O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Psalm 139 : 23 en 24LarenJesaja 2 : 4 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 232–234

Jesaja 2 : 1 en 2

Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem. En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des Heren zal vastgesteld zijn op de top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot dezelve zullen alle heidenen toevloeien.

Jesaja 2 : 1 en 2

De berg van het huis des Heren is de berg Sion, waarop David de tempel wilde bouwen, die Salomo gebouwd heeft. Het is geen bijzonder hoge berg. Ook Psalm 68 spreekt van de berg Basan, de bultige, steile, hoge berg, die opspringt (Ps. 68: 16 v.) en op Sion neerziet. Men zou deze aardheuvel gemakkelijk kunnen verachten, maar God heeft hem verkoren. De heiligheid van de Sinaï is op de Sion overgegaan. Gods wagens zijn daar tweemaal tienduizend, de duizenden verdubbeld: de Here is onder hen, een Sinaï in heiligheid (Ps. 68 : 18). Maar dat zijn onzichtbare wagens, zoals die uit het Koningenboek: En Elisa bad en zei: Here, open toch zijn ogen dat hij zie! En de Here opende de ogen des jongens dat hij zag: en zie, de berg was vol vurige wagens en paarden rondom Elisa (2 Kon. 6: 17). Zo zag men Jeruzalem net als eens de berg Sinaï omringd met bliksemstralen. Maar zoals in Hizkia's en Jesaja's dagen waren de Assyriërs om Jeruzalem en riepen over de muur in het Joods, zodat ieder het verstaan kon, hun spotwoorden.

Ze vergeleken de koning te Jeruzalem met een broedende vogel op z'n nest.

De profeet weet wel dat er veel hogere bergen zijn dan de Sion en veel machtiger koningen dan die van Juda. Het is alles wat klein en nederig. Dat is de oudtestamentische geschiedenis, de psalmen, de koningen. Het is alles klein vergeleken bij de omgeving. Even David en Salomo als een profetie. Die worden dan ook vastgehouden. Maar verder blijft alles klein.

De profeet ziet echter dat in het laatste der dagen de berg des Heren zal vastgesteld worden op de top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen. Het is een visioen. De profeet Ezechiël zag het ook: In de gezichten Gods bracht Hij mij in het land Israëls, en Hij zette mij op een zeer hoge berg en aan dezelve was als een gebouw ener stad tegen het zuiden (Ez. 40: 2). Zacharia: Dit ganse land zal rondom als een vlak veld gemaakt worden, van Gibea tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in haar plaats (Zach. 14 : 10).

Het is een merkwaardige verwachting, dat die kleine berg in dat kleine land hoog zal worden en dat alle heidenen daarheen zullen trekken om te aanbidden. Deze Israëlitische verwachting is niet uit mensengedachten te verklaren. 't Is Godsopenbaring aan Israël. 't Zijn profetengedachten, die de verborgen raad en wet verkondigen. Ze geven ons te weten wat in 't hart der werkelijkheid voor geheimen schuilen. Ze bevatten troost voor de gelovigen en een waarschuwing voor de trotsen van hart. Jesaja dreigt aan 't eind van dit hoofdstuk dat de dag des Heren zal zijn tegen alle hovaardige en hoge, en tegen alle verhevene, opdat hij vernederd worde; en tegen alle hoge en verheven cederen van Libanon, en tegen alle eiken van Basan; en tegen alle hoge bergen en tegen alle verheven heuvelen (Jes. 2 : 12 vv.).

Er is eigenlijk maar één, die in deze profetie past en dat is Jezus Christus, die de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had voor de wereld was, afgelegd heeft. Die zichzelve vernietigd heeft en de gestaltenis van een dienstknecht heeft aangenomen (Fil. 2: 7). Er is maar één weg. waarin God gaat en onze eeuwige redding is, dat wij in die wegen van God komen te gaan, waarin de dwaas niet dwalen kan (vgl. Jes. 35 : 8).

Wij voor ons vermijden gaarne de laagten des levens. Wij hebben ook niet de macht, om de dingen die gering zijn, zulk een betekenis te geven, dat ze het uitzicht openen over de hele wereld. Wij kunnen het kindeke Jezus niet zulk een macht geven, dat alle knie zich voor Hem moet buigen (Fil. 2: 10). Wij kunnen van de gekruisigde geen koning maken, en van z'n stal geen hemel. Het is God, waarmee we hier te doen hebben. En als ge God hebt, hebt ge de almacht en de liefde allebei in uw hand.

Ge kunt u op twee manieren veilig voelen. De eerste is, dat ge een stevige grond onder de voeten hebt en een hoog punt in het leven kiest waar alles onder u is, maar dan zonder het profetisch Woord. De kale, naakte realiteit, waar niets meer uit verwacht wordt dan wat het is. Uw lichaam zonder de opstanding. Uw deugd zonder de verzoening. Uw God zonder het kruis. Ge kunt ook anders staan. Zonder grond onder de voet: in 't geloof. Zonder zekerheid in uw leven: in de belofte. Vlak voor de dood, met God en z'n Woord. Ge kunt kiezen: de berg Basan, de bultige berg, trots en hoog, boven alles uit, maar met God tegen u, tegen alle hoge bergen en alle verheven heuvels. En ge kunt staan op Golgotha, de hoofdschedelplaats, maar met God voor u, wie zal dan tegen u zijn (Rom. 8: 3l)?

't Is een wonder ding om te leven, een mensenleven. Wanneer 't u van tevoren gevraagd werd, zoudt ge zeggen: Dat durf ik niet. Als een paard over een gladde brug, of voor een donkere streep bij avond zoudt ge weigeren eroverheen te gaan. Nu zijt ge in het leven. Leeft ge werkelijk? Weet ge iets van de verborgen raad en wil van God omtrent uw zaligheid? Wat is anders uw leven? Een ijdel spel met de omstandigheden. Een neerkijken op wat beneden u is.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Psalm 139 : 23 en 24LarenJesaja 2 : 4 →