O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Mattheüs 13 : 44LarenMattheüs 26 : 1-5 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 262–264

Mattheüs 17 : 24-27

Er is een zekere tegenstrijdigheid in, een kind van God te wezen en in deze wereld te verkeren. Die twee dingen zijn nooit geheel met elkaar overeen te brengen. Een kind van God, dat is: vrij te zijn van de vloek der wet (Gal. 3 : 13). Alle beschuldigingen afgewezen. Alle bedreigingen weg. Te mogen bidden: Onze Vader, die in de hemelen zijt. Niet bezorgd behoeven te zijn. Uw Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft (Mt. 6: 32). De Geest van God te ontvangen, evenals het brood of het ei (Lk. 11 : 11 v.). Dat is in dit leven de talenten te besteden, en straks als getrouwe dienstknecht macht over veel meer te krijgen (vgl. Mt. 25 : 14-30). Dat is straks van de engelen gedragen te zullen worden in Abrahams schoot (vgl. Lk. 16 : 22).

En dit kind van God wordt midden in de wereld neergezet. In een wereld, waarin men zich dagelijks schuldig maakt. Waarin het gewassen kleed bezoedeld wordt. Waarin de dood van alle kanten dreigt uit alle windstreken en uit de lucht. Waarin iemand zich elke dag op z'n nachtleger uitstrekt, als om zich te oefenen voor z'n liggen op het sterfbed. De slaap is de broeder van de dood. Een wereld, waarin hij vaak aan z'n lot schijnt overgelaten. Waarin hij zorgen moet van de morgen tot de avond. Waarin de geest schijnt te ontbreken en alles eer een Babel dan een Jeruzalem te zijn. Waarin al z'n moeite niet beloond maar verloren schijnt. En waarin hij met vrezen en beven moet verkeren.

Deze gesteldheid der dingen is het wezen van het christen-zijn. De Christus der evangeliën laat ons het origineel zien, waarvan ons leven een kopie is. Jezus is de Zoon Gods. Hij is op aarde gekomen, omdat het Koninkrijk der hemelen nabij gekomen is. Hij is de Zoon van nature, in wie God een welbehagen heeft (Mt. 3 : 17). Der vaderen wens. Davids Zoon. De vervulling der profetie. De Messias der wereld. De Heer van engelen en mensen, gekomen om de werken des duivels te verbreken (1 Joh. 3 : 8), en alle dingen weer op te richten (vgl. Hand. 3 : 21). En nu komt Jezus in de moeite. Geboren in een stal. Gedoopt met tollenaren. Zwervende van stad tot stad. Niet geloofd of aangenomen.

En nu komen de mensen. Uw meester, betaalt Hij de didrachmen niet (vs. 24)? Het is de tempelbelasting, die voor Pasen geïnd werd. Jezus moet ook betalen. Hij is toch een Israëliet? Hij moet deze wereld en deze bedeling mee in stand houden. Alles gaat toch z'n gang in deze wereld? Jezus is toch ook een Jood? Hij moet toch ook aan de voortduur der dingen meehelpen? Petrus zegt dat Jezus het doet.

Als Petrus thuiskomt, bestraft Jezus hem niet, maar Hij wijst toch op het wonderlijke (vs. 25 v.). Hij is de Zoon in het huis des Vaders, en zij zijn om Hem kinderen van de Vader. Moeten zij schatting betalen? Horen zij in deze wereld van instandhouding thuis? Het is toch alles om Hem en voor Hem. Zeldzame verhouding.

Dan moet Petrus de angel uitwerpen, en hij zal een stater in de bek van de eerste vis vinden. Geef die voor u en Mij (vs. 27). Hier is de koninklijke houding. De vrijheid in de gebondenheid.

Christen-zijn is een groot en geweldig ding. 't Is horen bij Jezus, die al het betrekkelijke tenietdoet. De rechtvaardiging. De unio mystica. De verheerlijking. Dat zijn de staten des levens, die beantwoorden aan de staten van Jezus. Geleden, gekruisigd, volbracht, ook opgestaan...

Maar daartussen. In dit leven. Leven is leven. Geen sprong in de eeuwigheid. De draad wordt gerekt. Voor ons ondenkbaar. Evenals egel en haas. Maar 't gebeurt toch. Uit dit leven kunt ge niet uitspringen. Jezus wordt ook gedoopt, Hij betaalt schatting, Hij sterft straks. Toch is Hij de Zoon. Hij wordt verheerlijkt op de berg. Hij laat een stater uit de zee ophalen. Hij blijft de Zoon.

Zo is het Evangelie. Wij geloven in Hem. Doen we het? Of trekken we Hem naar ons toe in onze dood, in ons verderf? Geloven is een machtig ding. Petrus doet het. Hij werpt de angel uit, en heeft de stater. 't Is één van die heerlijkheidstrekken in 't Evangelie. Niet na te doen, dan als Isaäk en Abraham. Wat wilt ge? Ga zo door 't leven.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Mattheüs 13 : 44LarenMattheüs 26 : 1-5 →