Het zichtbare Woord1
De titel is ontleend aan Augustinus, de bekende kerkvader (t 430 n.Chr.). Calvijn nam die naam over.2 Augustinus zei er van: Wat zijn de sacramenten anders dan als 't ware zichtbare woorden?3 Het Woord komt bij de tekenen en dan wordt het een sacrament, het is ook zelf dan als 't ware een zichtbaar Woord.4 Hij onderscheidde daarbij het sacrament en de kracht van het sacrament.5 Het sacrament kan dus geldig zijn, ook als een ketter het voltrekt.6 Dan moet men denken niet wie het geeft, maar wat hij geeft.7 Het zichtbare Woord hoort tot de zichtbare kerk.8 De kracht van het sacrament wordt gesmaakt in de ware gemeenschap der heiligen. De beide sluiten elkaar niet uit.
Wanneer Calvijn zich daarbij aansluit dan wil dat niet zeggen dat de opvatting van Augustinus en Calvijn dezelfde is. De kerkvader vatte de sacramenten meer als een mededeling van kracht op, terwijl de kerkhervormers meer nadruk op de taal van het sacrament leggen.
Calvijn begint met te zeggen dat wij naast de prediking des Evangelies nog een ander hulpmiddel voor ons geloof hebben in de sacramenten.9 Verder zegt hij dat het sacrament nooit is zonder voorafgaande belofte.10 Het sacrament is als 't ware een zeker aanhangsel van de belofte. Om onze onwetendheid en traagheid allereerst en dan om onze zwakheid. Niet zozeer om zijn woord vaster te maken, als wel om ons daarin te bevestigen. Omdat wij zo aan 't stof kleven, wil hij ons ook door deze stoffelijke tekenen tot zich trekken. Wij zijn geen engelen, maar hebben een lichaam. Het gepredikte Woord moet erbij, om ons te doen begrijpen, wat het zichtbare teken inhoudt.11⌫ Met het Woord bedoelt Calvijn het met luide stem gepredikte Woord, de belofte. Dus niet iets dat in het teken verborgen is, maar wat er de uitleggen van is. Maar leren wij dan niets nieuws uit de sacramenten? vraagt Calvijn.12 Hij antwoordt: Zij hebben dit boven het Woord in 't bijzonder, dat zij ons de beloften naar het leven op het doek uitschilderen. Zij lijken ook op de zegels, die op een akte geplaatst worden. 't Zijn tekenen des verbonds.13
Calvijn haalt de uitspraak van Augustinus aan: Non quia dicitur, sed quia creditur.14 Calvijn wil aan de sacramenten niet toeschrijven, dat er als 't ware ik weet niet wat voor een verborgen kracht in zou liggen, waardoor zij vanzelf het geloof zouden bevestigen.15 De Heilige Geest bedient er zich van. Niet op natuurlijke wijze, maar boven de maat der natuur door een bijzondere genade. De sacramenten zijn wel van betekenis.16 Soms neemt God ze weg, als in 't paradijs als Hij de belofte wegneemt. Wij moeten echter met ons geloof niet aan de tekenen blijven hangen.
Calvijn wil zo tussen de Geest en de sacramenten verdelen, dat de kracht en de uitwerking bij de Geest blijven; de sacramenten de bediening daarvan hebben.17 Zoals wij zien door het licht en horen door het geluid. Degenen die in het sacrament een eigen kracht aannemen, verderven de zielen.18 Augustinus leerde, dat onder het Oude Testament de sacramenten heenwijzingen waren, maar dat zij onder het Nieuwe Verbond vervuld waren, zodat zij de genade meebrachten en de mens rechtvaardig maakten, als hij geen doodzonde beging. Dat was dan een rechtvaardigheid boven het geloof uit. Het sacrament brengt niet meer dan het Woord dat door het geloof moet worden aangenomen. Sommigen doen (aldus Augustinus) Christus aan tot aan de deelneming aan het sacrament, anderen zover dat ze geheiligd worden.19 Augustinus en Calvijn onderscheiden ook tussen het sacrament en de zaak.20 Hij zal leven die het met het hart geniet en niet met de mond alleen.
