O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Exodus 20 : 2LarenDeuteronomium 18: 18 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 200–201

Exodus 33 : 19

Doch Hij zeide: Ik zal al mijn goedheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal de naam des Heren uitroepen voor uw aangezicht, maar Ik zal genadig zijn, wie Ik zal genadig zijn, en Ik zal mij ontfermen, over ⚑wie Ik mij ontfermen zal.

Exodus 33 : 19

Advent. De verschijning Gods in Jezus Christus. In de Heiland der wereld. Wij keren terug in de cirkel der christelijke feesten. Wij kunnen niet voortgaan, zonder weder te keren. Wij lopen rechtuit in de dood. Wij moeten stil houden en God moet ons opnieuw zeggen dat Hij met ons meegaat. Wij hebben onszelf beelden gemaakt, verkeerde gedachten over God. En zo kan het niet voortgaan. Zo komen wij niet in 't beloofde land. God moet opnieuw met ons meegaan. Dat is de betekenis van 't kerkelijk jaar.

In het Evangelie is het program van het Koninkrijk der hemelen afgekondigd. Jezus zal koning zijn en zijn discipelen zullen Hem daarbij dienen. Maar het koninkrijk komt niet; Jezus wordt gekruisigd. In plaats van het koninkrijk komt er een kerk. En in de kerk gaat God ons voorbij in Jezus Christus. Zijn volle openbaring in de wereld wordt ons niet getoond. Wij zouden die niet kunnen verdragen. Maar als in een spiegel zien wij Hem.

Dit Evangelie lezen wij reeds in het boek Exodus. Israël is uit Egypteland uitgeleid. Mozes brengt hen bij de berg Sinaï. Daar zullen ze Gods wet ontvangen, en een verbond met Hem sluiten. Zij zullen zijn volk zijn en Hij zal hun God zijn (vgl. Lev. 26 : 12). Maar terwijl Mozes op de berg is, dwingen de Israëlieten Aäron om een gouden kalf te maken. Ze geven hun sieradiën om ze in de smeltkroes te werpen. En als Mozes terugkomt, vindt hij een volk dat danst om het gouden kalf. Ze hebben zichzelf goden gemaakt. Dan ontsteekt de toorn des Heren, en Hij dreigt het volk te verdelgen, en uit Mozes een nieuw volk te verwekken (Ex. 32: 10). Maar dan zien we de middelaar van het Oude Testament in zijn kracht. Hij pleit voor Israël en stelt God voor, hemzelf uit Gods boek te delgen (Ex. 32 : 32). Wil God Israël niet vergeven, dan wil Mozes ook niet meer in Gods bondsboek staan.

God laat zich door Mozes verbidden, en Hij draagt Mozes op het volk toch naar Kanaän te leiden. Maar Hij zal zelf niet meegaan. Hij zal een engel voor hen zenden (Ex. 32 : 34). Toen het volk dit hoorde, droegen zij leed, en legden hun sieraden af (Ex. 33 : 4). En dan volgt het in onze tekstwoorden beschrevene.

Mozes houdt een roerende pleitrede. God zegt: Voer dit volk op. Maar God wil zelf niet meegaan. Mozes ziet hier tegenstrijdigheid. Als hij genade heeft gevonden in Gods oog, dan moet God hem ook laten weten, wie er meegaat. Laat God hem zijn weg laten weten, en laat hij God mogen kennen, dan weet hij dat Gods vergeving ernst is. Dan: Zou mijn aangezicht moeten meegaan om u gerust te stellen? Mozes: Indien Uw aangezicht niet meegaan zal, doe ons van hier niet optrekken. Als God meegaat, dan zullen ze weten Gods volk te zijn, afgezonderd van de anderen. God zegt: Ook deze zaak, die gij gesproken hebt, zal Ik doen.

Dan zegt Mozes: Toon mij nu Uw heerlijkheid. Doch Hij zeide: Ik zal al mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal de naam Jehova uitroepen voor uw aangezicht; Ik zal genadig zijn, die Ik genadig zal zijn, Ik zal mij ontfermen over wie Ik mij ontfermen zal. Dat is de verklaring van de naam Jehova. Ik zal zijn, die Ik zijn zal (Ex. 3 : 14). Gods aangezicht zal hij echter niet zien, en leven. Hij moet zich op een plek in de steenrots stellen. Dan zal de heerlijkheid Gods voorbijgaan. Mozes zal in een kloof der steenrots staan en God zal hem met zijn hand overdekken, zolang Hij voorbijgaat. Als Hij zijn hand wegneemt, is Hij voorbij. Hij zal Hem van achteren mogen zien; niet zijn aangezicht (Ex. 33 : 12-23).

Wat hem zal bijblijven, is het Woord, de Naam, het Jehova: Ik zal zijn. Ik zal genadig zijn, die Ik zal genadig zijn. Ik zal mij ontfermen, over wie Ik mij ontfermen zal.

Het is een aangrijpend verhaal, een Evangelie. Jezus Christus is het Woord. Wij zien de heerlijkheid Gods niet. Wij zouden die niet kunnen dragen. Wij horen het Evangelie. God dekt ons met zijn hand. Intussen horen wij de naam des Heren uitroepen. Ik zal genadig zijn, die Ik zal genadig zijn. Ik zal mij ontfermen, over wie Ik mij zal ontfermen. De verkiezende genade Gods. Jezus Christus. Wij zouden rechtuit willen gaan naar 't Koninkrijk. Wij zijn leden van de kerk. Daarin zit terughouding, herhaling, tempering, wachten. Maar ook veiligheid. Gods hand. Zaligheid. Jezus Christus. De barmhartigheid. De vrije verkiezing. Gods toegeven op 't gebed.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Exodus 20 : 2LarenDeuteronomium 18: 18 →