Lukas 14 : 15-24
Gelijkenissen. Dit is de gelijkenis van de uitnodigingen tot de grote maaltijd, die God aanricht in zijn Koninkrijk. Dat wil zeggen dat het Gods vaste besluit is, dat de harten of de zielen der mensen brood zullen hebben. God zal zich niet laten tegenhouden door de onwil, door de ongeestelijkheid der mensen. De zielen zullen brood eten in Gods koninkrijk. Zij zullen weten wat het zeggen wil: bij God te gast te wezen. Niet alleen de jonge spreeuw, de jonge raaf zal haar spijze hebben op tijd (vgl. Job 39 : 3), maar veelmeer het mensenhart. Wanneer de één niet wil, dan zal de ander komen, maar vol zal de maaltijd worden van aanzittende gasten.
Onze tekstwoorden beginnen met de mededeling, dat Jezus zelf ergens te gast was. Het is opmerkelijk hoe vaak dat voorkomt in de evangeliën. Heel anders dan de strenge boetprediker en asceet Johannes de Doper, die een haren kleed droeg en sprinkhanen en wilde honig at (Mk. 1 : 6). Het was zelfs een grief, die men tegen Jezus inbracht, zijn zitten aan maaltijden bij vrienden: vraat en wijnzuiper (Mt. 11 : 19). Voor Jezus is het een gelegenheid om geestelijke gemeenschap te oefenen. En tevens een symbolische handeling, waarachter de hemelse spijziging der zielen, de eeuwige zaligheid verborgen is. Nog altijd viert de gemeente de gemeenschap met Jezus in het Heilig Avondmaal.
Een van de gasten die meeëten, heeft daar een vermoeden van. Hij zegt ineens: Zalig is hij, die brood eet in het koninkrijk Gods (vs. 15). En dan verkondigt Jezus het Evangelie van het grote Avondmaal, de hemelse spijziging der zielen, die God zal doorvoeren, tegen de onwil en de lauwheid van de harten in. Hij zal zorgen dat er harten zijn, die niet buiten de zalige gemeenschap kunnen met God, met alle heiligen. Zij zullen met Hem avondmaal, feestmaal houden in het koninkrijk Gods. God zal hun harten geven, wat ze toekomt. Zij zullen weten wat zaligheid is.
Het is overigens een vreemde geschiedenis met een mensenhart. Wil het niet zalig wezen? Wil het niet dat God Koning is over de wereld? Wil het niet hebben, wat het toekomt? Wil het stenen hebben voor brood? (God als inbreker, als een bemoeial.)
Jezus tekent ons dat in de gelijkenis. Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, een feestelijk diner, en hij noodde er velen (vs. 16). God is royaal. Alles is van Hem. Een groot avondmaal met vele gasten. Wie zal kunnen beschrijven wat God kan toebereiden voor mensenharten? De bijbel zegt: Wat het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen: hetgeen God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben (1 Kor. 2 : 9). Daar staat het, zoals in de tekst: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, zo hier: Wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben. Maar er staat niet bij wat en hoe. Alleen dat het oog het niet heeft gezien, het oor het niet gehoord, dat het in ons hart nooit is opgekomen.
Boven bidden, boven denken is dat, wat God voor de zielen bereidt, die Hem liefhebben. Wij wantrouwen ons hart. Wij verlangen, en denken: Waar het naar verlangt, dat is er niet; dat kan niet; dat komt niet; dat is illusie; nooit gezien, nooit gehoord, nooit gedacht. Maar het is andersom. God doet niets anders dan dat bereiden, wat het oog niet heeft gezien, het oor niet heeft gehoord, ons hart nooit heeft gedacht.
