O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Romeinen 15 : 13Laren1 Korinthiërs 3 : 16 en 17 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 372–374

1 Korinthiërs 3 : 16

Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont?

1 Korinthiërs 3 : 16

Paulus stelt deze vraag aan de gemeente van Korinthe. Hij heeft een bepaalde aanleiding. Daarop gaan wij nu niet in. Bij een andere aanleiding spreekt Paulus dezelfde gedachte uit, in hoofdstuk 6 vers 19 en elders. Wij zien nu af van die bepaalde aanleiding.

Dat de gemeente Gods tempel is, was bij de eerste christenen een vurige, blijde belijdenis. Vroeger gingen ze naar een tempel. Tempelen met handen gemaakt (Hand. 17 : 24). Nu niet meer. Zij komen nog wel bij elkaar, maar dan wachten ze erop dat Jezus in hun midden zal komen door zijn Geest. Aan de avondmaalstafel roepen zij om die Geest. Dat is de vorm der christelijke gemeente. Zij zijn Gods tempel en Jezus komt onder hen en woont daar. Daarop beroept Paulus zich: Weet gij niet?

Wij vergeten dit vaak. Bleke beelden. Voor tempels komen kerken. Dat de gemeente zelf een tempel Gods en woonstede des Geestes is, wordt vergeten. De beeldenstorm in de kerken is niet voldoende. Beeldenstorm in de gemeente en in de harten.

Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in u woont? Is deze oud-christelijke waarheid onder u levend? Voor deze waarheid is Jezus gekruisigd. God wilde in onze harten wonen en in ons midden. Aanbidden in Geest en in waarheid (Joh. 4 : 24). Daarvoor is Stefanus gestenigd. Daartoe is de Heilige Geest uitgestort. Weet gij dat?

De Vader van onze Here Jezus Christus heeft zichzelf op zijn Zoon als hoeksteen een huis gebouwd. Levende stenen (1 Petr. 2 : 5 v.). Hij wil wonen in het lichaam van Christus. Dat is grote liefde en barmhartigheid. Het betekent voor God veel werk: herschepping.

God wil onder mensen wonen, zondaren, ellendigen; in ons zijn en wezen, zonden en ongerechtigheden, zuchten en zorgen, lijf en leden (1 Kor. 6 : 19). Zie maar naar de evangeliën: tollenaars en zondaren, armen en verlorenen, doven en blinden, lammen en doden. Dat is de tempel, waarin God wil wonen.

In deze tempel vindt de heerlijke ruil plaats tussen de rijke Heer en de arme zondaar. Wat zullen wij God aanbrengen? Goud, wierook en mirre, als de drie koningen Jezus brachten (Mt. 2 : 11)? Het geeft niet veel. Jezus had later geen hoofdkussen en geen woning. Hij versmaadt een huis met handen gemaakt. God woont op een andere manier dan wij.

Gij kunt niet anders dan Hem uw zonden aanbrengen. Voor iedere zonde die vergeven wordt, komt er een kamertje open voor de inwoning des Geestes. Het geloof is geen verstandelijk ding. Het is afstaan van de zonde aan God, in Christus, door de Heilige Geest. Wanneer God niet kan inwonen, als de gemeente geen tempel is, dan komt dat omdat het hart de zonde niet loslaat.

God ruilt om in zijn tempel te komen. Voor zonden, die wij loslaten en die vergeven worden, geeft Hij geloof, hoop en liefde. Hij geeft psalmen en gezangen, belijdenis en gebed. En op en onder de lofzangen Israëls woont de Here dan (Ps. 22 : 4). Maar dat is hemels! Dat is al de hemel op aarde. Deze ruil is wat de psalm zingt: "Gods verborgen omgang vinden", enzovoort. Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont? Dat wist de oude christelijke gemeente.

Wanneer het God om een rustige woning te doen was, dan... Maar die rust zoekt Hij niet. Jezus rust uit bij Zacheüs de tollenaar, bij de Samaritaanse vrouw en Simon de melaatse, tussen de scharen, de vijfduizend. Hij zoekt een plaats in hun geloof, in hun liefde. Daar is de troon van God. Jezus heeft zijn heerlijkheid verlaten om daar door zijn Geest te wonen. Majesteit, Godheid, genade, Geest. Dat is de christelijke gemeente. Dat is de nieuwe schepping. Dat is het nieuwe Israël.

Hierin ligt een grote troost. Wanneer wij de wereld overzien, lijkt hij ongeschikt voor Gods woning. Maar voor zulk een wereld is Jezus op aarde gekomen. In de prachtige tempel te Jeruzalem heeft Hij alles ondersteboven gekeerd (Mt. 21 : 12 v.). In deze verwarde wereld wil Hij alle dingen wederom bijeenvergaderen en wederom oprichten.

Kan de ruil niet meer plaatshebben? Wij denken menselijk van God, en wij denken niet menselijk genoeg van Hem. Hij is mens geworden, en woont door zijn Geest onder mensen. Mensen zoals nu. Dat is de plaats zijner inwoning.

Weet gij dat? Is dat het ABC van uw christendom? Is er in uw aardse gedachten, uw dagelijks doen, uw natuurlijk leven, uw zondig bestaan iets opgedoemd van een besef, een schemering, een mosterdzaadje van geloof, dat dat leven niet ledig is, maar dat het een bewoond huis is, een huis Gods, een tempel? Dat gij, met uw stenen hart, uw bestaan van pottenbakkersklei, uw onaandoenlijk gemoed, uw leven vol sleur, uw gedachtenloos daarheenleven, dat gij uitgekozen zijt om als levende stenen saamgevoegd te worden tot een geestelijk huis, waarin God wil wonen? Wanneer dat het geval is, wordt uw ziel wakker. Gij wrijft u de doodsslaap uit de ogen en laat Christus over u lichten (Ef. 5 : 14). Hoe hard en hoe vaak moet God roepen, dat gij 't horen zult? Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont?

Dat is een ontzaglijke verantwoordelijkheid. Zo iemand de tempel Gods schendt, die zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt (1 Kor. 3 : 17). In ieder verbond zijn twee delen begrepen. Gods deel is de inwoning der barmhartigheid. Wat is ons deel? De zonde te meerder maken? Paulus vraagt het. De tempel Gods schenden?

Welk een heilige zaak is de inwoning Gods in de gemeente: het geweten scherpen, gewennen aan Gods tegenwoordigheid, letten op zijn wil en werken, zijn Woord en gebod. De Heilige Geest is een Heilige Gast, die geëerd moet worden. De zonde tegen de Heilige Geest is de zwaarste zonde (vgl. Mt. 12 : 31 v.).

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Romeinen 15 : 13Laren1 Korinthiërs 3 : 16 en 17 →