Jesaja 33 : 17a
Uw ogen zullen de Koning zien in zijn schoonheid.
Jesaja 33 : 17a
Wij willen onze gedachten laten gaan in de richting van de aandacht der gemeente. Jezus Christus tegemoet. Voor ieders geestelijk leven is het 't beste dat hij zich houdt op de wegen, waar de heilige mannen en vrouwen van Gods kerk hem zijn voorgegaan. Dat is 't veiligste. Want heilig is veilig. Goed zijn en gelukkig zijn, horen bij elkaar. Wij mogen die twee nooit scheiden; het geluk niet zoeken in de zonde. Daarom is het goed door de kerk of gemeente van Christus ons te laten dragen.
Wie zijn die heiligen? Allereerst denk ik aan de bijbelheiligen. Abraham, de vader der gelovigen. Mozes, de grote ziener Gods. Samuël, de hoorder van Gods Woord. Jeremia, die de noden van z'n volk op 't hart droeg. Het is veilig om in de gemeenschap met zulke heiligen te blijven. Daarom was een bekend Engels prediker gewoon te bidden, dat z'n ziel met de heiligen mocht zijn; dan zou hij zalig wezen.
Maar waarin bestaat de heiligheid der bijbelheiligen? Zo gemakkelijk denken wij, dat wij toch in zulk heilig gezelschap niet thuis behoren. Wij schrikken voor het heilige. Zoals iemand aan een koninklijk hof niet durft te komen. Maar datzelfde gevoel hadden die heiligen zelf ook. Abraham: Ik ben stof en as (Gen. 18: 27). Mozes: Ik ben zwaar van tong (Ex. 4 : 10). Jeremia: Ik ben te jong (Jer. 1 : 6). Te jong om heilig te zijn, om profeet te wezen. Dat excuus werd niet aangenomen. God legt beslag op ons. Maar het bewijst toch, dat de heiligheid van de bijbelheiligen ook niet aangeboren was. Het licht, dat om hen schijnt, gaat niet van henzelf uit. Het is ontleend. Zoals de maan donker zou wezen als de zon er niet was, zo ook hun heiligheid, als Christus er niet was. De bijbelheiligen staan met hun aangezicht naar Christus gekeerd. Daarom heten ze heilig. En een andere heiligheid is er niet.
Zij hebben de belofte gehoord: Uw ogen zullen de Koning zien in zijn schoonheid. En nu denk ik aan nationale feestdagen of aan een intocht van een koningin. In lange rijen posteren zich de mensen tot de stoet voorbijkomt. Oud en jong zonder onderscheid. Niemand wil graag thuisblijven. Om eraan mee te doen hoeft men niet iets mee te brengen. Men behoeft niets bijzonders te zijn. Rang en stand vallen ook weg. Wat men nodig heeft, krijgt men onder de menigte: geestdrift. En de menigte? Voor het vaderland of de koningin. Alleen wie tegen is, kan niet meedoen.
Zo gaat het ook met de bijbelse heiligheid. Die krijgen wij in de gemeente. Als we meebidden, meezingen, meeluisteren, meebelijden. Als we iets zien van de Koning in zijn schoonheid. Dan worden we opgenomen in de geestdrift der gemeente, die geloof heet. Alleen als we tegen Jezus zijn, als we bewust en opzettelijk ons van Hem afkeren, dan niet. Ezau: onheilig. Voor een schotel linzenmoes z'n eerstgeboorterecht (Gen. 25 : 29-34). Voor het genot van het ogenblik de vreugde der eeuwigheid. Als iemand dat wil, dan keert hij zich van Jezus af. Dan wil hij de Koning in z'n schoonheid niet zien.
Uw ogen zullen de Koning zien in zijn schoonheid. De schoonheid van Koning Jezus. Kan die ook iets van uw geestdrift wekken? Maar waarin bestaat die? Het is daar wel heel bijzonder mee. De mooie vormen van het aardse leven moeten we bij Jezus niet zoeken. Alles waar een mens zo mee dwepen kan, is bij Jezus niet te vinden. Zo men dweept met een groot schrijver of dichter of staatsman, dwepen met Jezus, daar komt niet veel goeds van. We moeten in Hem geloven. Dat wil zeggen: Jezus houdt zelf niets. Dat is z'n schoonheid. Hij ontledigt zichzelf, vernietigt zichzelf. Wat blijft er dan van de schoonheid over?
Misschien hebt ge wel eens de moeilijkheid gevoeld om eens recht warm te worden voor Jezus; de moeilijkheid van het liefhebben van God. Voor de zichtbare dingen wil het u wel gelukken. Kon ik het maar, denkt ge, dan deed ik het. Maar het is zo geestelijk, dat ik het mooie er niet van zien kan. Heiligheid is zo heel anders dan schoonheid.
Dat is waar. Er wordt in de bijbel dan ook maar zelden over schoonheid gesproken. Dat is gevaarlijk. Een enkele maal om ons te doen zien dat heiligheid 't mooiste is. In Psalm 45 wordt van Christus gezegd: Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen (Ps. 45: 3). Zendeling Bergmann. De schoonheid van Christus is heilige schoonheid. En die in het licht van Christus staan, noemen we liever heiligen.
Maar 't heilige is toch 't mooiste. Toen Lindbergh over de oceaan vloog, heel alleen, van Amerika naar Parijs, toen was er ontzaglijke geestdrift. Dat is mooi.
Maar toen Amundsen zijn leven gaf om generaal Nobile op te sporen, toen zeiden we toch op een andere manier: dat is mooi. Amundsen was dood. Wat is er voor moois aan een dode? Dat is de schoonheid van de heiligheid, die ook in de dood schoon is. Daar is iets van de schoonheid van onze Koning in. Dan is het of we even in een andere wereld kijken. Wij bewonderen. Wij schamen ons tegelijk. Alles wat er aan Jezus is, is van dat soort schoonheid, dat ons doet zeggen: Dat is mooi - en we schamen ons. Ons leven wordt geoordeeld.
Dat we dan in een andere wereld kijken, staat ook in onze tekstwoorden. Uw ogen zullen een vergelegen land zien (Jes. 33 : 17). Jezus doet ons geen aardse schoonheid zien. Ook geen menselijke. Wij zien God als we Jezus zien. De heiligheid Gods. En het verre land is het hemelse Kanaän. Het huldigen hebben we nodig. To hail the King.