Calvijn vat het op deze manier samen.21 Christus is substantie van alle sacramenten. En Christus nemen wij aan door het geloof. Wij krijgen dus door het sacrament niet iets onbekends, buiten het Evangelie om, dat wij door wegblijven van het Avondmaal zouden kunnen ontlopen. Het is niet een bijzondere, aparte heiligheid, die ons op een wonderbaarlijke wijze zou worden medegedeeld. Zodat wij wel onder de preek zouden kunnen zitten en niet onder het sacrament. Men kan er aan deelnemen, zonder er door gesterkt te worden. Maar dat kan onder de prediking ook. Het ene is niet anders dan het andere. Alleen is de prediking hoorbaar. Het sacrament is een zichtbaar Woord. Het sacrament verliest daarbij zijn kracht niet, evenmin als het Woord ophoudt belofte te zijn. Augustinus schreef: Als gij het vleselijk aanneemt, houdt het niet op geestelijk te zijn, maar dan is het niet voor u.
God draagt zijn macht niet over aan enig orgaan, zodat het op zich zelf zou werken. Hij doet dat niet aan de kerk; Hij doet het niet aan de Schrift; Hij doet het niet aan de prediking; Hij doet het ook niet aan de sacramenten. En daarom mogen wij in dat opzicht ook geen onderscheid maken. Wie van het Avondmaal wegblijft, omdat hij meent dat het niet voor hem is, zou ook de Doop voor zijn kinderen niet moeten begeren. Hij zou ook het Evangelie niet moeten horen. Hij zou niet tot een kerk moeten behoren. Want de substantie van het sacrament is Christus, zoals Hij het ook is van de prediking en van de kerk.
Dit verkeerde onderscheid ziet men op allerlei wijze maken. Er zijn gemeenten waar men wel trouw kerkt en waar alle kinderen gedoopt worden, maar waar velen niet aan het Avondmaal deelnemen. De reden daarvan is veelal niet persoonlijk, maar gewestelijk. Het is eigen aan een bepaalde streek. Ik ken gemeenten, waar men de vrees voor sacramenten ook uitstrekt tot de Doop. Men liet de kinderen ongedoopt, zoals men zei, omdat men anders ook de beloften moest houden, die men dan moest doen. Maar in werkelijkheid was het dezelfde schroom die men ook had tegenover het Heilig Avondmaal. Althans men meed beide, terwijl men wel geregeld de kerk bezocht.
Nu zijn er kringen, waarbij men zulke bezwaren niet te ernstig behoeft te nemen. Dan is het gecamoufleerde onverschilligheid, die zich op den duur ook uitbreidt tot het kerkbezoek. De redenen die men opgeeft zijn dan vaak zo stereotiep, zo aan het spraakgebruik van de omgeving ontleend, dat de eigen persoonlijke overtuiging er niet mee te maken heeft. Zij betekenen dan: zo doen wij hier.
Maar het kan ook voorkomen dat de mijding, in het bijzonder van het Heilig Avondmaal, niet gepaard gaat met een bepaalde inzinking van het hele godsdienstige leven, maar dat het juist kerkvaste kringen zijn, waarin het voorkomt, waar ook inderdaad wel belangstelling is voor de geestelijke dingen. Ja, er zijn vrij uitgebreide streken in ons land, die wat vasthoudendheid aan de christelijke belijdenis betreft en de handhaving van de christelijke zede van betekenis zijn ook voor onze tijd. Er zijn zulke streken, waar de avondmaalsviering in verval is gekomen en het gebruik van brood en beker door de meesten schroomvallig gemeden wordt en waar hier en daar toch wel een zeker innig christendom bestaat.
