Lukas 24 : 34
De Here is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien!
Lukas 24 : 34
Wij ontlenen onze tekstwoorden aan de bijbelse geschiedenis. Het is tussen Pasen en Pinksteren en als wij kerk houden, blijven wij in het kerkelijk jaar. Wij gaan niet over in het burgerlijk jaar, in de politieke geschiedenis. Wij spreken over Jezus Christus, die is opgestaan uit de doden, en die zijn Heilige Geest uitstorten zal over alle vlees. En wat er ook geschiedt met de koninkrijken dezer wereld, het Koninkrijk der hemelen blijft het grote onderwerp van de prediking, ook op deze morgen.
De laatste hoofdstukken van de evangeliën betekenen het omslaan van het blad. Dan lezen wij niet verder, maar het blad wordt omgeslagen. Hier beneden kunnen wij de troost niet vinden, die onze zonden en onze wonden nodig maken. Het blad moet omgeslagen. Wij kunnen niet zeggen van de koninkrijken dezer wereld, dat het ene aardser is, en het andere hemelser. Wij kunnen niet zeggen: de Duitse duivels zijn weg, en nu zijn de engelen gekomen. Onze tekst kunnen wij niet aan de politieke geschiedenis ontlenen. Die ontlenen wij aan het Evangelie. Dat is een belofte van God voor arme en ellendige mensen.
Van Pasen tot Pinksteren, dat is de tijd van de verschijningen van Jezus aan zijn discipelen. In deze aardse en verlaten werkelijkheid tussen de discipelen verscheen Jezus, die geleden heeft, gekruisigd was, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle. Hij verscheen als Overwinnaar, als de Opgestane. Voor Hem was het blad omgeslagen. Vernedering - verhoging. Door zijn kruisdood was het blad der geschiedenis omgekeerd, en die door zonde en dood overwonnen waren, waren nu vrije kinderen Gods.
Het Evangelie is het omgeslagen blad. Wat God op de achterkant van het dagboek van uw leven schrijft, dat zoudt gij toch willen weten. Wat God daar schrijft, dat is het Evangelie. Wanneer het Evangelie heel duidelijk wordt, dan wordt het een verschijning.
Gemeente, sedert wij op Goede Vrijdag voor 't laatst in de kerk bijeenkwamen om het Heilig Avondmaal te vieren, is er heel wat gebeurd. De paasweek 1945 staat voorgoed opgetekend in de herinnering van de mensen te Laren. Op donderdag 5 april, in de namiddaguren, kwam de lang gehoopte bevrijding. Bijna vijf jaar van 10 mei 1940 af, had de bange droom geduurd, die zich tenslotte, onder het ronken van de V-1, verzwaarde tot een nachtmerrie. Toen wij die namiddag, de één vroeger, de ander wat later, uit de kelders kropen, konden wij ons nauwelijks realiseren: het is voorbij; het blad is omgeslagen. Het leek op het Evangelie. Wij dankten God, dat Hij ons deze verlossing gegeven heeft.
In de donkerste maanden van 1940/'41 hadden wij nauwelijks durven geloven een nieuwe dageraad van ons nationale leven te zullen aanschouwen. Wij verheugen ons daarom zeer. En wij danken God, diep bewogen, voor de loslating van gevangenen, terugkeer van afwezigen.
Maar wij doen het met beven. Allereerst om de nood in 't westen van het land. Een nood die de onze zo verre overtreft. Wat daarvan door onwraakbare berichten, die ik pas voor enkele dagen nog van Amsterdamse predikanten zelf ontving en die dateren van eind maart, bekend werd, overtreft verre het ergste wat in onze geschiedenis ooit werd opgetekend. De bijzonderheden wil ik u niet noemen. Gij kent ze. Onze blijdschap werd daardoor in de eerste plaats getemperd. "Het schrikk'lijk pleit van dwang en vrijheid houdt nog aan."
Een tweede reden. Wie zich na de bevrijding uit zijn schuilhoek waagde en het dorp in ogenschouw nam, kreeg een beeld van de verwoesting te aanschouwen. Wat wij vaak gelezen hadden, kregen wij nu zelf te zien en te ondervinden. Sommige dingen leerden wij door ondervinding kennen: beschieting, plundering. Wij weten nu, althans de kom van het dorp, wat het betekent, als de dood niet met de zeis, maar met een moker gewapend hamerde rondom op het huis, waar wij zijn weggeschuild in de benedenste delen der aarde, nedergedaald ter helle. En de branden; velen van de hier aanwezigen zagen hun huis en goed in de vlammen opgaan en missen het allernodigste.
