Markus 15 : 16-21
Wanneer wij de Twaalf artikelen nagaan, dan worden daar van Jezus enige dingen gezegd: Ik geloof in Jezus Christus, onze Heer, die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria. En dan zouden wij het leven van Jezus verwachten. Welnu, dit staat ervan: Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle. Meer staat er van Jezus' leven aan deze zijde van de opstanding niet. Geleden, gekruisigd, gestorven, begraven, nedergedaald ter helle. Waar is hier dat alles wat iemand meestal in het leven zoekt? Waar is het aardse goed, het schone, het geluk? Het staat er in de Twaalf artikelen niet bij.
Jezus is geboren, zoals wij allen, maar in zijn leven heeft het lijden zo'n grote plaats ingenomen, dat het alleen in onze geloofsbelijdenis is opgenomen. Hij heeft de ganse tijd zijns levens, maar inzonderheid aan het kruis geleden, zegt onze catechismus. En dat is de Christus, die ons gepredikt wordt. Christus en die gekruist, zegt Paulus (1 Kor. 2 : 2); geen andere. En toch is dit het Evangelie, de blijde boodschap.
Hoe mag dat toch zijn? De prediking van het lijden een blijde boodschap voor ons? Meestal is het een reden van droefheid, als wij horen dat een ander lijdt. Hoe kan de prediking van Jezus' lijden een blijde boodschap voor ons zijn?
"Als ik dit wonder vatten wil ⚑staat mijn verstand vol eerbied stil."
Het is toch zo. Ook dit verhaal van purperen mantel en doornenkroon is een Evangelie, een stuk van een blijde boodschap. Dat mogen wij vooruit wel bedenken als wij ons daarin gaan verdiepen.
Barabbas is losgelaten en Jezus is overgegeven om gegeseld te worden en om gekruist te worden, zo lezen wij in 't vorige vers (Mk. 15 : 15). Wanneer het Evangelie lijden is en het lijden Evangelie, dan moet in dit zware lijden een grote troost liggen.
Zie die krijgsknechten, die Jezus gaan bespotten in de zaal. Deze zaal is een deel van het rechthuis, van het pretorium. Jezus' lijden en lot wekt hun medelijden niet op, maar hun spotlust. Het is niet de haat van overpriesters en schriftgeleerden, niet het verraad van een Judas, of de verloochening van een Petrus. Neen, weer anders is dit lijden van Jezus. Het is de lust om een ander te zien lijden. Een wonderlijke trek in het mensenhart: lust te hebben in het lijden van anderen. Wat schuilt er niet alles in het mensenhart? Wij zien het hier: de bende rondom Jezus vergaderd. Hoe meer Jezus lijdt, hoe groter lust het is voor hen. Wie is de mens toch, dat hij behagen kan hebben in het lijden van een onschuldige? Zegt ge: Dat is niet zo, dan heeft de lijder zelf schuld, - zie het dan hier bij Jezus, de geheel onschuldige.
Deze vreselijke trek in het mensenleven zien wij hier voor ons. Wat in het dierenrijk slechts even zichtbaar wordt in het spelen van het roofdier met zijn prooi, dat is onder mensen soms tot een volgroeide geestesgesteldheid geworden. Sadisme noemen wij het. Deze gesteldheid heeft zich aan onze Heer uitgewoed in het rechthuis. Welk genoegen, welke lust kan het voor deze krijgsknechten zijn, Jezus zo te zien lijden, zij die toch geen reden hebben Hem te haten, te verraden of te verloochenen? Daarop kan niemand een antwoord geven.
Toont ook deze satanische trek in het mensenhart nog een verre schaduw van het Evangelie? Predikt hij ons het Evangelie, deze gemene zonde in het verhaal van Jezus' passie? Wil het zeggen, dat het lijden noodzakelijk is? Dat de Christus lijden moet? Is het het verwrongen tegenbeeld van wat de gemeente gelooft, dat lijden Evangelie is en Evangelie lijden?
