Klaagliederen 3 : 22
Het zijn de goedertierenheden des Heren dat wij niet vernield zijn, dat zijn barmhartigheden geen einde hebben.
Klaagliederen 3 : 22
Gemeente, wanneer wij op deze oudjaarsavond onze gedachten laten teruggaan, dan vallen eerst onze persoonlijke omstandigheden in het niet, vergeleken bij de grote wereldgebeurtenissen. Het leed, dat over de hele aarde geleden wordt, is zo groot, dat het de maat onzer bevatting overtreft. Ons gesprek raakt het aan, maar kan er niet naar 't behoort over handelen. Er gaan dingen door het mensenleven, die wij niet tot de humaniteit rekenden. Wat wij menselijk noemen, blijkt niet de maat van ons leven te zijn. Wij weten niet wie wij zijn.
Wanneer wij ons een Godsbestuur denken naar onze begrippen, dan komt dat niet uit. En als wij ons een wereldgeschiedenis voorstellen, dan wordt het heel anders. Ontwikkeling zou de sleutel zijn van het heelal. Ondergang schijnt God daartegen te zeggen. Vertedering des harten, noemde iemand wat de mensen inwendig doormaakten. Verharding schijnt het antwoord dat uit alle hoeken der wereld ons tegenklinkt. In de schaal onzer gevoelens meenden wij een zeker nulpunt te kunnen aannemen, waar beneden de temperatuur des harten wel nimmer zou zinken. Een grens van menselijkheid, waaróver het rijk der dieren begint. Ook deze grens is door de werkelijkheid niet geëerbiedigd. Wanneer wij overwogen wat de mensheid zou kunnen verdragen, dan blijkt het, dat wij op een te gering weerstandsvermogen hebben gerekend.
En als wij als kerkmensen eerlijk onze gedachten zeggen, dan moeten wij bekennen dat God ook veel meer toelaat dan wij dachten. Het kruis ook dat Hij oplegt, is veel zwaarder dan in de boeken staat. En de oordelen Gods die over de aarde gaan, zijn geweldiger dan wij dachten dat in de bijbel stond. Wij kenden dat boek en konden dat weten. Wij lazen het boek der Openbaring, van de zon die veranderd zal worden, en de maan in bloed, dat de sterren op de aarde zouden vallen (Op. 6: 12 v.). Maar wij dachten dat het niet meer zou zijn dan een sterrenregen in september of november. Nu schrikken wij van ons eigen leven, van ons lot. Van God.
Misschien dat wij nu onze tekst kunnen verstaan. Het zijn de goedertierenheden des Heren dat wij niet vernield zijn, dat zijn barmhartigheden geen einde hebben. Dat is ook anders dan wij soms meenden. Dachten wij niet vaak dat God verplicht is te zorgen dat wij niet vernield worden? Dat gij recht hebt op zijn bescherming? Dat gij daarvoor een God hebt, en dat Hij daar juist goed voor is, en ook juist goed genoeg? Een God in de nood; om tot te bidden in de nood.
En nu zegt onze tekst dat, als wij niet vernield worden, het Gods goedertierenheid is. Dat Hij dan veel vergeven moet; dat wij anders wèl vernield zouden zijn. Zo mooi en kalm schijnt dus het mensenleven niet te zijn, dat wij zouden kunnen rekenen op een vrij lang leven, een tamelijke voorspoed, een niet te zwaar kruis, een behoorlijke gezondheid, een beetje kapitaal, enige vriendschap van de mensen en als men gaat sterven, genade bij God. Dat is zo de doorsneemenselijkheid. Dan houdt de mens er een God op na, die voor dat alles zorgen moet. En als Hij het niet doet, dankt hij Hem af. Zo doen de heidenen. Die gooien hun houten en stenen afgoden soms weg, als die hun niet bevallen. Ons christelijk geloof is veel dieper en ernstiger. - God kan ons weggooien. - Minder zoals 't in de boeken staat, meer zoals 't in het Boek staat. Letterlijk: het zijn de goedertierenheden des Heren dat wij niet vernield zijn, dat zijn barmhartigheden geen einde hebben.
Zo staat het dan met ons. Als wij niet vernield zijn, is dat een wonder van Gods goedertierenheden. Daarnaar mogen wij dus op deze 31 ste december 1943 hart en zin wel zetten. De ondoorgrondelijke oordelen Gods moeten ons ootmoedig maken. De Heer is God en wij zijn het maaksel zijner handen.
