. Wanneer week op week uitgegaan wordt van de zondestaat en de toestand van de schuld; wanneer dat met uitzonderingen, die men pro memorie uittrekt, als de gegeven staat wordt aangenomen, of ook als stilzwijgende veronderstelling, dan ligt daarin een werking en kracht waardoor men de gemeente gewent aan een gedachte over zichzelve, die ze juist moet leren verliezen. Metanoeite wil juist zeggen: hebt andere gedachten.

En wanneer nu elke prediking strekt om, als ik eens drie oude maar zeer juiste termen mag gebruiken, om onbekeerden in hun staat te bevestigen, heilbegerigen terug te stoten van de eerste trap waarop ze bezig waren zich op te richten, ja zelfs bij de gelovigen weer alles op losse schroeven te zetten, dan is zulk een prediking niet stichtend, maar afbrekend.

Wat zou menigmaal (ik zal nu maar zeggen: op een dorp, want dat staat ons voor de geest) de grote reden zijn waarom bij opgroeiende jonge mensen zo weinig geestelijke verheffing en, wat toch eigenlijk en rechteigenlijk een zaak van het jeugdig gemoed is, zo weinig geloof gevonden wordt? Ik vind onder meer een der redenen hierin dat men gewend geraakt is aan een beschouwing van dingen, waarin het onbekeerd-zijn de natuurlijke, de gewone staat van zaken geworden is. Men weet niet beter of het hoort zo dat men begint met onbekeerd te zijn. Later zal dan de bekering moeten intreden die, wanneer ze zo plaatselijk en tijdelijk wordt ingewacht, zich vaak laat wachten. Zulk een gemoedstoestand is, geloof ik, een ethische neerslag van een bekeringsprediking of -beschouwing die zijn doel gemist heeft, die in plaats van bekering te wekken heeft gewend aan de staat der onbekeerdheid.

Het is een onzedelijk bezinksel van een valse geestelijke ijver. Men zet dan om omhoog te komen eerst zijn voet op diegenen, die men moest oprichten, en duwt ze des te dieper naar beneden. Bij zulk een beschouwing van zaken wordt het onbekeerd-zijn als een respectabele toestand geaccepteerd. Er wordt in zekere zin vrede mee genomen. Eigenlijk hoort dat nu eenmaal zo en iemand is er niet minder om geacht. Het wordt geaccepteerd als de toestand in doorsnede van nota bene christelijke gemeenteleden, en het gelovig-zijn verschijnt dan als een exceptionele toestand, die als terzijde een aparte behandeling vraagt.

Christelijk is deze prediking niet. Jezus zegt van Johannes de Doper dat de minste in 't Koninkrijk der hemelen meerder is dan hij (Mt. 11 : 11). Gereformeerd is deze prediking niet. De bekende theoloog Witsius noemde als een der onvolmaaktheden van het Oude Testament de te grote strengheid in de prediking. Onbekeerd-zijn moet niet als natuur, maar in de christelijke gemeente als onnatuur gepredikt worden. Het moet niet als een vanzelfsprekende plaats om te beginnen, maar als een schuldig en onverantwoordelijk achterblijven gevoeld worden.

Het wonen van de Heilige Geest in de gemeente is werkelijkheid. - Wat is die wonderlijke donkerheid die voor ons bewustzijn om het hoofd van de meest verlichte heiden zweeft? Wij gevoelen ons niet geheel van één geslacht met een Plato en Cicero. Er is iets onuitsprekelijks wat, wanneer we hun geestelijk bestaan voor ons trachten op te roepen, ons aandoet als de gesloten ogen van een buste, een wandelen in de duisternis. Wel voelen we ons in één wereld met een Augustinus en Luther, met de christelijke wereld, al verschillen de personen nog zo zeer van ons en onze tijd.

Dit verschil is principieel. Het is het wonen van de Heilige Geest in de gemeente. De Heilige Geest schept een geestelijk milieu, een lichtsfeer, die niet te ontkennen of weg te redeneren valt. Het wordt mee geboren met ieders geestelijke geboorte. Het wekt het leven. In Hem leven wij, bewegen ons en zijn wij (Hand. 17 : 28).

Bij een te uitsluitende bekeringsprediking wordt de werkelijkheid van dit milieu, van die lichtsfeer, van dat Koninkrijk der hemelen te veel geloochend. Het is of elk uit eigen middelen het moet voortbrengen. De prediking dat de Heilige Geest het geloof wekt is meer dan een stoplap, die om rechtzinnigheidswege moet worden toegevoegd. Als apart toevoegsel heeft het werkelijk ook weinig betekenis en weten we vaak niet wanneer het aangebracht moet worden. Het moet het karakter der prediking bepalen. De atmosfeer waarin de gemeente leeft moet tot bewustzijn worden gebracht, opdat de geestelijke ademhaling worde gewekt en verruimd. Een beetje realisme kan daarbij geen kwaad.

