O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 1 Korinthiërs 3 : 16Laren1 Korinthiërs 12 : 27 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 374–376

1 Korinthiërs 3 : 16 en 17

Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont? Zo iemand de tempel Gods schendt, die zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt.

1 Korinthiërs 3 : 16 en 17

De tempel Gods, die de apostel hier bedoelt, is de gemeente. God woont niet meer in tempelen met handen gemaakt (Hand. 17 : 24). Dat meenden de heidenen; en ook de Joden dienden Hem, al wisten ze wel beter, nog te veel op die wijze. Daarom werd hun tempel hun ontnomen.

De Vader van onze Here Jezus Christus die wij dienen, heeft een andere wijze van inwonen. Hij woont in de gemeente van zijn Zoon, in het lichaam van Christus, zoals het genoemd wordt (1 Kor. 12 : 27). In de harten der gelovigen, in hun gedachten, woorden en werken, in hun zijn en wezen, hun zuchten en zorgen, hun lijf en leden ook. En niet alleen in ieders leven afzonderlijk, maar ook in het geheel; in wat de gelovigen met elkander zijn en zoeken, in hun geloof, hoop en liefde, hun psalmen en gezangen, hun belijdenis en gebed, hun lijden en hun strijden. In die hele geschiedenis, waarin dat alles een plaats heeft. In de profeten en martelaren, de apostelen en evangelisten, de kerkvaders en reformatoren. Dat alles is een grote geestelijke tempel, waarin God wil wonen.

Wanneer het God om een rustige woning te doen was, dan woonde Hij beter in een huis met handen gemaakt: in een stenen tempel, tussen ceder- en goferhout, goud en zilver, wierook en mirre. Dat hebben de Wijzen uit het oosten Jezus bij zijn geboorte ook aangebracht (Mt. 2 : 11). Maar wij merken er later niet veel van dat Hij het heeft. Daarom moet men wat wantrouwend zijn, als men Jezus aantreft in tempelen, zoals in de roomse kerk, waar dat alles rijkelijk is.

Die rust zoekt God niet in zijn tempel. Hij zoekt te wonen in de harten en levens van mensen, met zijn Heilige Geest, de Geest van Christus, die ook steeds een plaats zoekt onder de scharen, om zich daar een woning te maken in hun geloof en een plaats in hun liefde. Psalm 22 zegt het al: Gij woont op de lofzangen Israëls (vgl. Ps. 22 : 4, Leidse Vert.). Boven op de top van hun lied. Daar op die onrustige plaats, waar het zuchten en zoeken, maar ook het loven en prijzen der gemeente uitslaat naar boven, daar is de troon van God.

Jezus heeft de heerlijkheid verlaten, die Hij bij de Vader had. En Hij heeft onder ons gewoond, en naar zijn majesteit, Godheid, genade en Geest woont Hij nog onder ons. Door zijn Geest woont Hij in de harten der gelovigen en midden onder hen.

Welk een grote liefde schuilt er in die keuze Gods des Vaders, in Jezus Christus zijn Zoon, door de Heilige Geest, om onder ons in die bewogen tempel te willen wonen. Waarom heeft God zijn rust niet gehouden, en zich met het grote avontuur dezer wereld ingelaten? Weet gij niet wat dat zeggen wil, als ge uw courant leest en denkt aan het wereldbeloop? Is dat rustig wonen in zo'n huis? Waarom wil God er wonen? Zoudt gij het willen, als gij de hemel tot uw beschikking hadt? Waarom heeft God alzo lief de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft om zondaren zalig te maken (Joh. 3 : 16; 1 Tim. 1 : 15)? Zoudt gij uw zoon zulk een werk opdragen? Waarom zendt Christus zijn Geest onder zondige mensen? Kon Hij er geen plaats voor vinden onder heilige engelen?

Welk een grote barmhartigheid is er in Gods wonen in zijn tempel. Daarom zegt Hem een iegelijk ere (Ps. 29 : 9)! Loof de Here, mijn ziel! en al wat binnen in mij is, zijn heilige Naam (Ps. 103 : 1)!

En nu komt die tere en benauwende vraag: Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont? Weet gij welk een barmhartigheid, welk een opgeven van hemelse en eeuwige rust, welk een afstand doen van schone harmonie, welk een opname van een hoekig en zwaar kruis er schuilt achter dat: Weet gij dat gij Gods tempel zijt?

Voor God is het geen eer. Voor u betekent het eeuwig leven. Weet gij dat: dat uw Doop, uw belijdenis, uw lid van de gemeente zijn, dàt betekent? God blijft niet staan bij de afspraak. Hij wil de Plaatsbekleder worden.

Het Nieuwe Testament: Jezus en de apostelen. De Zoon en de Heilige Geest. De rechtvaardigmaking en heiliging. Het geloof, de hoop, de liefde.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 1 Korinthiërs 3 : 16Laren1 Korinthiërs 12 : 27 →