Wie is God? Hij is de waarborg daarvoor, dat de verlangens van uw hart geen illusies, geen hersenschimmen zullen blijven. Dat uw geloof meer waard is dan uw kennis, uw hoop meer dan wat gij hoort en ziet, dat uw liefde haar eeuwig voorwerp zal vinden en geen schaduwen najaagt, daar is God waarborg voor. Hij is de God van het Oude en verheven Testament, de Schepper der wereld en van alle dingen die men hoort en ziet. Maar nog veel meer is Hij de God van het Nieuwe en genadige Testament, van het Koninkrijk der hemelen, en de maaltijd der zielen, van de toebereiding der zaligheid voor alle oprechte harten.
Wie God is, komen alleen te weten harten, die Hem nodig hebben. Zij ervaren zijn goedheid en barmhartigheid, zijn alomtegenwoordige kracht. Zij leren Hem kennen als de Herder, die hun zielen weidt in grazige weiden, als de gastheer, die de tafel voor hen aanricht, als hun gids, die hen leidt door het dal der schaduwe des doods (Ps. 23 : 2, 4 v.).
Maar willen wij tot de maaltijd Gods komen en ons hart geven wat het toekomt? De nodiging is er. Komt, want alle dingen zijn nu gereed, spreekt de gastheer in de gelijkenis (vs. 17). Wij gebruiken die nodiging nog bij iedere avondmaalsviering. Alles is gereed en de nodiging gaat uit. Het hoogste goed is bereid.
En dan gebeurt het vreemde: En zij begonnen zich eendrachtiglijk te verontschuldigen. Ik heb een akker gekocht, zei de eerste, en het is nodig dat ik uitga en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd (vs. 18). Hij is beleefd, maar de weigering is er niet minder bruusk om. Hij heeft geen tijd, geen lust om aan de uitnodiging gevolg te geven. Dat stukje grond is hem meer waard dan een Koninkrijk. Hij wil liever een plaatsje op aarde dan in de hemel. Hij zal zichzelf wel trakteren en heeft geen uitnodiging van hogerhand nodig. Hoor wat zo'n ziel tot God zegt! En, voegt zij erachteraan: Ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
En hoor die andere: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd (vs. 19). Even beleefd neemt deze zijn hoed voor God af, maar gaat aan de uitnodiging tot de eeuwige zaligheid voorbij, voor vijf juk ossen.
En een ander zei: Ik heb een vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen (vs. 20). Hij is minder beleefd; God moet zo maar begrijpen dat hij niet kan. Daartegenover zingt de psalm:
"Wien heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog op aarde nevens U toch lusten? Niets is er daar ik in kan rusten."
en het gezang:
"Gij, Gij zijt de beste gave, die een hart verlangen kan: aardse rijkdom, schat of have hebben daar geen schaduw van."
De heer uit de gelijkenis is toornig, en hij zendt zijn knechten in de straten en achterbuurten der stad, en laat de armen en verminkten, de kreupelen en de blinden aan de maaltijd brengen (vs. 21). Maar de hemel is nog niet vol. Dan zendt hij ze en zegt: Ga uit in de wegen en heggen (vs. 23), en de bedelaars en de schooiers komen en eten en drinken omdat zij honger en dorst hebben. En de hemel werd toch vol. De armen werden toch zalig. De treurigen werden toch getroost. Niemand kon het beletten. God had de zielen een maaltijd bereid, en Hij wilde dat zij zouden weten hoe God hun de tafel toebereidt.
Gemeente, dit is het heilige spel van God en de zielen, het blijde werk van Gods barmhartigheid, het Evangelie.
En overal waar deze handeling Gods plaatsheeft, daar is Jezus Christus in het midden. Zonder Hem kan het niet plaatshebben. Daar is geen andere naam onder de hemel genoemd, die zo de uitdrukking is van de liefde Gods tot zondaren. Kreupelen, verminkten, tollenaars en zondaren waren altijd rondom Jezus. En de christelijke gemeente die vergaderd is door de Heilige Geest, de Pinkstergeest, die gemeente is de plaats, waar de nodiging uitgaat van de gastheer tot de zielen. Met of zonder ons zal de spijziging plaatshebben.