O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Jesaja 55 : 7LarenJeremia 32 : 37-40 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 242–245

Jesaja 55 : 10 en 11

Want gelijk de regen en de sneeuw van de hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert, maar doorvochtigt de aarde, en maakt dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve de zaaier en brood de eter, alzo zal mijn Woord dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen hetgeen dat Mij behaagt en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende.

Jesaja 55 : 10 en 11

Onze tekst begint met een prachtig beeld. Beelden, waaraan psalmen en profeten zo rijk zijn. Regen en sneeuw dalen van de hemel neer. Er is verschil tussen die beide. Ik denk eerst aan de regen. Misschien denken we er zelden aan, maar wat een machtig ding is het als de hemel gaat uitgieten en de aarde drinkt. ⚑Niet alleen daar waar gij staat, op het dak van uw huis, uw veld, uw dorp, maar ook verder, elders. 'Gods opperzalen' noemt Psalm 104 die regenwolken: die zijn opperzalen zoldert in de wateren (Ps. 104 : 3). En Hij drenkt de bergen uit zijn opperzalen (Ps. 104 : 13). Hij doet het rijkelijk. De bomen des Heren worden verzadigd, de cederbomen van Libanon, die Hij geplant heeft (Ps. 104: 16). Wat een overvloed. Welk een grootse openbaring van des Scheppers majesteit en macht. En de sneeuw. Hoe statig, langzaam, zacht, onhoorbaar dalen Gods vlokken naar beneden. Ze zoeken een plekje om te liggen en leggen zich dan met een zeldzame waardigheid daar, waar God een plaats voor hen had uitgekozen. Ze spreiden 's hemels reinheid voor onze ogen uit. Wanneer ge goed toeziet bij beide, bij regen en sneeuw, dan is het beide: naar beneden komen. De regen meer zoals ze valt, ze giet, ze stort, ze stroomt. De sneeuw komt naar beneden juist daar waar ze zijn moet. Ze daalt, ze zweeft, ze zoekt de zachte zetel, waarop ze zitten moet. Ze moet hier zijn. Beneden.

Dat alles heeft de profeet gezien. De regen en de sneeuw daalt neer. En keert niet weer. Ze hebben hier wat te doen: de aarde doorvochtigen, maken dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve de zaaier en brood de eter.

Want dit is het wondere: dit alles is geen spel alleen voor de ogen. Hoe mooi ook, er is tegelijk een zegen in. De schoonheid Gods is sodomsappel, die tot as verstuift. Ze zijn inwendig goedheid, mildheid, weldaad.

De regen en de sneeuw komen om te blijven. Weerkeren is uitgesloten. Ze hebben hier te doen: de aarde doorvochtigen, dat ze voortbrenge en uitspruite, en zaad geve de zaaier en brood de eter. Dat ziet de profeet. Hij ziet dat goede, zegenrijke. De natuur is voor hem geen wezen op zichzelf met een eigen polsslag, maar het gaat er persoonlijk toe.

Dit mooie beeld moet nu een gelijkenis zijn van de werking van Gods Woord. Alzo zal mijn Woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen hetgeen dat Mij behaagt en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende. Het Woord Gods daalt dus neer als de regen en de sneeuw om bij ons te blijven.

Als we dat zeggen, denken we 't eerst in 't algemeen aan wat we openbaring noemen. Het is een rijk wonder, dat in dit leven woorden Gods neerdalen. De hemel is in die zin niet gesloten. Behalve wat beneden is, weten we van wat boven is. Niemand kan dat ontkennen. Men kan ze misschien niet geloven. Maar ze worden gehoord. Iemand van mijn kennissen kwam in een gezin, waar men het Evangelie niet kende en niet wilde kennen. Lezen. Te mooi om waar te zijn. Hier hebben we beide. Dit leven zonder woord en het Woord dat neerdaalt van boven.

Niet ieder hoort die woorden zuiver. Ze worden heel verschillend weergegeven. Maar de hele mensheid kent het verschijnsel dat er woorden van boven neerdalen. Zonder dat Woord kan men niet leven. Brood is niet genoeg. Alle woord uit de mond Gods (Mt. 4: 4). Dat Woord valt rijkelijk als de regen. Nog eens: men kan het weren, maar wie z'n leven openstelt, weet hoe open het is naar boven, hoeveel erin valt van Godswege. Dat is mens zijn. Daarbij vergeleken is al 't andere onbelangrijk. Soms een milde regen. Soms een stortregen. Soms ook droogte. Maar de mogelijkheid van de regen blijft.

"'t Hijgend hert, de jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar 't genot van de frisse waterstromen, dan mijn ziel verlangt naar God."

Alzo zal mijn Woord, dat uit mijn mond uitgaat, ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende.

Wij christenen denken aan Jezus Christus. In den beginne was het Woord (Joh. 1 : 1). Hij is van de hemel neergedaald (Joh. 6: 38). Hij zal ons geen wezen laten (Joh. 14 : 18). Met z'n Geest blijft Hij altijd bij ons. Hij komt om te blijven. Hij gaat niet terug. Het Christuswoord, de Christusgeest. Dat is zoveel meer bepaald dan 't Woord Gods in 't algemeen. Het is veel overvloediger.

"Steekt hen de hete middagzon in 't moerbeidal, Gij zijt hun bron en stort op hen een milde regen, een regen, die hen overdekt, verkwikt en hun tot zegen strekt."

Zo is het leven wel onder de hemel van het Evangelie. Wat een regen van Woorden Gods kent de christelijke gemeente. Als ze niet tot een woestijn geworden is, maar geleerd heeft naar het vallen der droppelen te luisteren. Welk een overvloed geeft het bijbelwoord, de Evangelieprediking. Wat stort en stroomt er veel in uw leven.

We mogen hier ook aan de sneeuw denken. Die woorden komen als zoekende en vinden juist in uw hart het plekje om te gaan liggen. Van eeuwigheid is dat plekje bepaald. En daar komt het Woord, dwarrelen uit de hoge. Soms tweeduizend jaar en langer terug gesproken. Een lange weg legt de vlok van boven af. Waar zal het komen te liggen? Wind en tijd spelen ermee. Dan naar hier, dan naar daar. Hier opgevangen, daar opgeschreven, dan als tekst gebruikt, gesproken, weer geschreven, gedrukt en nog eens gesproken. Eindelijk in uw hart. Daar ligt het en brengt vrede, rust, reinheid. Welk een lange reis juist naar dat plekje.

Zo is 't leven onder 't Woord. Dat is 't mensen-, 't christenleven. Nu mag het stormen, razen, waggelen, wankelen in de wereld. Dit spel van Woord en hart houdt niet op. Dat leven blijft. Leven als geloof gaat niet teniet. Het Woord moet er zijn en wil er zijn. Het wil doen wat God behaagt. De zegen van deze woorden: ze doen wat God behaagt en waartoe Hij ze zendt. Die woorden dringen door. Eén gedachte maakt een andere wakker en die weer een andere. Dat is nog een andere wereld dan die van de bodem en de vrucht. Bouwt het geloofsleven op. Troost. Goede moed.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Jesaja 55 : 7LarenJeremia 32 : 37-40 →