De prediking der kerk in deze tijd
Ik wil uitgaan van 't verslag van de rede van dr. Edelkoort. Niet alles, en op vrije wijze.
Dat de kerk menselijkerwijze gezien in een zeer kritieke toestand is, zal niemand tegenspreken. De kerk als een stuk beschaving naast het gezin, de school, de landbouw, de fabriek. Vroeger was de fabriek de grote concurrent; waar een fabriek verscheen brokkelde de kerk af, althans meestal. 't Leek alsof deze manier van samenwerken en de geest die daar ontstond niet bij de kerk pasten. Bij het werk in de open lucht heeft men de hemel boven zich. De wind, de Geest, waait om ons heen. De natuur, het werk van Gods vingeren omringt ons. Gods almacht openbaart zich in storm en onweer. Zijn goedheid kroont de jaargetijden. In een fabriek tussen vier muren is dat anders. De fabriek zelf betekent al een breuk met de natuur en de oude zede. Zij betekende ook meestal een breuk met de kerk, zelfs op de dorpen.
Datzelfde gold van de stad, vooral de grote stad. De centra die een zo groot deel van de bevolking tot zich hebben getrokken. Wat is de kerk nog in de grote stad? Percentsgewijze? Niet als zuurdeeg.
Maar de fabriek en de stad tegenover het land is niet het enige. Ik denk aan de school. De ontkerstening van de volksschool is een heel stuk vaderlandse geschiedenis van de negentiende eeuw.
Toch gebeurt de afbreuk van de kerk niet alleen van buiten uit, van fabriek of stad. Ook gezin en landbouw, die, om zo te zeggen, voedsters der kerk zijn geweest van oude tijden af, hebben eraan meegedaan. Ik denk aan de lezing van de Schrift in het huisgezin. Zij sleet in wijde kring, vooral hier, geheel uit. Abraham, Mozes, David, Jesaja, Jeremia, Petrus en Paulus zijn namen die vaak met veel repeteren aan catechisanten moeten worden bekend gemaakt. De naam Jezus is meestal nog bekend. Zo ook het gebed voor en na het eten. Wanneer het gezin ophoudt kerk te zijn, zullen de gezinnen samen ook niet kerk kunnen blijven.
Ik noemde ook de landbouw. Op dat gebied is heel wat veranderd. Verbeterd. Organisaties. Men is ook in deze streek niet achterlijk, niet conservatief. Alleen is men conservatief in oude gebruiken: de oude volkszede, folklore met drankgebruik. Een concurrent van de kerk op St. Stefanus, op Pasen, op Pinksteren. Conservatief.
Ik noem deze dingen naast wat dr. Edelkoort gezegd heeft over onze tijd. Hij sprak van oorlogstijd, absolute staat, heidendom, nihilisme, goddeloze cultuur. ⚑Deze dingen zijn er. Maar zij zijn toch niet als reuzenpaddestoelen uit de grond verrezen. Zij zijn gegroeid. In de fabriek, in de grote stad; maar ook in het gezin, op het land. Zij groeien ook om ons heen en onder ons. Moskou ligt niet zo veraf als wij denken. En de absolute staat komt vanzelf, als de kerk komt te vervallen. In Duitsland waren voor 1930 niet alleen fabriekscentra, maar ook hele landbouwstreken van kerk en christendom innerlijk vervreemd, ook al stond misschien uitwendig de vorm nog overeind. In roomse landen: Bretagne, een land zonder God. Ten onzent weten wij het ook wel. Zelfs onze christelijke kringen en verenigingen negeren soms de kerk en drijven een christendom van vergaderingen en jaarfeesten met of zonder toneel, een christendom op eigen hand.
"Wat is nu de positie van de kerk in zulk een tijd?", vroeg dr. Edelkoort. En hij heeft toen, overeenkomstig zijn onderwerp, gewezen op de prediking. De kerk heeft een boodschap te brengen. Dat is ongetwijfeld de hoofdzaak. Het Evangelie van Jezus Christus. Wij mogen van de kerk niet iets anders maken. De kerk rust op 't fundament van apostelen en profeten. Zij heeft een apostolische boodschap te brengen. Zij mag daarvan niet afwijken. Dr. Edelkoort sprak van de heilsfeiten. Wij denken daaraan op Kerstmis, Goede Vrijdag, Pasen en Pinksteren. Onze gezangen zijn voor een groot deel daaraan gewijd. In verband met het karakter van de tijd komt het erop aan, daarop veel nadruk te leggen. Als kerk hebben wij geen bestaansreden dan deze, dat ons deze Woorden Gods zijn toebetrouwd.
Er zijn heel veel dingen die men in het kerkgebouw wel zeggen kan, zonder dat men daarom nog in de kerk spreekt. Men kan over sociale toestanden spreken en daartoe kan aanleiding zijn. Maar anderen zullen het vaak elders beter kunnen. Zo over opvoeding en andere dingen, om de politiek nu maar niet te noemen. Duitse predikanten hebben vroeger veel over politiek gesproken. Nu hebben ze de politiek in de kerk. Ik wil niet zeggen dat deze dingen zijn uitgesloten. Maar zij horen er niet als zodanig. Ze mogen er zijn onder een bepaald gezichtspunt: in betrekking tot Christus. En zijn Koninkrijk is niet van deze wereld (Joh. 18 : 36).
