O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Mattheüs 17 : 24-27LarenMattheüs 26 : 14-16 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 264–265

Mattheüs 26 : 1-5

De lijdensweken. De woorden die Jezus geëindigd had, hadden betrekking op de wederkomst van Christus en de scheiding. Daarop hebben ook betrekking de gelijkenissen van de wijze en dwaze maagden en die van de talenten (Mt. 25 : 1-30). Als Jezus duidelijk gezegd heeft dat Hij als een bruidegom, een reizende heer, een rechter zal wederkomen, dan begint Hij zijn discipelen voor te bereiden op zijn lijden.

De Heer weet dat wie de kroon wil ontvangen, het kruis zal moeten opnemen. Vreemde tegenstelling; geheimenis. Langs deze weg had niemand het gedaan of gedacht. Jezus echter zag de weg duidelijk voor zich. Hij zegt het zijn jongeren vooraf. Wanneer het dan straks begint en de overpriesters en schriftgeleerden raad gaan houden, dan blijkt dat de dingen in de hemel gemaakt worden. Daaraan merken wij dat het een Evangelie is, dat ons gepredikt wordt. In het Evangelie komen de dingen uit de hemel naar ons toe. Jezus is uit de hemel neergedaald op aarde. Het hele Evangelie zijn hemelse dingen op aarde geschied.

Nu gebeurt het ook op de aarde. De overpriesters en schriftgeleerden en de ouderlingen des volks vergaderden in de zaal des hogepriesters en beraadslaagden tezamen dat zij Jezus met listigheid vangen en doden zouden (vs. 3 v.). Dit gebeurt tegen de tijd van Pasen. En daarmee begint de lijdensgeschiedenis.

Pasen was een godsdienstig feest. Het betekende de herdenking van de uittocht uit Egypte. En midden op dit feest heeft de lijdensgeschiedenis plaats. Terwijl de kerk haar hoogste getijde beleeft, gaat daar dwars doorheen het overgeleverd worden van de Zoon des mensen om gekruisigd te worden. Israël dacht aan de verlossing van zijn eerstgeborenen in de paasnacht. En nu gaat hetzelfde volk de eerstgeborene des Vaders overgeven in de smartelijke dood. Pasen betekende de verlossing uit de slavernij. En op dat feest wordt de Verlosser gedood.

Wonderlijk doorkruist het gebeuren de vaste vormen, waarachter wij ons hebben opgesteld. Het leek of het alles op verre afstand stond, zodat men er een feest van kon maken. En nu is het zo vlak bij, dat het feest tot een droeve geschiedenis wordt.

Wij bekleden ons leven soms met een pantser van stichtelijkheid. Wij schuilen daarin weg. Maar God weet ons met zijn werkelijkheid wel te vinden. En midden in het leven staan wij naakt in onze zonden voor Hem. Op deze plaats is Jezus gaan staan. Hij deed het geheel vrijwillig. Hij zei het vooraf tegen zijn jongeren. Jezus is geheel anders op het feest gegaan dan de anderen. Hij heeft midden in de werkelijkheid de dingen des Vaders volbracht en zo heeft Hij zijn volk verlost. Nu kan ieder Hem daar vinden, die Hem nodig heeft. En wij hebben Hem nodig en zullen Hem nodig hebben in de werkelijkheid van dit leven. Dat Jezus zo Pasen heeft gevierd, maakt dat Hij ons kan redden van de zonde en de dood.

Wij mogen ons niet onttrekken aan het kruis, waardoor wij met Hem gemeenschap hebben. Alleen daardoor wordt dit feest ook voor ons werkelijkheid.

De Farizeeën en schriftgeleerden willen Jezus niet op het feest gevangen nemen en doden. Niet onder de schare (vs. 5). Maar terzijde. Jezus heeft die weg niet gekozen.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Mattheüs 17 : 24-27LarenMattheüs 26 : 14-16 →