Johannes 20 : 24-29
De naam van Thomas is spreekwoordelijk geworden. En zo schuiven wij onze zonden van ons af. Onze hoogmoed aan de kapstok: Farizeeër. Ons ongeloof aan de kapstok: Thomas; ook wel zonder zijn naam te noemen. Wij gebruiken andere mensen als kapstokken van ons eigen ongeloof.
Wie heeft onze prediking geloofd (Jes. 53 : 1; Joh. 12 : 38)? Een persoonlijke, directe vraag. Er is wel reden voor. Ongeloof is een groot verzuim. Lees maar in onze tekstwoorden. Ten eerste: de andere discipelen hebben de Heilige Geest ontvangen (Joh. 20 : 22). Ten tweede: tot apostelen aangesteld (Joh. 20 : 21). Dat is niet weinig. De beste gave en zending tot de einden der aarde. Wat kan een mens wat verzuimen in zijn leven. Dat verzuim heet ongeloof; niet Thomas, niet ongelovigen, maar ongeloof. Een leegte in uw leven.
Maar is ongeloof altijd een schuldig verzuim? Ik heb ook wel eens van de eerlijke twijfelaar gehoord. En is dat het niet in dit verhaal? Zit de kerk niet vast op sommige dingen, waar de mensen moeite mee hebben? Verstandelijk? En is het niet eerlijk om dat dan te zeggen? Zitten de mensen niet juist met de opstanding? Dat is wel een hoofdpunt. 1 Korinthiërs 15. De opstanding mag ook geen kapstok zijn: Staan en vallen. Al wat de hoge God verlaat! Opstanding, dat is God de Schepper, de Herschepper. En ongeloof aan de opstanding, dat is de hoogmoed, die voor de val komt.
De hele zaak tussen God en de mens is hier in geding. Luister maar naar Thomas: Indien ik in zijn handen niet zie de tekenen der nagelen, en mijn vinger steek in de tekenen der nagelen, en steek mijn hand in zijn zijde, ik zal geenszins geloven (vs. 25). Tweemaal ik en tweemaal mijn. Thomas bepleit zijn eigen zaak. Judas ging heen naar zijn eigen plaats (Hand. 1 : 25). De buurtschap van Judas waarschuwt ons. Thomas heet Didymus, tweeling. Judas, dat is de rekenmeester: Deze zalf had duur verkocht kunnen worden, en de penningen de armen gegeven worden (Mt. 26 : 9). Daarom verraadt hij Jezus. Dertig zilveren penningen. Judas wil niet mee naar het kruis en het graf, waar het tellen ophoudt. De zonden van de moordenaar worden niet meer gerekend, maar vergeven. De dagen worden in de dood niet meer geteld, maar houden op.
Durft gij zo uw zaak tot een zaak Gods te maken? Uw ik weg te doen en God God te laten? Gelooft ge de prediking?
Thomas rekent ook. Hij meet en telt de wonden van Jezus. Gemerkt schaap; herkennen aan de overkant. Jezus moet zijn eigendom zijn. Hij wilde Hem niet gekruisigd en begraven hebben, evenmin als Judas, evenmin als Petrus in Mattheüs 16. Wij moeten het eigendom van Christus zijn, en niet andersom. Bij het geloof aan de opstanding gaat het erom of het onze zaak of Gods zaak zal zijn. Thomas wil Jezus niet God laten zijn. Petrus heeft dat geleerd. Hij verloochende Jezus: Ik ken die mens niet (Mt. 26 : 72, 74). Maar hij had berouw. En daarom staat hij straks in de paasvreugde.
De opstanding is één ding met de vergeving der zonden. Zo in de Twaalf artikelen; en Romeinen 4 : 25: Overgeleverd om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Vernedering en verhoging. Nederheid en hoogmoed. Geen verstandelijke twijfel.
't Gaat om God en het eigen ik. Mijn Heer en mijn God, zegt Thomas (vs. 28). Zegt hij dat om de aanraking? Neen, dan is hij zichzelf kwijt. Hij wordt opgenomen in de gemeenschap der heiligen. Hij is paaschristen geworden. Hij rekent niet meer, maar gelooft het Evangelie, de boodschap Gods.