Wanneer de prediker zich hier plaatst, dan wordt het onbekeerd-zijn een achterblijven. Dan staan hem de krachtigste motieven ten dienste om alles wat de duisternis liever heeft dan het licht te bestraffen; maar dan neemt hij toch zijn standpunt in het koninkrijk Gods en roept vandaaruit: Bekeert u. Terwijl omgekeerd het standpunt genomen wordt in het zondeleven, en dan gepoogd wordt om de hoogte te bereiken, waartoe dan menigmaal de gemeente zelf als piëdestal gebruikt wordt.

Tot dusver was bijna alle licht aan één zijde. We willen ook op de schaduwzijde letten van dit standpunt.

Wanneer we alzo het koninkrijk Gods als gekomen aanwijzen, en een soort van nature daarin zijn aannemen, zoals a Lasco tegenover de erfzonde onder zekere gezichtshoek ook sprak van erfgenade dan leidt dit niet tot krasse tegenstellingen. We letten dan zeer op de voorbereidende werkingen. We nemen niet een al te scherpe grenslijn aan tussen de onbekeerde en bekeerde toestand. Schleiermacher spreekt van een tot heerschappij komen van het Godsbewustzijn, dat in de onbekeerde toestand de heerschappij nog niet heeft maar wel aanwezig is. Chantepie de la Saussaye Jr. herinner ik mij dat deze definitie ongeveer gaf van de bekering in de Overdenkingen: Het met bewustheid aannemen van de christelijke beloften en levensvoorwaarden waarin men opgegroeid is. Een scherpe grenslijn tussen bekeerden en onbekeerden wordt dan evenmin getrokken. Men kan zeggen: er zijn graden. Men zal afkerig zijn van een deling in twee helften. Eenzelfde woord en prediking zal dienen om allen op te wekken, te bestraffen of te vermanen of te vertroosten. Want men laat aan het geweten over zijn houding te bepalen.

Maar nu is de vraag of dit tot voldoende beslistheid werkt, of hierin ook te veel idealisme en te weinig realisme is. De Heer spreekt ook van een nemen van het Koninkrijk der hemelen met geweld (Mt. 11 : 12). Er is toch ook in de Schrift een krasse scheiding tussen onwedergeboren en wedergeboren, onbekeerd en bekeerd, oude en nieuwe, natuurlijke en geestelijke mens. En een graad onderscheid kan groot genoeg zijn om principieel te mogen heten. Of het Godsbewustzijn heerst of niet is toch tenslotte een principieel onderscheid.

Zo we dit keerpunt als iets zeer wezenlijks prediken, zo we het zeer gemarkeerd voorstellen, zo we de scheidingslijn als een grootheid poneren en niet als nauw merkbare grens, maar als een muur waarop geweld gedaan moet worden, dan is er iets van waarheidsgevoel in ons binnenste dat daardoor bevredigd wordt. We denken aan de kemel en het oog van de naald. Zonde en schuld zijn geen quantités négligeables, maar zeer merkbare en verschrikkelijke grootheden, die als een leeuw en een beer op de weg iemand de toegang in het koninkrijk Gods willen versperren, en die hem willen beletten naar de aard van het koninkrijk Gods te zeggen: Abba, Vader.

Zo nu de grote ernst van deze levensstrijd gepredikt wordt, wanneer tweeërlei leven en tweeërlei einde tegen elkander over gesteld worden, tweeërlei levensmogelijkheid, dan verschijnt het leven in de prediking onder het beeld van een kampstrijd. Dan stelt de prediker een barrière om die te doorbreken. We denken aan wat men wel eens genoemd heeft een ouderwetse bekering. Ik denk aan een hoofdstuk van Beside the Bonnie Brier Bush van Maclaren, de Highland-mystiek, waarin Donald Menzies voor zijn haardvuur een strijd voert om zijn leven. God en Satan werpen hem beurtelings een woord toe. Maar God houdt het laatste woord in heerlijke almacht, en de huisgenoten staan op in de nacht en zingen een lied, een overwinningslied. Hier is niet alleen bewustwording, hier is overwinning.

