Lukas 15 : 11 en 12
En Hij zei: Een zeker mens had twee zonen. En de jongste van hen zeide tot de vader: Vader! geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed.
Lukas 15 : 11 en 12
De bekende gelijkenis in Lukas 15 begint met ons een heus gezin voor te stellen. In onze tijd zou Jezus ook de moeder genoemd hebben. Nu begint het: Een zeker mens had twee zonen. Wij zijn in de familie. De huisvrede is om ons heen. Maar dan ineens komt er die wanklank: En de jongste van hen zei tot de vader: Vader! geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. En nu zullen we niet over erfrecht gaan handelen. We vragen niet. We luisteren alleen naar deze wanklank. We waren in de familie. We voelden de huisvrede om ons heen. En opeens die vraag: Vader, geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. Die vrede wordt straks door de vader tegenover de oudste zoon vertolkt: Al het mijne is het uwe (Lk. 15 : 31). - Johannes 15. - De wanklank luidt: Geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. En dan volgt op die woorden van de jongste zoon de korte mededeling, als een donderslag: En hij deelde hun het goed. Wij horen de verstoring der huisvrede. Het onherstelbare is geschied. De verhoudingen zijn bedorven. Let op dat laatste: En hij deelde hun het goed. De Farizeeër.
Onze aardse staat is daarmee getekend. Wij zijn uit de vrede met God getreden. Die vrede die alle verstand te boven gaat (Fil. 4 : 7), die de zaligheid der engelen uitmaakt, en waarnaar alles op aarde bewust of onbewust terugverlangt. Wij hebben met God gedeeld. Eén heeft het gevraagd, en allen is het overkomen. Hij deelde hun het goed. Wij zijn er ook bij. En nu zien wij de verloren zoon uit de gelijkenis zich vermenigvuldigen. Hij heeft allerlei namen. Ook bijbelse namen.
Het is Lot, die met Abraham deelt. Want hij deelt eigenlijk met God. God had Abraham het land gegeven. Lot deelt met God en hij krijgt een eigen stuk, waarmee hij zeer ingenomen is (Gen. 13 : 8-12). Het is Ezau, die met Jakob de erfenis van zijn vader deelt. Hij een schotel linzenmoes, Jakob het eerstgeboorterecht (Gen. 25 : 29-34). Hier is het de oudste die met deling begint. Maar beiden zijn erin betrokken. Allen delen in de gevolgen. De vrede des huizes is verstoord. Ezau is de onheilige, Jakob de bedrieger. Het is de Farizeeër uit de gelijkenis, die met God zijn heiligheid heeft gedeeld. Hij noemt op wat zijn eigendom is: Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit (Lk. 18 : 11 v.). Dat is van hem. Hij kan 't God laten zien; het opnoemen.
Zo is het met ieder, die uit de zalige gemeenschap met God is gevallen. Wij vragen: Geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. Wat die gemeenschap, de vrede des huizes is, weten we alleen als herinnering; als schrijnend gemis, negatief; of als brutale verspilling van wat we hebben. Armoede en rijkdom beide, gezondheid en Jezus' kruis, arbeid en ijdelheid. Maar vooral 't geestelijk leven. Goede werken en zonde, gerechtigheid en schuld. Dat zijn de wonden van de deling. Soms ook is er iets van echte herinnering, positief. Gemeentezang, Avondmaal, gebed. Maar hoe zelden, hoe gebrekkig.
Telkens de deling, gemeentelijke vormen: de Farizeeër, de bevindelijke, de moralist; zelfs mijn geloof, mijn christelijkheid. Geef mij het deel des goeds, dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed. Dat is onze misère: die vraag en die vloek. Want die deling is een vloek van Genesis tot Openbaring.
Wat gebeurt er als we met God delen? Eigenlijk niets. Van God zijn en blijven alle dingen. Maar 't lijkt dat God te kort komt. Er zijn er zovelen die met Hem delen willen. In de gelijkenis al twee: hun. In de wereld zovelen. En ze zijn zo begeerlijk. Denk aan Lot. Als de zonen van Eli: de beste stukken (1 Sam. 2 : 12-17). Ezau: schotel linzenmoes. Wat is daartegenover een geestelijke belofte? De Farizeeër: tweemaal vasten, tienden. Wat is daarbij de rechtvaardige God, die de tollenaar krijgt? God komt te kort in de wereld, zoals Abraham bij de deling met Lot.
Maar waar blijft het: uw goed werk, bevinding, uw christendom, uw geloof? De jongste zoon merkt het spoedig. Hij zoekt de gemeenschap terug. Slechte vrienden, slechte vriendinnen; toch gemeenschap. Hij deelt hun het goed weer. In deze gemeenschap is een schaduw. Wie zou ze anders begeren, die slechte gemeenschap? Maar die is als sneeuw voor de zon. De jongste zoon is spoedig de bedelaar. Angstwekkend geheim. Waar blijft het? Wij zullen er niet lang bij stilstaan. Wij staan er toch al alle dagen bij stil.
God heeft ook mee gedeeld. Dat is het Evangelie. En Hij heeft alles nog. Dat is het andere geheim. Hij is rijk over allen. De weg tot de ware gemeenschap staat open. Bekering, dat is de roeping. Het oude kan niet hersteld. De jongste zoon kan zijn goed niet weer meebrengen; alleen zijn schuld. De Vader is ook niet dezelfde. Hij brengt zijn barmhartigheid mee. De genade vloeit over. 't Is meer dan het goed. Dan kan de gemeenschap niet weer ontbonden worden.
Wie zou de vraag om te delen herhalen? Men zou zijn schuld terugwensen, de lompen. Hier is de deling heel anders. Zij dringt tot gemeenschap. De tollenaar. Dit is nu de enig mogelijke deling met God. Dat is uw zaligheid. De voorsmaak.