Mattheüs 13 : 44
Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een schat in de akker verborgen, welke een mens gevonden hebbende, verborg die, en van blijdschap over dezelve gaat hij henen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt die akker.
Mattheüs 13 : 44
Een gelijkenis is... Dit is dan wel een echte gelijkenis. Zij is kort en uit het dagelijks leven. Wel kan men zeggen: Niet zo heel dagelijks, maar het kwam toch voor, en het zou nog voor kunnen komen. In elk geval gaat het daarbij heel dagelijks toe.
Een schat is in een stuk land verborgen; gouden of zilveren munten, die men in de grond verborgen had in vroegere, onrustige tijden, en die daar ongeweten wachtten op de schatgraver, wie weet hoe lang. Dan komt op een zekere dag een mens, een man, een dagloner, zijn dagelijkse taak vervullen. Gij merkt, het is een alledaagse geschiedenis. Een dagloner, die op zekere dag zijn dagelijks werk komt doen voor zijn dagelijks brood. Hij buigt zich over zijn dagtaak. Waaraan denkt hij? Niet aan de schat! Die ligt daar ongeweten.
Denkt de schat ook aan hem? Vreemde vraag! Dat kan toch niet? En toch - een schat wil gedolven worden. Denkt gij dat hij 't prettig vindt, daar jaar in, jaar uit te liggen? Bloemen kunnen ook niet denken en kennen en praten. En toch - nu ze niet kunnen opmerken en praten, willen zij blijkbaar opgemerkt worden. Waarom maken ze zich anders zo mooi? Dat is geen aardigheid van mij. 't Is een diepe gedachte van de kerkvader Augustinus.
De dagloner dacht niet aan de schat. Eerder dacht de schat op zijn manier, door daar jaar in, jaar uit te liggen, aan de dagloner. Hij wilde gevonden worden. ⚑Dichter en dichter komt deze mens bij de schat. Nu is er nog maar een schrede tussen hem en de verborgen rijkdom. Nog is hij arm en de rijkdom ligt verborgen, slechts een schrede van hem af.
Hij is er, al lang - ongeweten, ongekend. Wat is het Zijn een wondere macht! Het is er, ook al weten wij het niet. Het wacht, ook als wij niet hopen. Het blijft, ook wanneer wij weggaan. Welk een sprake gaat er uit van de stilte van het Zijn.
De bijbel zegt daarom ook: Wie tot God komt, moet geloven dat Hij is en een beloner is dergenen die Hem zoeken (Hebr. 11 : 6). De volle macht van het Zijn is in God. Hij is er, eer de bergen geboren waren, en Hij de aarde en de wereld uit niets had voortgebracht, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid was God al God (Ps. 90 : 2). Hij was, toen niemand van ons Hem kende. Hij is, ook als wij Hem vergeten. Hij blijft, ook als wij Hem verlaten. Hij wacht dat wij Hem vinden. Zijn Zijn is machtiger dan al ons weten en kennen. Hij is als de schat in de akker. Een schrede van ons af, ook wanneer wij niets van Hem weten.
De dagloner was nog maar een schrede van de schat af en geen gedachte was er in hem, dat hij zo nabij was. Dan komt het beslissende ogenblik. Hij stoot met zijn spade op de schat. De schat heeft zich aan de dagloner geopenbaard. Hij ligt daar niet meer ongeweten. Hij wordt gekend en men heeft hem lief. De dagloner begeert hem te bezitten. Hij heeft geen rust meer, tot hij rust vindt in zijn schat. Wonderlijk ogenblik, die ontmoeting tussen de dagloner en de schat; het moment der eerste liefde.
