Kerk of Tempel1
In nr. 12 van deze jaargang heeft mr. Vonk, naar aanleiding van mijn opmerkingen in nr. 4, een zeer lezenswaardig artikel gegeven over Heiligheid in het puin. Dit acht ik zeer verblijdend, omdat de 'cardo quaestionis' daardoor aanmerkelijk beter in het gezichtsveld is komen te liggen. Het spel wordt gestaakt en het wordt volle ernst. Voor de zon komt het Woord in de plaats. Ik ga daar volledig op in en laat alles, wat enigszins terzijde ligt, rusten; zoals de 'ratio scripta' en de existentiefilosofie. Ik ga zelfs niet weer bij mijn landhek staan, ofschoon ik even moet opmerken, dat mr. Vonk daarachter in dit geval geen idylle had mogen zoeken.
Laat mij daarom mogen beginnen met te trachten een positie op te ruimen, die mr. Vonk, en velen met hem, hinderlijk is met het oog op een vruchtbaar gesprek. Wanneer hij verklaart enkele opmerkingen te zullen maken "ten overstaan van de doctores der kerk", dan zit er een misverstand. ik ken wel doctores in de theologie, zoals zij er ook zijn in de rechten. Maar onze kerk kent ze niet en ik hoop hartgrondig dat zulks ook nimmer het geval zal zijn. Tegenover het Woord Gods staan wij allemaal gelijk en leken zijn er niet. Uit intuïtieve afkeer van het doctoraat in de kerk heb ik in mijn meer dan veertigjarige ambtsbediening nooit een toga gedragen. Toen Creutzberg2 mij eens uitnodigde in de Duinoordkerk te preken, kon ik over mijn liturgische bezwaren heenstappen, maar de verplichte toga bleef een beletsel. In de kerk heeft niemand de waarheid in pacht en de glimlach der auguren is er een overtolligheid. Hiermee is, geloof ik, de weg naar ons onderwerp wel vrijgekomen.
De heiligheid wordt in dit nieuwe artikel van mr. Vonk sterk vergeestelijkt. "Het is geen heiligheid krachtens zon of orgel. Het is een heiligheid bij de genade van Christus", schrijft hij. "De kathedraal kan een schuur met reten zijn en het orgel een hijgend harmonium. Het hart gaat echter uit naar 'machtig veel volks' (Ps. 35)." Dat lijkt op een gereformeerde evangelisatie. Voor de zon wil mr. Vonk hier, nu hij meer betogend schrijft, ook wel het Woord substitueren en de liturgie als dienst des Woords bepalen - En deze dienst is niet 'numineus', zoals het orgel als 'achtergrond van de ganse liturgische handeling' (Van der Leeuw)3 soms wel is, maar bevat 'een plan Gods', een 'geopenbaarde orde van het heil'. "De liturgie is getuigenis van deze orde, waarin wij gesteld zijn." In dit gebouw, dit vast bestek Gods, vindt mr. Vonk het 'huis des Heren' uit de Psalmen.
Hoezeer door deze reconstructie de verhoudingen veranderen, blijkt wel heel duidelijk hieruit, dat mr. Vonk, wanneer hij de karikaturen beschrijft, die van dit 'huis des Heren' getekend kunnen worden, daaronder ook noemt: "theologisch geconstrueerde sacrale ruimten... waarin men de gesneden beelden van zijn dogmatiek heeft geplaatst". Niemand zal daarin een misrekening van een 'huis des Heren' als geheel van liturgische plaatsen en handelingen kunnen terugvinden. Het is de karikatuur van iets geheel anders. En dat andere vind ik beschreven in Efesiërs 2 : 21, waar Paulus schrijft: "Op welke het gehele gebouw, bekwamelijk samengevoegd zijn de, opwast tot een heilige tempel in de Here."4 Mr. Vonk denkt hier aan de redelijke godsdienst (= eredienst), waartoe Paulus de christenen te Rome opwekt en die niet meer bestaat in bloedige offeranden, maar in offers met woorden, varren der lippen, zoals zij reeds in het Oude Testament genoemd worden (Hosea 14 : 3).
Het is zonder meer duidelijk, hoe deze vergeestelijkte liturgie identiek wordt met de dienst des Woords en het is dan ook geen wonder, dat mr. Vonk geen onderscheid meer ziet en de namen wil verwisselen. Maar voor de zuiverheid van het liturgisch gesprek moet daarvan dan wel zeer nadrukkelijk akte genomen worden. Want ook degenen die de kansel in het middelpunt willen behouden en die een min of meer gecamoufleerd altaar willen blijven weren, denken er niet aan, de preek van de overige bestanddelen van de dienst des Woords te isoleren en haar daardoor tot een lezing te laten verschrompelen. Zij wensen alleen, dat een mogelijke herbouw of uitbouw van onze liturgie, en daarmee ook van onze kerken theologisch (inderdaad theologisch!) verantwoord zal zijn. Zij verlangen te blijven bij het redelijk, in woorden zich uitdrukkend, karakter van ons verkeer met God, zoals Paulus dat wil, als hij schrijft dat de heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus naar ons toegekeerd is in de prediking (2 Kor. 4 : 5 en 6). En zij willen zich door Calvijna laten herinneren, dat God zich in de spiegel der prediking altijd zo aan de vaderen heeft vertoond, dat de kennis geestelijk was. Daarom noemde Hij de tempel, zegt deze hervormer, niet alleen zijn aangezicht, maar, om alle bijgeloof te vermijden, de voetbank zijner voeten (Ps. 132 : 7). Alle tempels, die de heidenen God bouwden met een andere bedoeling, dienden louter tot profanering van zijn eer, omdat God de tempels alleen door zijn Woord tot wettig gebruik heiligt. Tot die profanatie zijn, volgens Calvijn, ook de Joden enigermate vervallen, zoals Stefanus hun verweet.