Zo staan ook deze krijgsknechten, deze sadisten, tegen wil en dank, als helpers der kerk in het Evangelie. God schikt, zegt onze Nederlandse geloofsbelijdenis, zijn werk zo wèl, ook wanneer de duivelen en goddelozen onrechtvaardig handelen. Die goddeloosheid wordt opgenomen in zijn raad en werk. Nooit zou het lied gezongen zijn:
"Is dat, is dat uw Koning ⚑dat aller vaadren wens, ⚑is dat, is dat zijn kroning?
Zie en aanschouw de mens."
Het zou nooit gezongen zijn, als deze krijgsknechten Jezus niet hadden bespot. Hun geheel verwrongen lust is een schaduw van de boodschap van engelen en mensen, profeten en apostelen: dat de Christus lijden moest. Dit lijden is de troost van het zondaarshart geworden; en op hoeveel sterfbedden is Jezus' lijden de laatste en klaarste lichtstraal geworden?
Wat doen die soldaten daar? Zij doen Jezus een purperen mantel aan en een doornenkroon gevlochten hebbende zetten Hem die op (vs. 17). De purperen mantel is de koningsmantel, de kroon is zijn hoofddeksel. Hier wordt alles verwrongen. Maar de doornenkroon blijft een kroon, de mantel een koningsmantel. Straks staat het boven het kruis: de Koning der Joden (Mk. 15 : 26). Gods koninkrijk komt niet met uiterlijk gelaat (Lk. 17 : 20). Wat het sadisme der krijgsknechten heeft uitgedacht, krijgt vorm en zin en betekenis in Gods koninkrijk. Het wordt Evangelie voor de kerk, troost en blijdschap voor de gelovige. Rondom die purperen mantel en die doornenkroon beweegt zich niet alleen een deel van de meest ontroerende muziek van Bach, die diepste toon van het kerklied, maar ook van de dankbare overpeinzing der gelovigen. Hoevele ogen van zondige mensenkinderen, wie de angst der hel alle troost deed missen, hebben aan die scherpe doornen, in Jezus' hoofd gedrukt, hun eeuwige Koning en hun Heer herkend.
Nu komen de krijgsknechten en beginnen Hem te groeten, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden, en sloegen zijn hoofd met een rietstok en bespuwden Hem, en vallende op hun knieën aanbaden Hem (vs. 18 v.). Onze gedachten gaan terug naar de Wijzen uit het oosten, waarvan staat: En nedervallende hebben zij het kindeke aangebeden (Mt. 2: 11). En zij gaan vooruit naar het boek der Openbaring, de aanbidding van het Lam, waar de vierentwintig ouderlingen nedervielen en het Lam aanbaden (Op. 5 : 8). En hier staat het nu ook, dat de krijgsknechten nedervallende Jezus aanbaden. Het is een verwrongen stukje van het mensenleven en mensenhart, een stuk van het lijden van Christus.
Maar, zegt onze geloofsbelijdenis, God beschikt toch zo wèl en rechtvaardig zijn werk, al handelen de duivelen en goddelozen onrechtvaardig. Ook deze krijgsknechten vallen neder en aanbidden Jezus. De aanbidding van de krijgsknechten staat in 't midden tussen die van de Wijzen en de vierentwintig ouderlingen. 't Is een spot-aanbidding. Zij willen Jezus daardoor doen lijden. Toch staan ze in het Evangelie, in de prediking, in het kerklied, in de vrome aandacht der gemeente. Het lijden wordt gepredikt en wordt tot Evangelie.
Dan doen zij Jezus de mantel weer af, en deden Hem zijn eigen klederen aan en leidden Hem henen om gekruisigd te worden (vs. 20). En dan komt Simon van Cyrene en draagt Jezus' kruis (vs. 21). Wat Simon Petrus had moeten doen, doet deze onbekende Simon.
Dit lijden van Jezus wordt ons gepredikt met de krijgsknechten erbij, met Simon van Cyrene erbij. Allen zijn zij opgenomen in Gods raadsplan; en uit dit lijden straalt ons toe het goddelijke licht des Evangelies. Want dit sadisme en deze verwrongen lust woeden zich uit aan God zelf, aan Jezus Christus, Gods gezalfde, aan de Zone Gods. Deze satanische zonden, deze pijlen van de boze stoten af op Gods eeuwige raad, zijn oneindige liefde.