O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← 1 Korinthiërs 3 : 16 en 17Laren1 Korinthiërs 15 : 25 en 26 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Laren · p. 376–377

1 Korinthiërs 12 : 27

En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder.

1 Korinthiërs 12 : 27

Het Heilig Avondmaal wijst op een verborgenheid: de gemeenschap van Christus en de gemeente. De gemeente heet het lichaam van Christus in haar geheel, en de gelovigen zijn zijn leden in het bijzonder. Zulk een verborgenheid moet het christelijk leven zijn. Het moet om zich heen hebben de goddelijke geheimenissen, waardoor het geboren en in stand gehouden wordt.

Elk geloofsartikel is een verborgenheid. In zulk een waarheid moet men ingeleid worden. Het moet zijn volheid voor ons opendoen. Het mag niet alleen een verstandelijke waarheid zijn; ook niet alleen een doen, maar een verborgen weg. Al onze geestelijke verrichtingen zijn krachteloos, als zij niet uit die verborgen grond haar krachten trekken. Uw geloof: de waarheid Gods. Uw hoop: de wederkomst van Christus. Uw liefde: de liefde van Christus tot ons.

Het lichaam van Christus: dat is hetzelfde lichaam dat voor ons aan het kruis heeft gehangen; het lichaam dat helse kwalen geleden heeft; het lichaam dat in het graf geleden heeft; dat ten derden dage is opgestaan, en ten hemel is gevaren, en nu zit aan de rechterhand Gods.

Het is dat geestelijke lichaam, waarheen wij onze harten opwaarts heffen: sursum corda. En als wij onze harten opwaarts heffen, dan zijn wij gewillig met Hem het kruis te dragen. Welk een grote zaak, als ons kruis met dat van Christus verbonden wordt. Welk een achtergrond, welk een vertakkingen heeft ons kruis dan in dat grote kruis. Het krijgt deel aan de verzoening, aan de plaatsbekleding. Dan is het niet meer alleen een lot, maar ook een werk, een daad.

Dat lichaam van Christus is gestorven, het heeft de dood gekend. Onze dood is opgenomen in dat sterven van de Heer. Maar wie tot het lichaam van Christus behoort, zal ook met Hem opstaan, ten hemel varen, en kan het hart nu reeds tot in de hemel tot Hem opwaarts heffen. Dat is de verborgenheid die het Avondmaal inhoudt.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← 1 Korinthiërs 3 : 16 en 17Laren1 Korinthiërs 15 : 25 en 26 →