Zo gaat het dan om val of opstanding. Als gij ik blijft zeggen: dat is val. Dat hebben wij tot stand gebracht. Als gij zegt: Mijn Heer en mijn God - dát is opstanding, dat heeft Christus tot stand gebracht. Moet Hij uw eigendom zijn? Of gij van Hem, daar komt het op aan.
Onze tijd merkt dat wel weer. Men heeft geen bezwaar tegen de opstanding, maar tegen Jezus, tegen God, Gods zaak. Ongeloof, dat is de wereld van de val. Dat verstaan we wel, wat vallen is. Daar kunnen we bij met onze gedachten. Dat is 't eerste, wat we gedaan hebben, in 't paradijs.
Als ge tellen wilt, tel dan de keren, dat ge gevallen zijt. Steek de vinger in de wonden, die ge geslagen hebt. Wilt ge dan nog hoogmoedig zijn en uw voorwaarden aan God stellen? Of zult ge bitterlijk wenen (vgl. Mt. 26 : 75)? Roep dan liever uit: Mijn Heer en mijn God! En als Hij dan vraagt wat gij wenst, zeg dan: Precies het omgekeerde van wat ik doe, van dat aldoor vallen. Maar dat is wat God doet, die de God der opstanding en van het eeuwige leven is.
Zie dan hoe het ongeloof niet buiten u aan een kapstok hangt, maar hoe het een macht in uw leven is. Wat een verschil tussen najaar en voorjaar, vallende en uitbottende bloemen en bladeren. Zo het ongeloof in uw hart en het geloof in het Evangelie. De overlegging van uw hart, uw gedachten, uw geest, liggende in de zonde. De ene naast de andere. Uw moed zakkende in de schoenen. Maar als de Geest, als God onder uw geest komt, dan richt alles zich op. Het één richt zich op aan het ander, zoals de discipelen na de opstanding.
't Gaat om de zaak Gods. Zo ook onze catechismus: 1. Opgestaan tot onze gerechtigheid. 2. Nieuw geestelijk leven. 3. Onderpand van onze zalige opstanding. Bij de paasverhalen merkt men van dat laatste maar weinig. Wat is 't verschil tussen de discipelen en Thomas? Ten eerste: Heilige Geest ontvangen. Ten tweede: tot apostelen aangesteld. 't Is al bijna Pinksteren. 't Gaat alles om het Evangelie. Pasen brengt een storm van Geest in hun leven. Maar dat laatste, de tabernakel in de hemelen, is er toch ook (vgl. 2 Kor. 5 : 1).
Blijft dat een zaak van eerlijke twijfel, van tellen en rekenen? Zoudt ge zo in de hemel willen klimmen, zo de kansen van voortbestaan willen berekenen? Dan zijt ge een dief en een moordenaar. Die klimt van elders in (Joh. 10 : 1). Gij zoudt willen, dat aan uw vingerafdrukken in het kozijn der eeuwigheid te zien was, dat gij het zijt, dezelfde die hier geleefd en gezondigd heeft? Wat hebt ge hier gedaan? Vallen! Is dat 't zelfde als opstaan? Moet het hier nu zijn: ik en mijn? Toch nog? Zal de zonde dan niet mee inklimmen? Hoe wilt ge dat uitrekenen?
Zeg liever met Thomas: Mijn Heer en mijn God! Of met de moordenaar: Gedenk mijner (Lk. 23 : 42); of met de tollenaar: Heer, wees mij zondaar genadig (Lk. 18 : 13). Uw voortbestaan zal er u niet brengen. Dat is uw angst. Ge kunt God niet ontlopen, anders deedt ge het. Bergen, valt op ons; heuvelen, bedekt ons (Lk. 23 : 30).
Opstanding, dat is God die vlees geworden is, die zichzelf vernietigd en vernederd heeft om onze hoogmoed te genezen. Het geloof in de opstanding is de belijdenis van de Schepper.