Het begon op zaterdag voor Pasen met de beschietingen uit de vliegtuigen. ⚑Mijn vrouw en ik ontsnapten in de vroege middaguren, toen het begon, ternauwernood aan de dood. Tegen de avond volgden enige explosies, in de nacht van maandag op dinsdag gevolgd door het opblazen van de pastorie, die het dorp op z'n grondvesten deed trillen. Geen ander huis is zó met de grond gelijkgemaakt. De kerk werd daarbij zeer geteisterd. Het huis des Heren werd dakloos.
Kerk en herberg. Zondag op Laren. Vroeger waren de herbergen vaak voller dan de kerk. Nu allen in de herberg. Maar het blad is omgekeerd. Nu klinkt het Evangelie in de herberg. Het is een profetie. Jezus zal Koning zijn.
In 't midden van de week kwamen de granaten. Nu weten wij wat het betekent als het oorlogsfront over ons heen gaat. Bij gelijkenis is de dood over u heen gegaan. 'De gruwel der verwoesting' noemt de bijbel het (Mk. 13 : 14). Het aardse huis dezes tabernakels afgebroken, zegt Paulus (2 Kor. 5 : 1). Onze doden zijn gelukkig weinige: één ingezetene, één gast. Wij gedenken hunner in stilte.
Wat zullen wij met deze levenservaringen? Wij weten het zelf nog niet. Het is zo geweldig. De verwarring is zo groot. De nood klom zo hoog. Pas langzamerhand kan de uitwerking blijken.
Een paar vragen. Waarom deze oorlog? Opdat er plaats voor de barmhartigheid zou blijven. Het klinkt vreemd bij al dit geweld. En toch ging het daarom. Zuiver stond de vraag niet, maar toch ging het daarom. Held of lijder. De wereld voor het sterke of ook voor het zwakke. Om het Evangelie van Jezus Christus. Zalig zijn de barmhartigen, want hun zal barmhartigheid geschieden (Mt. 5 : 7). Door al het geweld, door al het verlies moet dat ons voor ogen blijven staan. De prijs voor de vrijheid was hoog. Maar een leven zonder barmhartigheid, - wanneer dat de grondslag ware geworden voor de toekomst, wat zou dat geworden zijn? Daarvoor is de hele wereld in beweging gekomen.
Gij zoudt het anders gewild hebben. Maar het blijft een verborgenheid, als Pasen in het Evangelie. Jezus moet ons verschijnen, door de donkerheden heen.
De discipelen hadden zich de komst van Christus' koninkrijk anders voorgesteld. Dat is de vorm van het geloof. Waarom nu op deze wijze? Gij weet dat het blad des levens eens zal worden omgekeerd. Wilt gij aan de omkering deel hebben? Door heerlijkheid ingaan in lijden? Of door lijden in heerlijkheid?
Jezus' verschijning. De Heer is waarlijk opgestaan. Waarom op deze wijze? De vraag van de zaligheid wordt vaak als een zielsaangelegenheid afgedaan.
Zonde en genade. Dat is de Farizeeër en de tollenaar (Lk. 189-14). Er is ook een andere gelijkenis: de rijke man en de arme Lazarus (Lk. 16: 19-31). De genade gaat door tot ons hele bestaan. Wij willen wel genade, maar als zielsaangelegenheid. Geestelijke bedelaars. Niet voor het hele bestaan. Geen Lazarussen. Wij willen als rijke man het blad laten omslaan. God heeft dat nu een beetje veranderd, veler leven een beetje verschoven in de richting van de bedelaar. Nu kan het blad omgeslagen. ⚑De Here is waarlijk opgestaan, en Hij is van Simon gezien! De Heer was hem verschenen. Zijn verdere leven was daardoor gestempeld. Zo waren er ook anderen. Gemeente, velen onzer hebben kleine groepen gevormd in kelders in de laatste oorlogsdagen; kleine gemeentes, die samen de dood in 't gezicht moesten zien, zoals de discipelen van Jezus. Toen werd op 5 april het blad omgeslagen. De vrijheid kwam. Voor velen was het nog niet de echte bevrijding; nog geen Evangelie. De kelderdeur ging open om de verwoesting te zien. Dat was merkbaar aan de stemming. Elders was het anders.