Psalm 23 : 4 en 5
Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vrezen; want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij. Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie; mijn beker is overvloeiende.
Psalm 23 : 4 en 5
Het zijn zachte, vriendelijke tonen, die ons uit deze Psalm tegemoet komen. Wat is dat rustig en vredig en stil. Welk een vertrouwen spreekt eruit, welk een overgave des harten. Wanneer het gemoed zo gesteld is, hoeveel goeds valt er dan op te merken.
Dat goede is er ook werkelijk. Het geloof maakt zich niets wijs. Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, zegt de dichter. Welnu, de tafel staat er, de avondmaalstafel. Het is geen gewone tafel. Het is een tafel die God heeft toegericht. Jezus zelf heeft het Avondmaal ingesteld. Doe dat tot mijn gedachtenis, zei Hij (Lk. 22: 19). Toen is de Psalm nog meer waar geworden dan hij was, toen hij voor 't eerst gezongen werd. En zo zal het voortgaan. Morgen is hij weer meer waar dan vandaag. Want Gods Woord wordt hoe langer hoe meer werkelijkheid. Tot de vervulling. Soms lijkt het dat het Woord Gods maar een klank is en de werkelijkheid geheel anders. Dat is eigenlijk altijd zo. Dan horen wij dat woord van de Psalm: Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht. En zie, wij hebben geen eigen tafel meer, wij zitten aan andermans tafel. Is de Psalm dan tot een leugen geworden? Is Gods Woord niet waar? Ja, het is wel waar. De tafel Gods is werkelijker dan onze eigen. Hij staat van geslacht tot geslacht. Tot de wederkomst van Christus toe. Tot gij de wijn nieuw zult drinken in het Koninkrijk (Mt. 26: 29). Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen alle de dagen mijns levens en ik zal in het huis des Heren blijven in lengte van dagen (Ps. 23: 6). Daar staat de tafel Gods weer.
Al ging ik ook door een dal der schaduwe des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij. Dat is de Herder, die voor de weide zorgt. De Heer, die de tafel toericht. Ons geloof is nog geen aanschouwen. Als dat komt, houdt het geloof op. Nu is het nog geen zien; het is geloof. Bovendien is dat geloof vaak zo zwak. Wij gaan door een dal der schaduwe des doods. De dood dreigt aan alle kanten op allerlei manier. En hij doet meer dan dreigen. Rondom ons, midden onder ons knakt de steel van het leven.
Maar in dat duister flikkert Gods licht. Dan zien wij zijn tafel toegericht, de grazige weide voor de ziel. Telkens zie ik dat om mij heen, hier en daar. Zo verschijnt ons in ons leven Gods tafel. Ik zei daarstraks, dat het Nieuwe Testament de waarheid is van deze Psalm, in het Heilig Avondmaal. Maar zo is het Heilig Avondmaal ook weer een belofte. Het is een spiegel waar wij in kijken. De werkelijke tafel staat hoger. Daar houdt de ziel Avondmaal met haar Heer.
God geeft ons het hemelse brood, Jezus Christus (vgl. Joh. 6 : 32 v.). Zijn verbroken lichaam en vergoten bloed. Hij is de goede Herder zelf, die zijn leven zet voor de schapen (Joh. 10 : 11). In het dal der schaduwe des doods gaat Hij voorop.
Wij denken vaak dat wat ons overkomt uitzondering is op de regel des levens, maar het is de regel zelf. Het is de kruisweg, de levensweg, de smalle weg, de weg der vergeving, der opstanding, des eeuwigen levens. Zonder graf geen opstanding. Zonder kruis geen licht. Zonder berouw geen vergeving. Zonder wedergeboorte geen zien van het Koninkrijk. Gebroken moet het brood, als wij het zullen eten. Het is als bij de korrel, die gemalen wordt. Zo ook het brood der ziel.