Lukas 9 : 23
En Hij zeide tot allen: Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochend zichzelve, en neme zijn kruis dagelijks op en volge Mij.
Lukas 9 : 23
De lijdensweken hebben onze aandacht sterk gevestigd op het kruis van Christus. Wij hebben gezien hoe Jezus gezalfd wordt, tot een voorbereiding van zijn begrafenis. Hoe Hij verraden wordt. Hoe Hij het gedachtenismaal van zijn dood instelt. Hoe angstig Hij is in Gethsemané. Hoe Hij ter dood veroordeeld wordt. Hoe men Hem aan het kruis wil hebben. 't Laatst hebben wij Hem gezien tussen twee moordenaars aan het kruis.
Dat is onze Heer, het Hoofd van de gemeente, ook van onze gemeente. Eén is uw Meester, gij zijt allen broeders (Mt. 23 : 8). Deze Heer, deze Meester moeten wij belijden voor de mensen. Aan Hem moeten wij ons leven wijden, aan de gekruisigde Heiland. Wij moeten discipelen zijn van die Meester, dienstknechten van die Heer, lidmaten van dat Hoofd. Dat is de zin van het christelijk leven: achter Hem komen. Daaraan gewent ons vlees en bloed zich niet zo gemakkelijk. Een mens wil zijn leven graag behouden, niet verliezen. Maar als hij dat wil, verliest hij het (Lk. 9 : 24). Leven is niet zo'n eenvoudig ding. Alleen stervende kan men leven. Alleen verliezende, behouden. De schrik voor het kruis zit er wel bij ons in. Maar als iemand achter Jezus wil komen, zijn discipel zijn, die moet zijn kruis op zich nemen.
Toen Jezus' discipelen voor 't eerst van 't kruis hoorden, schrokken zij er ook van. Petrus deed het woord en zei: Heer, dat zal U geenszins geschieden (Mt. 16 : 22). Even tevoren had hij Jezus beleden; hij zei: Wij geloven dat Gij de Christus zijt (Joh. 6 : 69). Maar toen hij van 't kruis hoorde, zei hij: Dat niet. Jezus bestrafte hem, zei: Ga weg achter Mij, Satanas (Mt. 16 : 23). Het was Jezus' scherpste woord uit 't hele Evangelie. Het kruis is de hoofdzaak.
Dan zegt Jezus wat later: Wie achter Mij wil komen, dat is: wie mijn discipel wil zijn, die verloochend zichzelve en neme zijn kruis dagelijks op en volge Mij. Jezus zegt het nu tot allen, ook tot ons, hoe wij achter Hem moeten komen.
In deze tijd van het jaar komt er door de overdenking van Jezus' lijdensgang afstand; ook als we achter Jezus willen gaan. De discipelen zien we achterblijven; ook Petrus. Gethsemané, Golgotha, dat is zulk een ziele- en lichaamslijden, dat wij wel heel zachtjes mogen spreken van onze zelfverloochening en het opnemen van ons kruis. En toch moet er verband zijn. Zonder verborgen eenheid met Christus kan er geen geloof zijn. Zoiets als de wijnstok en de ranken (Joh. 15 : 5).
Juist in deze tijd van het jaar ook maakt een schare jonge mensen zich op, Jezus openlijk te belijden voor de mensen. Ook nu zijn ze in ons midden. Dat wil zeggen: al weten wij wel dat onze zelfverloochening gering is en ons kruis weinig te betekenen heeft bij dat van Christus, wij willen toch achter Hem komen, wij willen toch met Hem één zijn. Dat is de betekenis van de belijdenis. Dat is dus in de eerste plaats een belijdenis van afhankelijkheid. Niet uw zelfverloochening, uw kruisdragen staat voorop. Gij belijdt Jezus Christus, zijn kruis, zijn opstanding. Gij kent Hem uit de evangeliën. Gij kent zijn lijdenstaferelen, zijn kruiswoorden, zijn verschijningen. Gij weet dat zijn lijden plaatsbekledend is, voor u, voor mij. Dat Hij dat spotkleed, dat riet, die doornenkroon voor ons heeft gedragen. Bij die Jezus wilt ge u houden. Gij wilt ook met de gemeente zijn dood gedenken aan het Heilig Avondmaal. Gij wilt daartoe belijdenis doen, openlijk, van uw geloof.
Dit belijden is een venster in uw leven. Wat is uw leven, en waaruit bestaat het? Leven, dat kan zijn: eten, drinken, kleding. Jezus zegt: Al deze dingen zoeken de heidenen (Mt. 6 : 32). Er zijn nog meer dingen in het leven. De ijdelheid dezer wereld, de begeerlijkheid der ogen, de grootsheid des levens (1 Joh. 2 : 16), genot, eer: dat heet ook leven. Maar dat houdt de ziel gevangen.
"'t Oog omhoog, het hart naar boven!
Hier beneden is het niet:
't ware leven, lieven, loven ⚑is maar, daar men Jezus ziet."
Er is een venster in uw leven, doordat ge lid zijt van een christelijke gemeente. Gij ziet Hem staan, met de doornenkroon, de mantel, het riet, zijn kruis. Dat raakt gij niet kwijt. Als gij Hem verloochent, kijkt Hij u aan: door dat venster.
Nu wilt gij Hem belijden, zeggen dat gij naar Hem wilt blijven zien, in Hem geloven, op Hem hopen, Hem liefhebben. Gij wilt uw leven zien in verband met zijn werk, uw kruis in verband met zijn kruis. Dat is de christelijke belijdenis. Christelijk leven kent de ernst van het kruis. Wat is het leven zonderde ernst en de inkeer? Zonder schuldbesef, schuldbelijden? Zonder wedergeboorte en bekering? Zonder rechtvaardiging en heiliging? Dat komt alles van Christus, van zijn kruis. Zonder die ernst moogt gij niet zijn, wilt gij niet zijn: dat is het zout in het leven.
Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochend zichzelve, en neme zijn kruis dagelijks op en volge Mij. Wanneer wij Jezus Christus belijden, dan moeten wij ons aan deze woorden van Jezus houden. Worden de rollen nu omgekeerd? Eerst Hij, nu gij? Omkeren kan niet. Hij is de Plaatsbekleder. Wederkerigheid is er niet. Wat Hij leed, kunt gij niet lijden; wat Hij deed, niet doen.
En toch zegt Jezus: Gij moet 't ook doen. Verloochen uzelf en neem uw kruis op, en volg Mij. Anders kunt gij niet achter Mij komen, mijn discipel niet zijn. Is dat niet te zwaar? Maar het is het enige. Men kan ook opzettelijk licht over de dingen heen lopen. Maar dat opzettelijke is merkbaar. Opzettelijk de ernst van zich afzetten, zoals zo vaak voorkomt, is ontbinding, is zienderogen sterven.
Laat Christus' kruis spiegelen in uw leven. Neem zijn juk op u, dat zacht is, en zijn last, die licht is (Mt. 11 : 29 v.). Dan zult ge leven. Het kruis is er toch wel, maar alleen als kruis van Christus is het te dragen. Wat is anders het levenskruis, de levenslast? De wereld, het ongeloof.
De zonde afleggen, alle last afleggen. 't Ander stelt teleur. Mijn zoon, mijn dochter, geef mij uw hart (Spr. 23 : 26). Blijf bij uw geloof. Verloochen Jezus niet.