Maar daarmee zijn wij nog niet waar wij wezen moeten. Wij eren God niet alleen als de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, maar wij belijden dat deze almachtige Schepper onze Vader in de hemelen is. Hij wil dus alles voor ons zijn. En dan komen al die vragen terug. Wanneer het Godsbestuur dan niet is naar onze begrippen, dan moet het hart van het kind toch, om de liefde Gods des Vaders, iets daarvan verstaan. Waarom dan de hardheid van het leven? Waarom dat wegvallen van de grenzen der menselijkheid? Waarom dat toelaten Gods van zoveel ongerechtigheid? Waarom zijn zijn oordelen zo geweldig? Jezus zelf, de Zoon van nature, heeft deze vraag aan de Vader gedaan. Hij noemde Hem toen niet Vader, maar God: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Mt. 27 : 46)?
En dan rijst het beeld van onze zonde voor ons op. Dan leren wij onze tekstwoorden nog beter verstaan. Wanneer God onze Vader is, dan is daar een scheiding gekomen tussen Hem en ons. Wij leven in een wereld, waarin alle verhoudingen gestoord zijn. Over het mensenleven kunnen wij niet oordelen. Dat zal pas in de hemel blijken, hoe het is. Hier leven wij van Gods goedertierenheden en Gods barmhartigheden. Als wij niet vernield zijn, dan komt dat van zijn genade in Christus Jezus onze Heer. Als wij ons dus weer kinderen des hemelsen Vaders weten, dan komt het zwaartepunt niet te vallen in deze wereld, maar in het Koninkrijk der hemelen.
Gemeente, als gij in dit licht uw aardse leven beziet, dan kunt gij ook gaan denken over uw persoonlijke ervaringen. Er is een zekere avontuurlijkheid in het leven gekomen. Vreemdelingen en bijwoners zijt gij, zegt de bijbel (1 Kron. 29 : 15; Ps. 39 : 13) - zoals Abraham in Kanaän - die een ander vaderland zoeken. Christus' koninkrijk is niet van deze wereld (Joh. 18: 36). En gij, als kind van God, evenmin. Daarmee verandert alles wat gij hebt te denken en te zeggen over uw levenslot. Het is alles voorbereiding. Het moet alles gelijkvormig worden aan het kruis van Christus. Het zal alles met Hem opstaan.
1943 ligt achter ons. Wat heeft het u gebracht? Voor sommigen misschien uitwendig een zekere welvaart, voor anderen bittere nood. In vele families zorg, onrust, scheiding, gevangenschap. Rouw ook, tranen. Verbittering, opstand tegen God, of overgave en vernieuwd gebed.
Laat ieder met zijn levenservaringen zich in het licht van Gods goedertierenheden stellen. Laat hij zich afvragen wat wel en wat niet voor God te verantwoorden was, zijn schulden belijden, zich voor God verootmoedigen, zijn houding tegenover het leven opnieuw bepalen.
God is eeuwig. Het eeuwige leven. Het leven houdt niet op. Het wordt veranderd. En dat merken wij. Het leven is niet menselijk, maar God regeert het leven. Het Koninkrijk der hemelen.
En er zullen Heilanden op de berg Sions opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal des Heren zijn.
Obadja 21
De kleine profetie van Obadja is tegen Edom gericht. Edom tegenover Israël; Ezau tegenover Jakob. Ezau en Jakob zijn tweelingbroeders. Samen zijn ze opgegroeid in de aartsvaderlijke tent. Ze hadden beiden deel aan de beloften van God aan Abraham, de vader der gelovigen. En toch is Jakob een held Gods geworden: Israël. En Ezau vertegenwoordigt in de profetie de heidenwereld. Hoe is dat mogelijk, zonen van één huis? Ieder mens heeft een tweelingbroeder. Hij is z'n eigen broer. Beiden hebben ze dezelfde vader. En toch kan slechts een van beiden God Vader noemen. De christen en de heiden zijn uitgegaan uit hetzelfde paradijs, maar de een zal met Jezus in het paradijs zijn (vgl. Lk. 23: 43), de ander zal zoeken en tasten naar God (vgl. Hand. 17 : 27). Ze zijn beiden uit de ark gegaan na de grote watervloed, maar voor de een is het de doop der wedergeboorte, voor de ander een vloek: een knecht der knechten zij hij zijn broeders (Gen. 9 : 25). Beiden hebben bij Babels toren de verwarring der talen beleefd, maar de christen beleeft Pinksteren en een iegelijk van hen hoort in z'n eigen taal de grote werken Gods verkondigen (Hand. 2: 11). Beiden kennen het beloofde land, maar de een zal het erfelijk bezitten, de ander wordt uitgeroeid uit zijn landpale (vgl. Ob. 7-10).
