O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Jesaja 2 : 1 en 2LarenJesaja 33 : 17a →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 234–236

Jesaja 2 : 4

En Hij zal richten onder de heidenen, en bestraffen vele volkeren; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen: het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.

Jesaja 2 : 4

Tweede Advent - vredeszondag. Midden in de oorlog. Kleine volkeren. Wereldrijken.

Onze gedachten volgden de regels van de tekst. Het is bijna drieduizend jaar geleden. Wij volgen gretig de woorden, en ze klinken nog even begeerlijk als toen. Het is nog een profetie; nog geen vervulling. De wereld is veel veranderd, maar zij is toch nog wereld. In Jesaja's dagen waren er grote wereldrijken: Babel, Assur, Egypte; daartussenin kleine volkeren: Syrië, Israël, Juda. Tussen hamer en aambeeld kwamen zij in de druk. Het jaar 722; het jaar 701. Toen werd dit geweldige woord gesproken.

Hoe komt iemand, zo vraagt ge, op zulke gedachten, in zulk een tijd? En toen waren er nog geen vredesconferenties geweest. Het zijn ook geen woorden van mensen, maar woorden van God. Bij Hem is één dag als duizend jaren, en duizend jaren als één dag (2 Petr. 3: 8). Zijn Woord blijft tot in eeuwigheid. Zoals het toen klonk, klinkt het nog. En wij kunnen dat Woord niet ontlopen. God zal richten onder de heidenen, en bestraffen vele volkeren; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden en hun spiesen tot sikkelen: het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren.

Welk een vroege gedachten, denkt gij, drieduizend jaar geleden. Hoe komt de profeet eraan? Dacht men toen al aan vredesbeweging? En het wonderlijke is, dat deze tekst op twee plaatsen in de bijbel staat: ook in Micha 4: 3. Evenals de twee dromen van Farao (vgl. Gen. 41 : 32). Alsof God zeggen wil: Het zal zeker gebeuren.

God zal richten onder de heidenen, en bestraffen vele volkeren. Bij Hem zijn de volkeren geacht als een druppel van een emmer, en als een stofje van de weegschaal (Jes. 40 : 15). Alle volken zijn als niets voor Hem, en zij worden bij Hem minder geacht dan niet en ijdelheid (Jes. 40 : 17). Dat staat in een ander hoofdstuk van dezelfde profetieën. Zo is God en zo zijn de volkeren. Dat was drieduizend jaar geleden zo, en dat is nog zo. God kan wel richten onder de heidenen en bestraffen de volkeren. Hij heeft er de macht toe. Wij zijn niet helemaal overgeleverd. Wij zijn in de hand van God. Voor drieduizend jaar was dat zo; het is nog zo.

En hoe zal het nu zijn over drieduizend jaar? Het is wel eens goed zich die vraag te stellen. Wij zijn zulke kort levende schepselen; wij overzien zo'n korte spanne tijds. Volgens Psalm 90 is het nu drie dagen geleden dat Jesaja deze woorden sprak (vgl. Ps. 90 : 4). Hoe zal het over drie dagen, dat is over drieduizend jaar, zijn? Hij zal richten onder de heidenen, en bestraffen vele volkeren; en zij zullen hun zwaarden slaan tot spaden, en hun spiesen tot sikkelen: en het ene volk zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen en zij zullen geen oorlog meer leren. Wanneer zal dat zijn: over drie eeuwen, over drieduizend jaar, over drie dagen? Dat is bij God hetzelfde. Hij zal richten onder de heidenen, en bestraffen vele volkeren.

Wij zijn niet afgescheiden van verleden en toekomst. Wij leven, bewegen ons en zijn in God (Hand. 17 : 28); in de eeuwigheid. Wij zijn niet afgesneden van alle hoop en verwachting. Rondom ons is de goede God, de Schepper van hemel en aarde, de Vader van onze Heer Jezus Christus, de Zender van de Heilige Geest.

Voor drieduizend jaren, dat is voor drie dagen Gods, heeft de profeet gezegd dat zij de zwaarden tot spaden zullen slaan, en de spiesen tot sikkelen. Het ene volk zal tegen het andere geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leren. Het was zevenhonderd jaar voor Christus' geboorte. Toen is het 'vrede op aarde' gezongen. En nu, na tweeduizendjaar, schijnt het er verder van af dan ooit. Vrede te midden van de zonde zal er ook nooit komen. Ik ben niet gekomen om vrede te brengen op aarde, maar het zwaard (Mt. 10 : 34). Dat staat er ook. Nu, bijna tweeduizend jaar later, merken wij dat dit er ook staat. Wat moet er van ons worden tussen die twee Godswoorden in: de zwaarden tot spaden, de spiesen tot sikkelen, geen oorlog meer leren, en: niet gekomen om vrede te brengen op de aarde, maar het zwaard. Daartussenin zit ons hart en leven gekneld. Dat is erger dan de knel tussen twee grootmachten. Het is God, die ons bezet van achter en van voren (Ps. 139 : 5). En wij kunnen niet ontwijken.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Jesaja 2 : 1 en 2LarenJesaja 33 : 17a →