Lukas 24 : 21
En wij hoopten dat Hij was degene, die Israël verlossen zou; doch ook benevens dit alles is het heden de derde dag van dat deze dingen geschied zijn.
Lukas 24 : 21
Onze tekstwoorden komen voor in het bekende verhaal van de Emmaüsgangers, dat alleen Lukas heeft. Twee van Jezus' vrienden zijn op weg naar Emmaüs, een plaats op enige afstand van Jeruzalem. Het zijn geen van de discipelen, want de één heet Kleopas, en na hun terugkeer vinden zij de elve. Maar wie het ook waren, het waren vrienden van Jezus, die vurig hadden gehoopt, dat Hij Israël verlossen zou.
Zij hadden gehoopt dat Hij degene was, van wie Psalm 2 zingt: Ik toch heb mijn Koning gezalfd over Sion, de berg mijner heiligheid (Ps. 2 : 6). Zij hadden gedacht dat op Hem van toepassing zou zijn, wat in Psalm 72 staat: Hij zal de ellendigen des volks richten, Hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en de verdrukker verbrijzelen (Ps. 72 : 4).
Wij hoopten - wat een wereld, die wereld van de hoop. Er zijn allerlei werelden: die des geloofs, die der liefde, maar hier die der hoop. Welk een spanning kan er in deze wereld bestaan. Veertig eeuwen van tevoren was het beloofd. En al die eeuwen door was de hoop daarop gevestigd. Geslacht op geslacht had daaruit moed geput om staande te blijven. Al de tekenen die op de vervulling wezen, waren vlijtig opgemerkt en bijeenvergaderd. En door de Heilige Geest hadden de profeten gesproken en gezegd hoe de verlossing wezen zou.
Maar de vervulling werd uitgesteld van eeuw tot eeuw. Het ene geslacht na het andere ging heen, zonder het gezien te hebben. De vaderen vertelden het aan de kinderen en deze weer aan de kleinkinderen. Maar niemand kreeg het einde te zien. En intussen kwamen moeilijke tijden: verdrukking, benauwdheid, oorlog, ballingschap.
En de hoop bleef en leefde voort van geslacht tot geslacht. Onuitroeibaar, altijd weer ontvlamd aan het Woord en de belofte; zoals het vuur het hout aansteekt. En geen last, geen moeite was zo zwaar, dat die de hoop kon uitdoven. Soms werd de vlam heel klein. Maar altijd laaide zij weer op.
Welk een merkwaardige wereld, die van de hoop. In 't midden tussen het geloof en de liefde (vgl. 1 Kor. 13 : 13). Zonder die beide zou de hoop niet kunnen standhouden; niet zonder het geloof dat God zijn woord houdt, en niet zonder de liefde, die verlangt naar de ontmoeting met God.
En nu is dan eindelijk de verwachting op 't hoogst gespannen. De hoop scheen vervuld te zullen worden. De verdrukking werkt lijdzaamheid, de lijdzaamheid bevinding, de bevinding hoop (Rom. 5 : 3 v.). En zo groeide de hoop met de verdrukking. En God, die getrouw is, ging zijn belofte vervullen. Want de hoop komt niet uit de mens, maar uit God. Het is de schaduw van de vervulling. De hoop is niet ijdel, maar is op God betrokken. De hoop groeit, omdat de vervulling nabij komt.
Wij hoopten dat Hij was degene, die Israël verlossen zou. Hier schijnt alles dan voorbij te zijn. En toch is de hoop reeds vervuld. Jezus is opgestaan. Maar voor deze twee vrienden is nu al de derde dag bezig te verstrijken, nadat er een einde kwam aan de hoop. Bij God echter was de vervulling al drie dagen bezig te geschieden. Laat ons vasthouden aan dit troostrijk Evangelie. De Emmaüsgangers rekenden de dagen na Jezus' graflegging als een aftrek op hun hoop. Bij God waren zij de tijd, waarin de vervulling werd voorbereid.
De verhinderingen, die zich tegen de hoop opstapelen, zijn geweldig vele. Het moet een sterke plant zijn, die onder die druk doorbreekt. In ons teksthoofdstuk schijnt alles samen te spannen om de verwachting der discipelen teniet te doen: de kruisiging, de dood, de begrafenis, de steen op het graf, de wacht bij de steen. Dood en hel hebben samengezworen om de hoop te vernietigen. En zij schijnen daarin te zijn geslaagd. Drie dagen lang hebben zij het rijk alleen. Alles is om hen heen stil geworden en geen stem verheft zich tegen hun geweld. De Heer ligt in het graf en is ter helle nedergedaald.
Als de hoop nu alleen een gevoelen was in het hart van mensen, dan zou zij zeker zijn uitgeblust. Wij zien dan ook bij de Emmaüsgangers, hoe de vlam dooft. En op de avond van de derde dag is zij bijna verdwenen. Zij spreken ervan als van een verleden tijd: Wij hoopten dat Hij was degene, die Israël verlossen zou. Geen wonder dat deze machten de hoop in hun hart neerslaan.
Maar de hoop is in God verankerd. Dood en hel kunnen Hem niet verslaan. Hij werkt in de drie dagen van de graflegging "het heil, dat d'aard' in 't rond verheugt". Wanneer Christus niet door zijn macht en regering uitkomst brengt, was de hoop krachteloos. De overzijde van de hoop doet het. Drie negatieve dagen, drie positieve dagen. De aanwijzingen, de profetieën zijn verborgen. God maakt het openbaar.