En nu vragen we weer: wat moet de prediker doen? Zo hij, om zo te spreken, de mensen terughoudt, opdat ze zullen aandringen, zo hij het koninkrijk Gods predikt als een burcht die genomen moet worden, - zullen degenen die hem veroveren niet beslister zijn? Zullen ze niet weten te spreken van ervaring en een bekeringsgeschiedenis hebben mede te delen? Is er geen gevaar dat een natuurlijk maken van hetgeen bovennatuurlijk is de ervaring uit het leven wegneemt, en een christendom kweekt dat de naam heeft te leven, en werkelijk dood is? Een inklimmen van buiten en niet door de poort (vgl. Joh. 10 : 1)? Dat de gemeente zich oplost in de schare en de kerk in een ietwat gepolijste wereld?

Het zal moeilijk tegengesproken kunnen worden dat een verovering tot krachtiger bezit voert dan een bewustwording. En ook zal hier eenzelfde ervaring een hechte band zijn om een kring, een genootschap, wat de gemeente toch moet zijn, te vormen⚑. Niet alleen eenzelfde waarheid, maar ook eenzelfde ervaring zal de gelovigen verenigen. Men zal een oog hebben voor de ernst van het leven, en vanuit de verkregen zekerheid waarschuwen degenen, die de keuze des levens niet met volle beslistheid hebben gedaan.

Wanneer we de beide wijzen om leven te wekken naast elkander stellen, dekken vrijwel de lichtzijden van de ene de schaduwkanten van de andere. Er is echter een middenweg die als methode van prediken kan worden aangewend.

We zouden het willen noemen, en ik wil het niet met een aardigheid zeggen: een geestelijke ars obstetrica. Helpen bij de geboorte van het nieuwe leven. De prediker is dan niet voldaan met het Evangelie als levenwekkende kracht te doen klinken, en allen te rekenen in een nieuwe toestand en ze tot bewustzijn te brengen. Ook wil hij niet het proces aan zichzelf overlaten, en velen buitensluiten of op een afstand houden. Hij erkent dan het proces dat er nodig is om te komen van de zondestaat tot de staat der kinderen Gods. Maar naar de aard der liefde wil hij veronderstellen dat velen in dat proces begrepen zijn.

Dit zouden we de prediking kunnen noemen voor de heilbegerigen. Als zodanig worden dan allen beschouwd, tenminste de gedachte aan de aanwezigheid van dezulken geeft de toon aan de prediking. Hij acht zich niet geroepen een geweldige bekering te bevorderen, door het koninkrijk Gods voor te stellen als een burcht; evenmin gelooft hij dat men er zich als van nature in bevindt, maar waar hij let op de overgang, wil hij daarbij behulpzaam zijn. Hier zijn bewustwording en overwinning gemengd.

In zulk een prediking zullen twee dingen elkander afwisselen. De aansporing waardoor het proces der bekering wordt aangezet. Het zal niet ontbreken aan vermaningen, opwekkingen, bestraffingen. Maar aan de andere kant zal hij ook trachten tot bewustzijn te brengen wat er reeds is. Hij zal trachten de mensen te leren waarderen, de levensuitingen die er bij hen mogen gevonden worden. Hier is de spreuk: Handelt mij zachtkens met de jongeling (2 Sam. 18 : 5). Dit is de begeerte waarmee eigenlijk alle mensen, die belangstelling beginnen te betonen, naar de kerk gaan. Ze hebben behoefte de weg getekend te zien. "Uw Woord is mij een lamp voor mijn voet." Dit is ook het punt waar alle mensen weer teleurgesteld worden. Want niemand kan de wording des levens beschrijven. De wind blaast waarheen hij wil en ge hoort zijn geluid en ge weet niet van waar hij komt of waar hij henen gaat (Joh. 3 : 8).

Schaduw en licht van de beide vorige soorten zijn hier gemengd. Zo het om bewustwording te doen is, zou men kunnen vragen of het dan niet beter is het volle licht ineens te laten schijnen, opdat de blindgeborene het daglicht ziet wanneer hij de ogen opent. Waarom hem op half licht te stellen? Maar hierin schemert door de genoemde vrees om te veel van alles te zeggen, men vergenoegt zich met iets te zeggen.

En zo het te doen is om leven te wekken, om de prikkel in te drijven, waarom dan niet zo scherp mogelijk? Maar daar gevoelt men de vrees om zich reeds ontwikkelend leven te verstikken. Dit is de zogenaamde bevindelijke prediking. Er spreekt grote zorg en liefde uit. Maar ze voert ook in menige impasse, zowel voor prediker als hoorder.