Wanneer de tempels in de zin van Calvijn worden hervormd, noemt men ze niet meer met die naam, maar heten ze kerken. In een kerk toont God ons zijn aangezicht niet rechtstreeks, niet numineus- mr. Vonk ziet dit zeer juist in - maar door het medium van zijn Woord. Kerken zijn de tempels van het vleesgeworden Woord. En dat Woord toont ons zijn aangezicht weer niet regelrecht, maar door het medium der prediking en de verlichting des Heiligen Geestes.
Heel merkwaardig hoorde ik juist, op de jaarlijkse predikantenvergadering, dr. Banning of ds. Buskes5 - ik herinner mij dat niet precies - in naam van het puin, letterlijk en figuurlijk, roepen om de profetische en de koninklijke figuur in de kerk; de priester was er wel. Nu vertegenwoordigt de priester de liturgische handeling. De profeet en de koning staan voor het Woord en voor de daad.
Wanneer dit ook de bedoeling is van mr. Vonk - en ik wil dat gaarne aannemen - dan brengt dat consequenties mee. Men kan niet van twee wallen tegelijk eten. Wanneer hij wil dat de theologen (alweer die theologen; in de kerk zijn geen theologen); wanneer hij dan wil dat 'ieder het puinland kon ondergaan', dan moet hij er rekening mee houden dat uit 'de Heilige Schrift', die dat meebrengt, meer een roep om het Woord en de daad geboren wordt, dan om meerdere liturgie. Ik zelf zag in de Paasnacht van 1945 vanuit een kelder mijn pastorie tot een puinlaag worden, terwijl de kerk een sterrendak kreeg.6 Ik heb het puinland ondergaan.
Mr. Vonk i's in zijn tweede stuk niet meer de knaap, die hij in het eerste was. Zon en orgel zijn op de achtergrond gekomen. Hij draagt nu de toga virilis en die is hem gaarne gegund. Zijn visie op het 'huis des Heren' is, in verband daarmee, verinnerlijkt en vergeestelijkt. Het is moeilijk om deze visie te onderscheiden van wat ik hier als de leer van de Psalmen, van Paulus en ook van Calvijn voordroeg. - Daarom zet ik de beide 'wallen', waarover ik sprak, hier tenslotte nog even duidelijk tegenover elkaar.
De vader der liturgische beweging in West-Europa, Newman, was van mening, dat de Puriteinen in Engeland ten onrechte van de kerkdienst een preek hadden gemaakt. Bij Doop en Avondmaal begonnen zij ook met een lang formulier, d.i. een lange preek. Zij dachten dat de genade, die de sacramenten meedeelden, bestond in levendige indrukken op het gemoed. - Oorspronkelijk echter, zegt Newman, dacht de kerkgangen niet aan zichzelf - hij kwam tot God - Gods huis en altaar waren de preek, die hem toesprak en die hem bewoog. Gods sacramenten waren de voorwerpen van zijn blikken. Woorden waren onnodig. De formulieren bij Doop en Avondmaal beschouwde hij als symptomen van liturgisch verval. Zij hadden de liturgische gebeden, teksten en responsoriën, kortom de gehele eredienst vervangen: woorden zijn in de plaats getreden van het liturgisch gebeuren.b
Dit is de ene wal. ⚑De andere heb ik, aan de hand van Paulus' brieven en Calvijns Institutie, hierboven getekend. Wat de sacramenten betreft, zegt Calvijn, na een aanhaling uit Augustinus: "Men ziet dat hij er prediking bij verlangt."c En "Wij verstaan, dat het sacrament nooit zonder voorafgaande belofte is".d En bij het Woord bij het sacrament moet men, volgens hem, niet denken aan een formule, maar aan een "gepredikt woord dat ons doet begrijpen, wat het zichtbare teken betekent".e
Dit verschil tussen Newman en Calvijn gaat door voor de hele dienst des Woords. Wij herinneren ons wat Newman opmerkte over de liturgische gebeden, teksten en responsoriën. Vormt dit liturgisch gebeuren de wanden van het 'huis des Heren', waarbinnen de woorden, de prediking, tot bescheidenheid moeten worden gemaand? Zijn Gods huis en altaar (hear!) de preek, en zijn woorden onnodig? Is het apostolaat een vergissing, omdat het het puinland toch niet aan kan, en moeten wij, evenals de Joden in het jaar 70, ons in een tempel verschansen?
Mr. Vonk zal antwoorden dat hij 'een woonstede Gods in de Geest' (Ef. 2 : 22) bedoelt. Inderdaad. Maar juist daarom zou ik hem dringend willen uitnodigen te bedenken, dat zulk een woonstede een kerk is en geen tempel. Daarmee is gezegd, dat het Woord en de Geest er regeren. Hoe geestelijken wij ons het 'huis des Heren' denken - en dat wil mr. Vonk - des te meer zal dat het geval zijn. De vaste bestanddelen van de dienst blijven, in vergelijking met het door de Geest gegeven gebed en met het in naam van Christus gesproken woord, toch steeds het karakter van dingen dragen. Zij doen dat alrede door de herhaling. Het eigenlijke gebeuren in de kerk is niet, zoals Newman meent, liturgisch, maar homiletisch. Het verloopt in wat Augustinus, met de onderscheiding van Cicero, noemt: leren, boeien, buigen.10 Het hart der kerkhistorie is, van Paulus tot Martin Niemöller en Kaj Munk,11 de geschiedenis der prediking.