Daarom moet de Christus volgens de Schriften verkondigd worden. Het is beter dat men, zoals ds. Bakels, schrijft: "die Christus van de Schriften zou ik willen schieten' dan dat men een andere Christus voor Hem in de plaats schuift in de kerk. De kerk heeft tot hoeksteen de Christus van de Schriften. En de kerk heeft geen bestaansreden, als Hij niet gepredikt wordt. De machten en overheden der wereld weten dat. Zij nemen alleen notitie van de kerk als deze de Christus der Schriften verkondigt. En dan gaan ze de kerk vervolgen. Daarop heeft dr. Edelkoort ook terecht gewezen. Of dat hier ook zo komen zal? Of wij dat beleven zullen? Wij weten het niet. Het zal wel zo komen. Wij hebben al gezien dat Moskou niet zo veraf ligt als 't lijkt. En de staat is al aardig absoluut. Wij zeggen: dat moet wel. En elders zegt men met waarschijnlijk evenveel recht: dat moet wel. Het lijkt een lawine, een rollende steen. Maar wie maakt die los? Wat is de drijfkracht? Alleen de prediking van de Christus der Schriften schijnt een laatste hinderpaal. Anders staat de kolos niets in de weg.
Dr. Edelkoort heeft over de aard en de vorm van die prediking allerlei behartigenswaardige dingen gezegd. Ik zal die niet een voor een behandelen. Onze bijeenkomst draagt als ringvergadering ook een meer huiselijk karakter.
Ik zou dit willen zeggen: Als wij de Christus der Schriften hebben te brengen, dan blijft de preek in onze godsdienstoefeningen hoofdzaak. Men weet dat dit thans geen algemene overtuiging meer is. Men wil wat men noemt 'het evenwicht' in de eredienst herstellen. Die moet, zo meent men, weer een karakter van aanbidding krijgen. Zoals Newman bij dr. De Vogel zegt: De kerk is de hemel op aarde.
Een Duits predikant schreef daarover aan de schrijfster het volgende: "Wat zal ik zeggen? Is dat niet een verdoving, wanneer men zoiets doet, zich terugtrekt op een eiland van veiligheid en rust, alsof een uur lang alles goed was? En inderdaad zijn wij in een wereld die waard is dat zij te gronde gaat, opdat het rijk Gods nieuw over haar aanbreke. In mijn gemeente is zoveel dat ondraaglijk treurig is, zo nameloos zwaar, dat ik de zwaarte daarvan veel te ernstig moet opnemen dan dat ik op een eiland zou mogen vluchten, terwijl de storm daarbuiten zo en zoveel broeders vernietigt. En wanneer men op het eiland komt uitblazen, dan willen wij bidden en uitkijken in de storm met een bang hart en, wanneer het zijn moet, ons in de storm om Gods wil naar buiten wagen, want rust is zinneloos, wanneer buiten mensenlevens vernietigd worden."
Ik geloof dat deze Duitse predikant in hoofdzaak gelijk heeft. Een ontwikkeling van onze eredienst waarbij de kerk een hemeltje op aarde zou worden, met gesloten deuren, die zal de wereld van tegenwoordig nog wel willen toelaten. Onze vaderen hebben het in de hervormingstijd anders ingezien. De prediking is niet een helemaal wakker worden van wat in de sacramenten slaapt en in het kerklied half wakker is. De prediking moet wakker maken. Zij is een van Christuswege bidden: Laat u met God verzoenen (2 Kor. 5 : 20). Zij is gericht op de gemeente en door de gemeente op de wereld.
Wanneer de hemel alleen in de kerk is, dan heeft de koster de sleutelmacht om hem te openen of te sluiten. De hemel moet in 't hart zijn, zodat hij vandaaruit als getuigenis kan worden uitgedragen in de wereld. Of daarom alles in de eredienst hetzelfde moet blijven is een andere vraag. Maar in hoofdzaak moeten de verhoudingen toch wel blijven zoals dat in een Hervormde Kerk steeds was.
Daarmee is een grote spanning in de prediking gegeven. Zij moet op de wereld gericht zijn, en toch in volle zin blijven getuigenis van Christus. Geen mat speechje, begraven in de liturgie. Maar een pièce de résistance, waar wat aan te kluiven is. De preek moet ons uit de wereld terugroepen tot Christus, zoals Jezus zijn discipelen van het visnet en het tolhuis tot zich riep. Maar moet ons ook weer in de wereld terugzenden, zoals Jezus zijn discipelen als apostelen zond naar de einden der aarde.
Daarvoor hebben wij alle hoofdbegrippen uit de bijbel nodig: bekering, wedergeboorte, rechtvaardiging, heiliging, zonde, erfzonde, schuld, verzoening, liefde en toorn. Het hele bijbelse apparaat, dat in beweging komt als God spreekt. Een humanistische preek, een menselijke praterij is geen Evangelieverkondiging.
Er zal nooit zo'n rare tijd kunnen komen dat God zich niet meer verstaanbaar zou kunnen maken. Mensen kunnen geen dieren meer worden. Ook geen duivelen. De eeuwigheid ligt in hun hart gedoken. Zij zijn geschapen naar Gods beeld.
De kerk is het middel waardoor God spreekt. Deze roeping is in onze tijd geweldig. Iemand heeft gezegd: De wereld wacht op mensen die tussen dood en duivel doorgaan. Daarop wachten alle vraagstukken. Ook het sociale en het politieke.
Wij zijn een ring en kring in de kerk. Onze verantwoordelijkheid is heel groot.