O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Mattheüs 27 : 27-31LarenMarkus 14: 1-9 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 269–271

Markus 1 : 9-11

En het geschiedde in diezelfde dagen dat Jezus kwam van Nazareth, gelegen in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan. En terstond als Hij uit het water opklom, zag Hij de hemelen opengaan, en de Geest gelijk een duif op Hem neerdalen. En daar geschiedde een stem uit de hemelen: Gij zijt mijn geliefde Zoon, in dewelke Ik mijn welbehagen heb!

Markus 1 : 9-11

De Doop pleegt bij ons op de geboorte te volgen. Hij hoort erbij. Men mag niet in een zondige wereld binnenkomen zonder gewassen te worden. Wij brengen onze zonden mee. En zo wordt Jezus ook gedoopt, en gij vindt dat misschien gewoon? Wij hebben pas zijn geboorte herdacht.

Maar zo is het toch niet. Bij Jezus' geboorte past de besnijdenis. De Doop is iets anders. Jezus' Doop is de handeling waarmee Hij zijn publieke leven begint; nog niet zijn openlijk optreden. Johannes is nog werkzaam. Maar wel komt Jezus hier in 't openbaar, onder de schare. Hij mengt zich in de grote volksbeweging rondom Johannes de Doper. Onder degenen die vragen: 'Wat zullen wij doen?' is ook Hij (Lk. 3 : 10, 12, 14). Een verlegenheidsvraag in deze zondige wereld maakt Hij ook tot de zijne. Het grote touw van zonde en dood wordt gedraaid. En Jezus springt in met de mensen. Dit is het eerste, maar het hoort al bij het laatste: Het is volbracht (Joh. 19 : 30).

Wat zal ik doen? Die vraag beweegt Hem nu. Wat een verschil met een tollenaar: niet meer nemen dan... (Lk. 3 : 13); een soldaat: vergenoegen met bezoldiging (Lk. 3 : 14). Hij zal alle zonden op zich doen aanlopen. Dat zal Hij doen. Hier zien we het grote onderscheid tussen Johannes en Jezus. Johannes zegt wat ze doen moeten. Hij is de boetprediker. Jezus hoort de verlegenheidsvraag. En Hij wordt de Heiland der wereld. Hij vraagt: Wat zal Ik doen? En Hij stelt zich niet naast Johannes, niet boven hem, maar beneden Johannes, naast de schare. Hij wil gedoopt worden tot bekering. Hij wil zijn plaats innemen in het Koninkrijk.

En het geschiedde in die dagen dat Jezus kwam van Nazareth, gelegen in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.

En terstond als Hij uit het water opklom, zag Hij de hemelen opengaan, en de Geest gelijk een duif op Hem neerdalen. De doop van Jezus heeft plaats gehad. Er is iets op aarde geschied, wat nog nooit heeft plaats gehad. Het hulpeloze werken van mensen, hun verlegen vragen: 'Wat zal ik doen?' brengt niet verder. Het voert van... tot verlegenheid en van verlegenheid in nieuw... Gij komt ook nooit verder. Er voert geen weg naar de hemel als gij er niet in gezet wordt. Ook uw bekering blijft het werk van een brekebeen. Dat is hier te zien.

Jezus neemt zijn werk op. Hij geeft een afdoend antwoord op de vraag. Nu gaan de hemelen open en de Geest komt als een duif op Hem neerdalen. Dat is de hemel. Die gaat open. En de Geest daalt neer. Het leven hier beneden is geen leven zonder de Geest van boven. En die komt als het rechte antwoord gevonden is op de vraag: Wat zullen wij doen? Wat zal dat zijn, de Geest ontvangen? Leven? Een hand die werkt; een voet die loopt; een mond die spreekt; een aangezicht dat straalt; een hart dat liefheeft. Wat is het als dat alles dat niet doet? Dan is het zonder de Geest. Zonder de zalving des Geestes. Is die er, dan is ze

"als de zalf op 's Hogepriesters hoofd, de zalf, waarmee hij is aan God gewijd, die door haar reuk het hart verblijdt."

Hier is de Hogepriester, die gezalfd wordt met de Heilige Geest, en Hij zal u dopen met de Heilige Geest.

Wij zien het hier, hoe de hemelen geopend moeten worden, als de Heilige Geest ontvangen wordt. En wij zien, hoe de Heilige Geest ontvangen wordt, als het rechte antwoord gegeven wordt op de vraag: Wat zullen wij doen? Ziet gij nu het onderscheid tussen de voorloper en Hem, die na hem komt? Hier begint het Evangelie. 't Staat erboven in vers 1: Het begin des Evangelies van Jezus Christus, de Zoon Gods.

Wat zullen wij nu doen? De vraag blijft staan? Zullen wij haar voortzetten? Op eigen gelegenheid? Er is niets meer te doen. Het is geschied. Het geschiedde in die dagen. Zullen wij dan de zaak op dezelfde voet voortzetten? Alsof er niets geschied was? Als de mensen later vragen: 'Wat moet ik doen?' zegt Paulus: Geloof in de Here Jezus Christus (Hand. 16: 31). Het is een Evangelie. Geloof is een antwoord op de vraag: Wat zullen wij doen? Dan ontvangt gij de Heilige Geest.

En daar geschiedde een stem uit de hemelen: Gij zijt mijn geliefde Zoon, in dewelke Ik mijn welbehagen heb. Alweer: En daar geschiedde. Nu is het de Vader die spreekt uit de hemelen. Gij zijt mijn geliefde Zoon, in dewelke Ik mijn welbehagen heb. De Vader gelooft in de Zoon. Hij belijdt Hem op aarde. Hij komt voor Hem uit uit de hemel. De Schepper van hemel en aarde komt voor Jezus uit. Hij spreekt: Ik ben de Schepper en Gij zijt mijn geliefde Zoon. Allen mogen het horen. Dit is het begin van het Evangelie. Durft gij de belijdenis herhalen? De Schepper van hemel en aarde is voorgegaan.

Wie is de Schepper? Die de hemel en de aarde geschapen heeft. Maar heeft Hij ze wel goed geschapen? Vanwaar de zonde dan? De dood? Het kwaad? De rampen? De oorlogen? De armoede? De misdaad? Kunt ge ermee klaarkomen? De Schepper is de Vader van onze Heer Jezus Christus, wiens stem geschiedde, toen Hij bij de Doop naast u ging staan, om alle gerechtigheid te vervullen (Mt. 3 : 15). Hij is in de wereld gekomen, omdat alle mensen zo verlegen zijn. Omdat ze vragen: Wat zullen wij doen? Omdat er zonde is, dood, kwaad, rampen, oorlog, armoede, misdaad. Hebt ge erop tegen dat Hij gekomen is, om er middenin te gaan staan? Dat kunt ge toch niet. Welnu, dat is de Schepper van hemel en aarde, die dan zijn mond opendoet en zegt: Gij zijt mijn geliefde Zoon. Hebt ge nu nog op de Schepper tegen? Zoudt ge Jezus ook niet belijden?

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Mattheüs 27 : 27-31LarenMarkus 14: 1-9 →