Ik wil thans nog trachten deze dingen onder een algemeen gezichtspunt saam te vatten. 'Worden' en 'zijn' zijn ook in het koninkrijk Gods de beide laatste onderscheiden, de meest elementaire, de algemeenste begrippen. Het koninkrijk Gods dat gelijk is aan een gerede schat die slechts gedolven behoeft te worden (Mt. 13 : 44). En het koninkrijk Gods dat gelijk is aan een zuurdeeg dat het deeg doortrekt (Mt. 13 : 33). In de christelijke kerk zijn deze beide tot hun hoogste ontwikkeling gekomen. Het zijn in de christelijke prediking. Het worden in de levensgeschiedenis. Beide zijn speciaal christelijk.

De christelijke prediking is in zijn karakter en wijze enig op de wereld. Het is een machtige gedachte dat thans reeds bijna over de gehele wereld de christelijke prediking gehoord wordt. Zulk een prediking als een openbaring van een hogere werkelijkheid, het Koninkrijk der hemelen, staat enig in de wereldgeschiedenis. Ik geloof niet dat iets wat er op gelijkt buiten de christenheid in aard er mee kan vergeleken worden. Het is niet enkel een propaganda, om, wanneer het zich gevestigd heeft, als prediking zijn kracht te verliezen; maar de christelijke prediking betoont zich blijvend en in toenemende mate, ook waar de kerk gevestigd is. Dit wijst op een machtig zijn, waaruit de prediking ontspruit, en dat als in de dagen der schepping zweeft en broedt over de aardbodem.

En geen macht ter wereld zal kunnen verhinderen dat straks in nog wijdere kring de prediking geboren wordt, en tevens intensiever in de gemeente getuigd van het waarachtige nieuwe zijn. Zulk een feit kan ons enigszins geven de christelijke moed, moed om te durven bevestigen. Evenmin als het materialisme met zijn korte atomen-armen de geest bereiken kan, evenmin bereikt een historisme dat analogieën aanwijst het koninkrijk Gods of kan het loochenen.

Dit zeer karakteristieke van de prediking komt mede duidelijk uit in de toenemende betekenis daarvan in de christelijke kerk. Grieken: het altaar. Rome: de predikstoel ter zijde. Protestanten: de predikstoel op de plaats van het altaar. Dit is het zijn in zijn hoogste openbaring op de wereld.

Zo ook het worden. Geschiedenis is een bijzonder christelijk begrip. Wij kunnen hier niet lang bij stilstaan. Ik wil alleen aanhalen het getuigenis van de Duitse filosoof Rudolf Eucken. Deze noemt de Confessiones van Augustinus de eerste levensgeschiedenis die ooit geschreven werd als geschiedenis, aaneengeschakeld en zich ontwikkelend inwendig gebeuren. Wat bijvoorbeeld bij Marcus Aurelius wordt gevonden is daarvan naar zijn oordeel principieel verschillend. 't Eerste mag een inwendige geschiedenisontwikkeling heten, 't laatste niet. Zo dachten zich de Ouden de geschiedenis als een opvolging van gelijke perioden. Oude en Nieuwe Testament kennen een ontwikkeling die eenmaal plaats heeft, van het begin tot het einde naar een bepaald zijn zich heenricht.

Dit zijn absolute verschillen. Wij moeten in het ontzaglijke relativisme, dat in onze dagen gevonden wordt, dat absolute leren zien. Dat bepaalt ook onze Christologie.

Wat ik hier even zo kort mogelijk wilde aangeven, zodat ik niet weet of het duidelijk genoeg gezegd is, bepaalt het algemene gezichtspunt waaruit ik het gezegde over de prediking wilde overzien.

We hebben als bedienaren des Woords te doen met machtige werkelijkheden. De hoogste openbaring van het zijn, het koninkrijk Gods, en de hoogste openbaring van het worden, de wedergeboorte. Beide zijn zonder gelijke. Het zijn absolute waarden. Beurtelings zijn ze in de geschiedenis afzonderlijk opgevat.

Het Koninkrijk der hemelen als tegenwoordige werkelijkheid, de 'civitas Dei' van Augustinus, heeft in de historie de idee uitgemaakt der Katholieke Kerk, waar het daarin-zijn waarborg was van deel te hebben aan de gaven, door God aan de kerk toebetrouwd. Als een machtige, op allerlei wijzen verzinnelijkte werkelijkheid, als een reusachtige koepel zonder barst of scheur in stijl, het gehele leven overbogende, was ze een rust en veiligheid, en lag haar kracht in het sacrament, de aanwijzing en verzegeling van wat is in Christus. De prediking neemt hier het karakter aan van een correctief, en wordt boetprediking.

