Psalm 139 : 23 en 24
Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij en ken mijn gedachten; en zie of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op de eeuwige weg.
Psalm 139 : 23 en 24
Des mensen gedachten te kennen, hem te beproeven, is geen gemakkelijke taak. Tegenover anderen. Maar als ge uzelf zet tot onderzoek, dan merkt ge 't ook.
Een jaar is voorbijgegaan en ge ziet terug. Wat is uw leven geweest; welke uw gedachten? Wat was uw leven? Het is moeilijk de rekening op te maken. Doorgrond mij, o God! Dat is een bede, die wij hedenavond kunnen overnemen.
Wanneer God ons hart wil onderzoeken, dan zullen wij misschien van ons leven iets te weten komen. God kent dat wonder, dat leven heet en dat nog meer verborgene, dat mensenleven heet. Het leven van de eenling zo alleen, zo verlaten vaak. Het leven van de hele zwerm zo verward, zo dreigend. In onze tijd worden we wel sterk bij het geheel bepaald. De mensheid.
Doorgrond en ken ons, o God! Waar leidt de weg heen? Wat ontwikkelt zich voor mentaliteit? Hoe zal de gesteldheid des harten zijn? De gedachte van het geheel? We bedenken dat in de kerk. Daar waar de naam Jezus genoemd wordt. Het christelijk bewustzijn. Wij vragen onder wiens hoede ons levensscheepje zal varen. Zal Jezus de goede Herder niet zijn? We denken natuurlijk aan de kerk in Rusland! Is het mogelijk dat een stuk van de christenheid afvalt? Kan het geloof tenietgedaan worden? De dood zal tenietgedaan worden. Kan het geloof ook tenietgedaan worden? De hope des eeuwigen levens?
1932-1933, en dan verder? Men kan zich de twee mogelijkheden indenken: de mens op zichzelf gesteld, en: Jezus Christus het hoofd der mensheid. Dat beide mogelijkheden scherper uitkomen, is niet te ontkennen. Na de oorlog, schreef iemand, was goed en kwaad meer duidelijk uit elkaar getreden. Dat is misschien waar. De bijbel laat ons ook niet zien een geleidelijke verdwijning van zonde en ongeloof, maar een crisis, een steeds scherper tegenover elkaar stelling. Wanneer geloof en ongeloof meer uiteentreden, betekent dat niet, dat het geloof tenietgedaan zal worden. De hope des eeuwigen levens. Wel dat de vraag wie overwinnen zal, naar voren komt. Dat zijn niet twee mensengroepen. 't Zijn twee machten: geloof en ongeloof. Hangen aan God en hangen aan de dood.
Wat zal de mensheid doen? Dat is niet uit te rekenen. 't Is een zaak van geloof.
Wie iets van God kent met z'n hart, kan niet aarzelen. Wij bidden liever: Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart; maar zo, dat het een gelovig hart is, omdat God het kent. Als we gekend worden, dan zullen we iets van God kennen.
Wanneer we de mensheid in 't oog vatten, dan blijft toch het persoonlijke. Het is ook mogelijk om onder het algemene het persoonlijke over't hoofd te zien. God wil onze Vader zijn en wij zijn z'n kinderen. En we moeten ook één voor één door het leven. De eigen weg is niet verborgen. Jezus zegt dat de haren onzes hoofds alle geteld zijn (Mt. 10 : 30). Dat zal er moeten blijven.
Zie of er bij mij een schadelijke weg is, en leid mij op de eeuwige weg. Oudjaarsavond is een uur van inkeer. Doorgronden onderstelt een grond, een innerlijk, een achtergrond. Is er zoiets in uw leven? Kunt ge inkeren tot uzelf? Of zijt ge nooit thuis? Inkeer tot zichzelf is niet voldoende. Wat vindt ge dan? Zonde, onrust, onvrede. Dat helpt niet veel. God moet maar eens kijken. Wij kunnen 't niet vinden. We kunnen 't nergens vinden.
Zie of bij mij een schadelijke weg is, en leid mij op de eeuwige weg. 1932 was op zichzelf geen eeuwige weg. 't Was kort, dat jaar. 't Was zo voorbij. Maar zo is 't niet bedoeld. Schadelijke en eeuwige weg staan hier tegenover elkaar. 't Eeuwige is 't goede, het heil, dat God brengt. Wat is schadelijk en wat goed? God weet het. Maar hier is 't een gewetensvraag. En dan de bede: Leid mij op de eeuwige weg. Dat is de weg van Jezus Christus. De kruisweg. Dat is de eeuwige weg.
Schuldbelijdenis. Vergeving. 1932-1933. Zo blijft het. Dat is de eeuwige weg. Het ritme van het christelijk leven. De hele weg ligt voor God. Bezoekingen. Rampen. Sterfgevallen. Dankzegging. Vertrouwen.