Hoe is het mogelijk dat hij daar eeuwen kon liggen en dan op een punt des tijds gevonden, gekend, bemind worden? Hoe kon die tijd uit de eeuwigheid ontspringen? Wat deed hij en waaraan dacht hij, voor hij gevonden werd? Hoe was het mogelijk, dat hij plotseling wakker werd en geweten werd? Waarom niet eerder? Waarom niet later? Waarom moest de dagloner hem juist toen ontdekken? Hoe kan iemand zo lang zwijgen en dan spreken gaan? Waarom doet hij niets anders dan Zijn, om zich dan te openbaren? Waarom is de eeuwigheid zo lang, waarom de tijd zo kort? En hoe is het mogelijk dat de tijd toch een beurt krijgt? Wat deed God voor de schepping? Waarom is Jezus juist toen gekomen, in de volheid des tijds, niet vroeger, niet later?
De dagloner stoot met de spade op de schat, niet toen het hem goeddacht, maar toen het de schat goeddacht. Toen het God goeddacht, zo zegt onze geloofsbelijdenis, toen heeft Hij de wereld geschapen. Toen het aangename jaar des Heren was aangebroken (Lk. 4 : 19), toen heeft Hij zijn Zoon gezonden in het vlees; opdat Hij, de Verborgene, die is en die was en die wezen zal (vgl. Op. 1 : 4), wiens Naam is: Ik zal zijn, die Ik zijn zal (Ex. 3 : 14), die was van eeuwigheid tot eeuwigheid, -Jezus kwam toen in dat aangename jaar - opdat Hij, die was van eeuwigheid tot eeuwigheid, ook gekend en bemind zou worden.
De eeuwigheid kreeg een uitgang in de tijd. Een schrede tussen de dagloner en de schat. Een schrede tussen ons en de dood. Een schrede tussen ons en God, de Eeuwige, de Onbekende, de Ongewetene. En dan: de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid (1 Tim. 3 : 16).
De laatste schrede is gedaan. De Verborgene wordt geopenbaard. Die van alles de schuld krijgt, wordt gerechtvaardigd. De Onzichtbare wordt gezien, de Ongewetene gepredikt. Het stille Zijn wordt geloofd. Die alles draagt, wordt verhoogd uit de aarde.
Hoe wonder is die ontmoeting, die laatste schrede. Livingstone en Stanley. Maar dit is veel meer. De schat en de dagloner. God en mens. Die laatste schrede. Toch gevonden.
Welke een mens gevonden hebbende, verborg die, en van blijdschap over dezelve gaat hij henen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt die akker.
Wonder na wonder, die laatste schrede, dat vinden van de schat, dat ogenblik, dat het Zijn een kennen wordt, dat de stille eeuwigheid luide prediking wordt, dat de stille drager verhoogd en verheerlijkt wordt.
Hij verborg die. Dat deed de dagloner. Wat dan? Waarom? Is de schat al niet lang genoeg verborgen geweest; moet hij nog weer bedolven worden? Een ander geheimenis. Waarom mag Petrus niet zeggen dat Jezus de Christus was? Waarom verbood Jezus zijn discipelen daarover te spreken (Mt. 16: 20)? Waarom maakte Hij een geheim van zijn Messiasschap? De verborgenheid der godzaligheid is groot.
De dagloner wil dat de schat zijn eigen zal zijn. Hij wil hem bezitten. Hij heeft hem lief. Mijn Heer en mijn God, roept Thomas (Joh. 20: 28). God, daar hoort mijn bij; Onze Vader, die in de hemelen zijt. Ook als wij bidden: Uw Naam worde geheiligd, toch eerst: Onze Vader.
De schat zal van hem zijn. Daarom verbergt hij hem. God schenkt zijn eeuwigheid weg aan de tijd. Zijn geweldig Zijn geeft Hij in Christus om geloofd te worden. De verborgenheid der godzaligheid is groot.
Dan komt de grote blijdschap. Hij gaat heen en verkoopt alles wat hij heeft, en koopt die akker. Hij had iets - veel of weinig, 't is 't zelfde. Bij de schat valt het weg. Hij ontdekt 't: hij had niets. Hij heeft nu gevonden. Hij verkoopt wat hij had. Hij koopt die akker, om de schat te hebben.