Genesis 3 : 8-10
En zij hoorden de stem van de Here God, wandelende in de hof, aan de wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van de Here God, in het midden van het geboomte des hofs. En de Here God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij? En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in de hof, en ik vreesde, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.
Genesis 3 : 8-10
't Is een vreemde vraag, die de Here God aan Adam stelt: Waar zijt gij? Weet Hij dan zelf niet waar zijn schepselen zitten? Natuurlijk weet God dat wel. Hij is immers alwetend. Hij is ook alomtegenwoordig. Waar Adam is, is Hij ook. Hoe kan Hij dan vragen: Waar zijt gij? Inderdaad is dat wonderlijk. Maar de bijbel staat nu eenmaal vol wonderen. En als ze er niet in stonden, hadden we er niets aan. De natuurlijke kennis van God kan u niet zalig maken.
Wij leren God 't best kennen, als Hij tegen zichzelf en zijn natuur schijnt in te gaan. Als we merken: God doet anders dan wij dachten. En God kan anders dan wij meenden. Dan merken we, dat er niet alleen een wereld is, maar dat er ook een God is, die z'n laatste woord nog niet gesproken heeft. Wij zijn niet met z'n tweeën: wij en de wereld, gelukkig niet. Wij zijn met z'n drieën: wij en de wereld en God. 't Lijkt of God achteraan komt. En 't wondere is dat Hij zich met die plaats tevreden schijnt te stellen. Hij is de Schepper, alomtegenwoordig en alwetend, en Hij vraagt ons: Waar zijt gij? Hij is eeuwig en onveranderlijk. En Hij wordt geboren op de wereld als de wereld er al is. Ik geloof in Jezus Christus, Gods eengeboren Zoon, onze Heer. Dat Evangelie moeten wij laten staan, met al z'n ergernissen en dwaasheden.
Als we God achter de wereld schuiven, en achter het wereldraadsel een nog groter raadsel denken, dat God heet, om Hem de eerste plaats te geven, dan hebben we met al zijn alwetendheid en alomtegenwoordigheid niets aan Hem. God kan anders dan wij denken. Hij is eenvoudiger dan wij. Hij is een éénvoudig wezen. Nog anders dan artikel 1, wordt Hij kind in de kribbe, heilig-onnozel. Hij vraagt u: Waar zijt gij?
Dit was al de tweede keer dat Adam God hoorde, nadat hij gevallen was. Vers 8: En zij hoorden de stem van de Here God, wandelende in de hof, aan de wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijn vrouw voor het aangezicht van de Here God, in het midden van het geboomte des hofs.
Hier hebben wij die God, die achter de wereld staat, eeuwig en alomtegenwoordig. Hij is in het paradijs, maar ook daarbuiten. Hij is in de hemel, maar ook in de hel. Adam kan Hem niet ontlopen. Maar dat troost hem niet; het verschrikt hem: hij verbergt zich. Hij is bang voor die God. Hij schuilt weg achter de wereld, achter het gebladerte. Hij wenst dat de schaduw der wereld hem voor God bedekken zal. Hier is het nog een boomblad. In het einde, zegt Jezus, zal het zijn: Bergen, valt op ons en heuvelen, bedekt ons (Lk. 23 : 30). Tegenover die eerste God, die is eer de bergen geboren waren en de aarde uit niets was voortgebracht (Ps. 90 : 2), moet de mens achter de wereld schuilen. Indien wij niet op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle schepselen (vgl. 1 Kor. 15 : 19).
Maar nu spreekt God ten tweeden male anders dan wij dachten dat Hij kon. In de wedergeboorte vraagt Hij: Waar zijt gij? Zozeer is Hij God, God, dat Hij u dat vraagt? Hij weet niet waar gij zijt! Op natuurlijke wijze weet Hij het. Maar komende in de wereld, niet als de eerste maar als de laatste, niet als de onbewogene en alles bewegende, maar als de bewogene, de Vader van onze Here Jezus Christus, weet Hij het niet.