Nu moet men bij zulke oordelen heel voorzichtig zijn. Enerzijds is hier soms alleen sprake van wat men een 'ligging' noemt, wat gepaard kan gaan met weinig bewust geloofsleven. Maar ook anderzijds is er een mystiek geloofsleven mogelijk, dat weliswaar te veel de uitwendige middelen versmaadt, maar dat toch een eigen waarde kan hebben als bestanddeel van kerkelijke vroomheid.
Het is bekend dat een van deze mystieke vromen, een vrouw in de gemeente Beesd invloed heeft gehad op dr. Kuyper en hem een groter inzicht heeft gegeven in de schatten van het gereformeerde geloofsleven.22
Ook ik heb in een mijner gemeenten een dergelijke vrouw gekend, die op het dorp een zeker geestelijk gezag had en een welsprekend getuigenis wist te geven vanuit een rijk en fijn gemoedsleven.
Men hoede zich in dit opzicht voor al te algemene en te haastige oordelen.
Men moet zeggen dat de onthouding van het Heilig Avondmaal door belijdende leden of vaak ook door mensen die nooit komen tot belijdenis doen, niet in de lijn van de reformatoren ligt. Dat weet ieder die het formulier voor de viering van het Heilig Avondmaal kent. Daarin wordt vermaand dat ieder zich van te voren recht beproeve. De zonden die een beletsel zijn voor het toegaan, worden opgenoemd. Dat sluit aan bij de leer der Rooms-Katholieke Kerk, dat wie in doodzonde is, van de genade is uitgesloten. Maar daarna komt dadelijk de opwekking, dat wij niet moeten menen dat niemand mag toegaan, dan die zonder enige zonde ware. Want dat wij niet tot het Avondmaal komen om dat te betuigen.
In de dagen van Calvijn was er te Genève de plicht om ten Avondmaal te gaan. Wie het verzuimde kwam onder de tucht. Dit ligt natuurlijk in de algemene kerkelijke lijn, van de oudste tijden af en later ook in de Rooms-Katholieke Kerk, waar de mis bezocht wordt om er aan deel te nemen. Het is de eigenlijke godsdienstoefening en de preek kwam in de middeleeuwen zeer in verval, of werd aan monnikenorden overgelaten. Kerkgaan was ten Avondmaal gaan.
Dit is bij de Reformatie in zoverre veranderd, dat de prediking in ere werd hersteld, waar het Evangelie toch eerst door Jezus en de apostelen gepredikt is. Maar men dacht er niet aan het Avondmaal die bijzondere afschrikkende heiligheid te geven, waardoor het alleen voor een klein aantal gelovigen zou zijn. Wie niet deelnam, kwam onder de tucht.
Wel was natuurlijk de beperking van het Avondmaal tot minstens vier zondagen in 't jaar een wijziging, die tot moeilijkheden licht aanleiding kon geven. De middeleeuwse christen was gewend in de mis elke zondag Avondmaal te houden. Welke plaats moest nu na de Reformatie datzelfde Avondmaal innemen, nu het een aparte viering werd, bijvoorbeeld viermaal in het jaar. Men beperkte zo sterk als reactie tegen de mis en ook omdat de prediking nu weer tot haar recht kwam. Maar deze verandering kon toch ook tot allerlei nieuwe houdingen tegenover dit sacrament aanleiding geven. Wanneer het Avondmaal dan bij uitzondering gehouden werd, leek het een handeling ook van uitzonderlijke heiligheid, bestemd niet voor allen.
Deze gevolgtrekking is overigens niet dadelijk getrokken. Te Genève, ik zei het al, was strenge avondmaalsplicht. En later in de kerken in de calvinistische landen eveneens.
Deze afwijking van de algemeen kerkelijke regel van alle christelijke eeuwen heeft zich onder bepaalde omstandigheden voltrokken.