Wij kunnen nog verder gaan: de heiden is de eerstgeborene. Ezau is de oudste der tweelingen. Hij heeft het eerstgeboorterecht. Z'n vader wil hem ook zegenen als hij gaat sterven. Maar God zegt: Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat (Mal. 1 : 2 v.). De heiden is de eerstgeborene. En de eerstgeborene is de heiden. Eerst het natuurlijke, zegt Paulus; daarna het geestelijke (1 Kor. 15 :46). Wie heeft de oudste brieven in ons leven? Wie de grootste rechten? Het is het natuurlijke, het geschapene. Het is sterk en ruig als Ezau. Het is gesteld op de natuur en het woud, de zon, de wind. De natuur heeft haar rechten, en neemt haar rechten. En ieder betaalt graag de tol aan de natuur. De natuur is ongebroken. Frank en vrij en onbeschaamd als Ezau. En het geestelijke is gebroken en zwak. Het woont in tenten en wordt door moeders opgekweekt binnen de vier muren. Het schijnt verachtelijk en geveinsd en achterbaks. Het ligt bloot voor de beschuldiging niet eerlijk te zijn. Jakob betekent 'bedrieger'. Zó lijkt het geestelijke in de wereld tegenover Ezau, het rode Edom, de schotel linzenmoes van het natuurlijke leven (vgl. Gen. 25 : 30).
Dat klinkt vreemd in de wereld: Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat. En toch, als die twee onder het kruis staan, waar Jezus uitroept: Mij dorst (Joh. 19: 28), en: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten (Mt. 27 : 46)?, krijgt God dan niet gelijk? Durft iemand dan nog te kiezen voor de natuur tegen de geest? Voor Ezau tegen Jakob? Durft iemand daar nog hardop te spreken van de ronde natuurlijkheid van het mensenleven, de ongebroken kracht, de rechten van het bloed, de tempel van ongekorven hout?
Ezau heeft z'n eerstgeboorterecht verkocht voor een schotel linzenmoes. Ieder kan dat weten als hij merkt, dat hij z'n eigen tweelingbroeder is. Ezau heeft geen toekomst. De natuurlijke mens verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn (1 Kor. 2 : 14).
En er zullen Heilanden op de berg Sions opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal des Heren zijn. Israël is het volk dat geholpen moet worden. Het is erfgenaam van een zegen. Het staat in Gods testament, het Oude Testament. Maar het is tevens het volk, dat Heilanden nodig heeft. Het is altijd in de druk. In Egypte; in Kanaän onder de richteren. Onder z'n koningen gaat het heel spoedig te gronde. Maar het staat in Gods testament. - Ezau leeft anders, op de bergen van Edom. Het heeft geen profeten. Maar het leeft naar Isaäks zegen: Zie, de vettigheden der aarde zullen uw woningen zijn, en van de dauw des hemels van boven af zult gij gezegend zijn (Gen. 27 : 39). Dan heeft men geen Heilanden nodig, zo tussen de vettigheden der aarde en de dauw des hemels. Hoe kunnen daar de kruiswoorden verstaan worden?
Jakob weet wat het is, een steen voor hoofdkussen te hebben, en toch de hemelladder te zien met Heilanden daarop, helpers (Gen. 28: 11 v.). Edom helpt mee als Jeruzalem veroverd wordt (Ob. 11). Psalm 137 zingt de haat van de Jood tegen de broeder uit, die een lust heeft aan z'n ondergang (Ps. 137 : 7). Hier hebben we ook zo'n toon. Er zullen Heilanden op de berg Sions opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal des Heren zijn. Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat.
De gelovige gemeente is de verliezer in de wereld, maar staat in Gods testament, ook in het Nieuwe Testament. Het is en blijft nodig dat er helpers komen. Niet in de eerste plaats om ons aan een schotel linzenmoes te helpen. Daarvoor verkoopt de heiden, onze tweelingbroeder, z'n eerstgeboorterecht. Maar om de overwinning te bezorgen aan Jakob, de zwakke in ons, de gelovige, zo vaak ongelovig, het achterlijke kind op deze wereld in moeders tent, dat met de wereld niet mee kan.