De andere zijde komt op de voorgrond met Luther en vindt zijn systematisering in het Calvinisme. Er is geen machtiger systeem van wording, geestelijke wording dan de Institutie van Calvijn. Hier wordt alle relativiteit versmaad, en het absolute worden des geestelijken levens in al zijn scherpte en diepte aanvaard. Opgenomen wordt de lijn in de eeuwigheid, in de voorbestemming Gods. De andere kant van Augustinus, de lijn der Confessiones, wordt hier opgenomen. Door al de stadiën van het geestelijk geboren worden wordt de machtige adem des Heiligen Geestes getoond. De veiligheid ligt hier niet in het verzegelde zijn, maar in hoogste instantie in het bewustzijn van de uitverkiezing, het begin van de wordingslijn. De sacramenten, verre van in dit stelsel alles te zijn, zijn een bron van moeilijkheid in de waardering, blijkende in lengte van behandeling. Voor een verbondsleer is hier weinig plaats.

Het is een wonderlijk misverstand wanneer men in onze dagen in sommige kringen meent, dat dit stelsel moet gepredikt worden. Het kan niet gepredikt worden. Alleen wat is kunnen we prediken. De reformatoren zijn dan ook wijzer geweest. Zij hebben in 't bijzonder behoefte gevoeld aan Evangelieprediking of liever verklaring van Gods Woord. Hun prediking staat tot die der middeneeuwen als Evangelie tegenover Wet, als getuigenis van het zijn tegenover wat worden moet, omdat hun systeem, of liever milieu van gedachten, een systeem van het worden is, tegenover Rome met zijn stelsel van het zijnde. Protestantisme is vol scheuren.

Hiermee hebben we de beide zuivere typen in de historie genoemd. Daartussenin liggen zoveel trappen als men wil. De verbondsleer komt op, Lutherse kerk met zijn doopgenade, het Piëtisme omgekeerd met zijn bekeringseis. Hoe uitlokkelijk ook, ik moet kort zijn.

Ik heb hiermee het algemeen gezichtspunt dogmatisch en historisch aangewezen waaruit we de verscheidenheden van onze vraag kunnen bezien. We gevoelen nu dat de vraag naar de plaats der bekering in de prediking door deze dingen bepaald wordt. Van deze beide hoogste werkelijkheden - het koninkrijk Gods, het hoogste zijn, en de wedergeboorte, het absolute worden, - mag geen van beide worden opzij geschoven, zonder dat het christelijk leven wordt ingeboet. Niet wat is, van nature, of van nature bereikbaar is wordt gepredikt, maar wat door 't geloof slechts bereikt kan worden. En daardoor ontstaat een worden in de hoogste zin, die Jezus wedergeboorte noemt.

Beide moeten blijven staan. Maar het eerste gaat, althans in orde, voorop. De oude gereformeerde onderscheiding dat aan het weten in het geloof de prioriteit toekomt is althans in zoverre niet te weerspreken, dat die voorrang de Evangelieprediking bepaalt. In diepe zin vallen ze misschien weer samen. Tegen 't filosofisch vooropstellen in verzet zich 't ethisch beginsel.

Christusprediking is bovenal een levende of leven verlichtende prediking. Illuminatio is daarvoor het hoge woord. Een stad op een berg gelegen (Mt. 5 : 14). De aanwending daarvan is ook in de protestantse prediking nooit vergeten; de toepassing bekleedt een spreekwoordelijke plaats in de protestantse prediking. Dit om te keren mag niet. Toepassinkje! Het zwaartepunt in de prediking ligt voor ons in het getuigenis omtrent het zijn. Het zwaartepunt in de zielszorg in het huisbezoek ligt in de zorg omtrent de wording, wedergeboorte en bekering. Op de zondag is de prediker optimist, in de week - helaas - vaak pessimist.

Hiermee is het hoofdbeginsel uitgesproken, het protestants beginsel: getuigenis geven in de prediking aan 't koninkrijk Gods. Maar dan komt pas de praktijk. Ik heb daarvan straks drie hoofdtypen enigszins beschreven, waarbij op het eerste, het tot bewustzijn brengen, zeer krachtig het meeste licht valt, vanuit mijn algemene gezichtspunt, en mag thans niet meer van de aandacht vergen. Het overige zij aan de bespreking overgelaten.

Ik heb gezegd.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Lezingen over prekenLezingen over prekenDe prediking der kerk in deze tijd →