Jeremia 32 : 37-40
Onze tekstwoorden zijn door de profeet Jeremia gesproken tijdens de belegering van Jeruzalem door Nebukadnezar in 586 voor Christus. Jeremia profeteerde ondergang. Hij stond daarbij alleen. De andere profeten zeiden dat God de stad en het volk niet kon opgeven. Dan had God geen volk meer, en het volk had geen God meer. De eenheid van Jehova - Israël was onverbrekelijk. Zoals wanneer iemand zei: Ik kan niet sterven, want dan heeft God geen kind meer, en ik heb dan geen God meer. Als we het zo zeggen, merken we hoeveel erachter zit. We kunnen maar niet zeggen: wat oppervlakkig. Want wat hebben we er een moeite mee. Wat valt het ons moeilijk om te geloven dat de dood geen scheiding behoeft te maken tussen God en ons. Met die angsten was het volk van Juda bezet. Het lag op sterven. De meeste profeten zeiden: Dat kan niet, dat mag niet. Eén enkele profeet, Jeremia, zei andersom. Het volk zou ondergaan, de stad ingenomen worden, de tempel, Gods woonplaats, verwoest.
Let erop, welk een gewicht dit ogenblik heeft in de bijbelse geschiedenis. Bemerkt, welk een groot profeet Jeremia geweest is, die hierbij zijn volk moest voorlichten. Een leidsman en voleinder des geloofs (Hebr. 12 : 2). Hij had een stuk van het ambt, dat Jezus had te vervullen voor alle volkeren, door het kruis de wereld te leren dat de gemeenschap met God door de godverlatenheid niet wordt tegengesproken, en dat de dood een doorgang kan zijn tot het eeuwige leven. Dit Evangelie is voor Jeremia, en zelfs voor Jezus zelf, een oorzaak van angst en ontzetting geweest. Jeremia 32 is een tweegesprek, een soort Gethsemané van Jeremia geweest. De Heer had hem bevel gegeven land te kopen en de koopbrief in een aarden vat te bewaren en te verbergen (Jer. 32 : 7-15). Hoe moet Jeremia dat opvatten? Zal de stad toch gespaard worden? Maar de vijand staat voor de wallen; en God heeft ook tot hem gezegd dat de stad zal vallen. Wat moet die koopbrief dan? Waarom geeft God hem een wissel op de toekomst, als het einde toch gekomen is?
Daarin zit de hele moeilijkheid. Ware profeten en valse profeten. Het verschil schijnt zo duidelijk en eenvoudig. Toch weer zo moeilijk uit te maken. Aan wie heeft God het nu gezegd? Maar het verschil is totaal. Tot de een heeft God gesproken. Tot de ander helemaal niet. God zelf is de verklaring van 't verschil. Bij God is niets te wonderlijk. De stad zal verwoest worden. Dat is waar. Dat moet. Daartoe heeft God de Chaldeeën geroepen.
Wat is die stad en dat land? Kan God ze niet missen? Ze hebben immers van de jeugd af enkel kwaad gedaan. Zij hebben God de nek toegekeerd en niet het aangezicht (Jer. 32 : 33). Wat verliest God daaraan? Heeft Hij dan geen volk meer? Geen kind? Hij kan uit deze stenen Abraham wel kinderen verwekken (Mt. 3 : 9). Men moet de zaak niet van Juda en Jeruzalem uit bekijken. Van Gods kant.
Zie Ik zal ze vergaderen uit alle landen, waarheen Ik ze verdreven zal hebben in mijn toorn en in mijn grimmigheid en in grote verbolgenheid. En Ik zal ze op deze plaats weerbrengen, en zal ze zeker doen wonen (vs. 37). Dat verstrooid worden is voor God geen bezwaar. God is sterker dan de dood. Maar Hij kan de zonde niet zien. Bij God horen, zijn kind zijn, is geen natuurlijke zaak. Wij kunnen hoogstens aangenomen kinderen worden. Het volk wordt opgelost. Het lichaam wordt naar alle windstreken verstrooid.
Kerk: Maar God wil uit het ganse menselijke geslacht zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, van het begin der wereld tot het einde, vergaderen, beschermen en onderhouden. Dat is de kerk. De geroepen heiligen Gods, niet een volk door banden des bloeds, maar des Geestes.
Natuur en genade. Zij zullen Mij tot een volk zijn. Het volk Gods. Ik zal hun tot een God zijn. Een God. En Ik zal hun enerlei hart en enerlei weg geven; om Mij te vrezen al de dagen, hun ten goede, mitsgaders hun kinderen na hen. En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeren, opdat Ik hun weldoe; en Ik zal mijn vrees in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken (vs. 38 vv.).
Zo zal het zijn als God een volk heeft en het volk een God. Daarmee is de verhouding van Christus en de gemeente getekend. Dit zijn de geroepen heiligen, het uitverkoren geslacht, waarvan het Nieuwe Testament spreekt (1 Petr. 2 : 9). Daarop heeft God Jeremia een wissel laten trekken. Dat is geen voortzetting van het zondige heden.