O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Psalm 23 : 4 en 5LarenPsalm 31 : 20 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 216–217

Psalm 30 :6a

Want een ogenblik is er in zijn toorn, maar een leven in zijn goedgunstigheid.

Psalm 30 :6a

De dichter heeft ondervinding van God. Hij spreekt uit levenservaring. Wonderlijk is dat, dat een mens van God ondervinding kan hebben. En toch kunnen we zeggen, dat dit juist het menselijke in hem is: ervaring van God te hebben. Er is ellende genoeg in de wereld, ellende genoeg in het leven. Maar daartussenin kan de ervaring van God gemaakt worden. Dat maakt het leven tot leven.

De dichter zegt er hier iets van, welke ervaring hij van God heeft. Een ogenblik is er in zijn toorn, maar een leven in zijn goedgunstigheid. De gedachte komt telkens in de bijbel voor: Ik, de Here, uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en vierde lid dergenen, die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden (Ex. 20 : 5 v.). Er is geen gelijkheid tussen Gods straffende en zegenende gerechtigheid. De genade is veel meer overvloedig. Een ogenblik is er in zijn toorn, maar een leven in zijn goedgunstigheid. Het geheel staat in het licht, ook als er donkere ogenblikken, donkere plekken zijn.

Van het leven op zichzelf kan men dit niet zomaar zeggen. Het geldt van de gelovige, van degene, die ervaring van God heeft. En die ervaring ligt niet op 't zelfde vlak als de andere levenservaring. Men kan niet zeggen dat de christen levenservaring krijgt, en zo meteen van God. Eer het omgekeerde. De ervaring kan bitter maken, en maakt vaak bitter. Het leven stelt teleur. Dan wordt er niet gejubeld: Een leven in zijn goedgunstigheid. Hoe meer iemand de wereld leert kennen, hoe meer de ontzetting kan toenemen. Hadt ge dat wel gedacht? Dat alles, wat ze u leert kennen? Mensen.

En de bijbel keert dat niet om. Het is een boek van zonde en ellende. Psalmen, profeten, geschiedenis. En het Evangelie. Het Evangelie laat de ellende zien als nergens elders. Maar het is geen toevallige geschiedenis. Het is het licht, dat erop valt. Met een periode van malaise in Israëls geschiedenis - veel zieken in die tijd, veel oorlogen, veel moorden: statistiek - met statistiek komen we er niet. De komst van Jezus laat de ellende zien. De Rechter is gekomen; tegelijk de Helper. De ellende wordt openbaar, wordt opgezocht. De ellendigen komen, de onboetvaardigen tonen zich. Dankbaarheid en ondankbaarheid, duisternis en licht, vijandschap en liefde. Zo wordt het ogenblik openbaar, het ogenblik in zijn toorn. Anders merkt men het niet.

Een mens went aan alles, heel gauw. Aan vrede, aan oorlog, aan mobilisatie, aan devaluatie. Hij denkt bij alles spoedig: Dat hoort zo. Hij neemt de kleur aan van z'n omgeving, om in 't leven te blijven. De rechte kijk op de dingen geeft alleen de Godservaring, de kritiek van boven, de geloofsgerechtigheid. Dan staat ineens de wereld in 't licht. Wij zien de dingen, zoals ze zijn. Wij beleven geschiedenis, ogenblikken in zijn toorn. Wij zien het meetsnoer uit de hemel geworpen, het schrift aan de muur: Mene, mene, tekel, ufarsin (Dan. 5 : 25).

Zo ook in 't persoonlijk leven. In 't leven willen blijven is geen leven. Dat zien wij bij Jezus; ook bij de heiden Socrates. De aanpassing brengt geen leven. Zij werkt de dood. De ogenblikken in Gods toorn, die geschiedenis. Weer onderscheid maken: licht en duisternis, dat maakt leven.

De andere zijde is een leven in zijn goedertierenheid. Het komt erop aan om van God ervaring te hebben. Niet van de dingen zoals ze zijn. Men kan veel levenservaring hebben, en toch een dwaas zijn. De dwaas zegt pochend: Er is geen God (Ps. 14: 1; 53: 2). Het Evangelie moet schijnen op de wereld. Het is het zuurdeeg, het maakt gisting. Het baat niet of we zeggen: Er zijn veel zieken, veel oorlogen, veel enzovoort. We moeten er ervaren de ogenblikken in Gods toorn. Er waren vele melaatsen in Israël, ten tijde van Elisa. Alleen Naäman werd gereinigd (2 Kon. 5). Vele weduwen tijdens Elia; de weduwe van Sarfath (1 Kon. 17). Tien melaatsen, één keert terug (Lk. 17 : 12-19). De gelovige heeft er wat aan. Hij ziet het ogenblik, het ogenblik in Gods toorn. Maar dan ook een leven in Gods goedertierenheid, een heel leven. De andere zijde. Hij past zich niet aan. Hij gaat in hoger beroep bij God. Hij krijgt de dingen te zien, zoals ze nu zijn, zoals ze eeuwig zijn.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Psalm 23 : 4 en 5LarenPsalm 31 : 20 →