Allereerst moet men in acht nemen dat in de leer der genade, zoals die zich met name van Augustinus af heeft ontwikkeld, de mogelijkheid van overspanning ligt, zodat de genademiddelen overbodig worden geacht. Augustinus onderscheidde, zoals wij zagen, tussen het sacrament en de kracht van het sacrament; tussen het eten en drinken met de mond en met het hart. Deze twee mogen wel onderscheiden worden, maar niet gescheiden. En toch kan dat gebeuren. Men kan vragen en vroeg ook: Waarom is het genademiddel nodig, als God toch de kracht aan zichzelf houdt? Hij kan het zo wel geven.
Bij Augustinus is het heil van eeuwigheid. Tegenover de kerk als het middel, komt de predestinatie, de eeuwige bestemming sterk naar voren.
Dit gaat ook door tot de sacramenten. Nu heeft de kerkvader ook de sacramentenkerk gegrondvest. En hij scheidt beide, de eeuwige en de historische kerk niet. Maar bij de sterke spanning van de voorbeschikking van eeuwigheid blijft hier de mogelijkheid van een mysticisme dat de historische kerk heel of half laat liggen en op de vrije genade gaat drijven.
Calvijn heeft ook de verkiezing heel sterk geleerd en zich bij Augustinus aangesloten, die bij geregeld aanhaalt in zijn Institutie. Door zijn strenge kerkorganisatie en de kerkelijke tucht is echter het gevaar bezworen, dat deze kerken enkel op de vrije genade zouden gaan drijven; waar anders wel gevaar voor zou geweest zijn, nu de roomse hiërarchie was weggevallen. Calvijn heeft echter in zijn Institutie een geheel boek gewijd aan de genademiddelen23 En men kan ook niet zeggen dat in de calvinistische landen over 't algemeen de uitwendige kerk en de sacramenten in verval zijn gekomen. Maar toch kan men het verstaan, dat hiervoor het gevaar bestond, als men twee dingen met elkaar in verband brengt. De uitzonderlijke positie van het Heilig Avondmaal, in het bijzonder na de Reformatie en de scherpe toespitsing van de leer der vrije genade bij Calvijn, in aansluiting aan Augustinus.
Zoals reeds gezegd, was de strenge organisatie der gereformeerde kerken een krachtig middel om ontsporing te verhoeden.
Nu is er in onze vaderlandse kerkhistorie behalve de Reformatie nog een verschijnsel bekend, dat men gewoonlijk aanduidt met de naam van Nadere Reformatie. Deze richting beslaat de gehele zeventiende eeuw. Deze Nadere Reformatie betekent een reactie op de leerstelligheid en verstandelijkheid, die zich, na de vestiging der gereformeerde kerk hier te lande, toen de tijd van de vervolgingen voorbij was en de kerk een heersende kerk werd, in sommige opzichten breed maakte. Dat deze Nadere Reformatie zulk een omvang heeft genomen en zo diep is doorgedrongen in onze Nederlandse vroomheid is betrekkelijk een gunstig verschijnsel. Het bewijst dat de Kerkhervorming niet een zaak is geweest van het hoofd, maar van het hart. Dat men niet tevreden was met een zuivere leer, maar dat men zocht naar de levende God. Bijna gelijktijdig met de Dordtse Synode, die een zeer belangrijke leerbeslissing bracht, zet deze beweging in en bewees, dat het te Dordt ook niet alleen ging om de leer, maar ook over de kern van het geloofsleven. Voorlopers waren de gebroeders Teellinck, Willem, predikant te Middelburg, en Ewoud, burgemeester van Zierikzee, die beiden reeds in 1629 overleden zijn. Willem is de schrijver van Sleutel der Devotie. Deze devotie of vroomheid hield verband met die der Engelse Puriteinen, die toen onder Jakobus en Karel 1 in hun lijdenstijd waren en waarin het optreden van Cromwell, in 't midden van die eeuw, zo bekend is.
Deze puriteinse beweging in Engeland, die zich tegen de staatskerk verzette, is van een zeldzame kracht en diepte geweest en heeft een literatuur voortgebracht, die ook in ons land in vertaling veel gelezen is. Nergens is misschien het werk des Heiligen Geestes in de harten meer geoefend en met indringender diepte beschreven.