"Als ik dit wonder vatten wil, ⚑staat mijn verstand vol eerbied stil."
Terwijl gij achter de wereld staat, in de grote schaduw van alle dingen, terwijl de buitenste duisternis achter u gaapt, vraagt Hij, de Omega, de Laatste, degene die komt en geboren wordt in de wereld, God, te prijzen in alle eeuwigheid: Waar zijt gij? Er wordt naar u gevraagd. Hoort gij de stem van de Herder Israëls, die het verlorene zoekt? Komt dat zijn goddelijkheid te na, dat Hij die plaats niet kent? Dat Hij vragen moet: Waar zijt gij? Moet Hij daar verstand van hebben?
Wij verstaan deze dingen wel. Wij kennen de schaduwen, die de wereld werpt. Het kind voelt lichamelijk de natuur van het donker. In de geschiedenis en het leven leren we het zedelijk en geestelijk kennen. Het is ongelooflijk dat het duister zo diep kan zijn. En toch schuilen we erin, opzettelijk en vaak met koel overleg. We maken er ons element van. We geven God de eerste plaats, maar wij gaan precies aan de andere zijde in de wereld, in de schaduw. En proberen van de schaduw eigen gestalten te maken, te scheppen.
In deze duisternis komt God met het Evangelie en roept: Waar zijt gij? Wat zullen wij daarop antwoorden? Adam heeft geen regelrecht antwoord gegeven. Hij verschuift zich in zijn antwoorden voor de vragen van God. Hij gaat achter Eva staan, en Eva achter de slang. Maar de wand is dun en het Woord Gods kan ertussen komen. Datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen (Gen. 3 : 15). Adam is ontdekt. Het is een vraag van solidariteit geworden. Het wordt er één van plaatsbekleding.
Wat moeten wij antwoorden op de vraag: Waar zijt gij? De profeten hebben elkaar het antwoord voorgezegd - door de geschiedenis gedragen. Er is maar één goed antwoord: Zie, hier ben ik (1 Sam. 3 : 4). Of: Christus,
"mijn ziel, U opgedragen, ⚑wil U alleen behagen."
Dat is een ontzaglijk antwoord. Midden in de duisternis te zeggen: Hier. En dat tot God te zeggen. Maar het is wedergeboorte. En als Hij het gevonden heeft, legt Hij het op zijn schouders, verblijd zijnde (Lk. 15: 5). Zonder het wonder van de vraag van het Evangelie, zonder het wonder van het antwoord van het geloof, gaat het niet. Tenzij iemand wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien (Joh. 3 : 3). Op natuurlijke wijze kan het niet. Dan vraagt God niet. Hij weet alleen maar. En zijn kennis verbrandt u hart en nieren. En op natuurlijke wijze leert ge geen 'hier' zeggen. Ge eert God achter de wereld, maar zorgt daarbij zelf, dat ge aan de andere kant blijft. Geen belijdenis.
Wat zullen we zeggen, als we dat 'hier' niet uitspreken? Niet als antwoord op Gods vraag? Als we zelf de vraag stellen en zelf een antwoord geven? Welke plaats is het waar wij zijn? Als we 't elkaar vragen? Waarom is deze wereld, zoals ze vandaag is? Durft ge een catechismus van de wereld opstellen, zonder Christus erin? Twaalf artikelen van Communisme of Fascisme of hoe dan ook, zonder het kruis, zonder het vragen van God, de alwetende, die ook nog vragen moet, omdat Hij het duister niet verstaat? Zonder dat ene: Waar zijt gij?, en dat andere: Hier ben ik -? Eigendom van Christus.
Waar zijt gij? Er wordt naar u gevraagd. In dat 'hier' liggen enige consequenties:
Ten eerste: 't is een plaats van kruis.
Ten tweede: 'hier' is niet: hier ben ik en blijf ik. Er zit ontkenning en ascese in. Ten derde: 't is plaats der verzoening. Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, vergadering van de einden der wereld.
De vraag dwars door de wereld.