Deze beweging werd daardoor gekenmerkt, dat ook het lekenelement aan de oefeningen deelnam en in 't algemeen naast de prediking een vorm van profetie zich openbaarde, waarbij de vrije gebedsvorm geoefend werd tegenover de formuliergebeden der staatskerk, en de bezielde door de Geest gedreven rede, tegenover de sierlijke, rustige kanselrede der episcopale amtsdrager. Uit deze beweging kwamen de Rondkoppen24 van Cromwell voort; ook Bunyan met zijn Christenreize25 en George Fox,26 een schoenmaker, de man met de leren broek, die in de kerken binnenliep en tegen de predikanten het woord nam als de Geest hem dreef. Hij was de eerste Quaker, zo geheten vanwege het beven als de Geest kwam.
Dit puriteinse geestesleven begint al in het midden van de zestiende eeuw bij 't begin van de regering van Elisabeth. Het heeft onder zware druk geleefd tot aan de Engelse revolutie in 1689 toe, behalve in de jaren van de opstand tegen Karel 1 en de regering van Cromwell.
Enkele beroemde namen noem ik: Whitaker, Perkins, Hooker, Taylor, Howe, Owen, Baxter, Bunyan.27
In deze kringen werd, voorzover zij zuiver calvinistisch bleven, het geestelijk leven geoefend in nauw verband met het Heilig Avondmaal. Aan de rand van de beweging echter kon de wind des Geestes zo sterk zijn, dat men de genademiddelen min of meer overbodig achtte. Het werd dan een persoonlijk bekeringsleven, waarop alles gezet werd. Zo is het bij de Quakers geworden, waar de uitwendige kerk en ook de sacramenten overbodig werden geacht. Gods Geest kwam tot ieder op zijn tijd. Dit is de leer van het innerlijke licht, die Robert Barclay28 in zijn Quakers-dogmatiek heeft beschreven.
Het valt te begrijpen, dat, bij het nauwe verkeer tussen Engeland en onze lage landen dat er in de zestiende tot de zeventiende eeuw bestond, grote invloed van het Engels spiritualisme op ons volk uitging. Trouwens ook bij ons ontstonden deze bewegingen spontaan, maar niet zo sterk, omdat het calvinisme hier de overhand had en niet tegen een staatskerk had te vechten.
De Engelse boeken zijn ontzaglijk veel vertaald en gelezen bij ons. En zij vonden - en dit is het belangrijke - zij vonden niet alleen hun weg naar de studeerkamers der predikanten, maar ook naar de woningen van boeren en burgers.
Dat deden natuurlijk ook - en nog meer - de werken van de Nederlandse piëtisten: de Teellincks, de werken van Theodorus en Wilhelmus à Brakel, Lodenstein, Ridderus en vele anderen.29 Ik bezit zelf ook nog tal van statige kwartijnen en aardige duodecimootjes, die mij toegekomen zijn krachtens erfopvolging uit de bibliotheken van huislieden, in wier woning deze lectuur tot het einde van de vorige eeuw nooit ontbrak, al werd zij toen reeds minder gelezen. Behalve de praktische geloofsleer en de ascetische of beoefeningslectuur bekleedt hieronder ook de voorbereiding en nabetrachting van het Heilig Avondmaal een grote plaats. Het zijn vooral handige duodecimootjes, die het genre vertegenwoordigen en zij vertonen vaak de sporen van een ijverig gebruik.
Deze Nadere Reformatie zoals zij dan in ons land wel genoemd wordt, droeg hier een ander en rustiger karakter dan in Engeland, omdat zij hier niet tegenover een staatskerk stond.
Toch doet ook hier deze beoefeningsleer verschillen zien met het oorspronkelijke calvinisme, dat een hervorming was van kerk en staat en maatschappij alle drie. Dat kreeg men in Engeland pas honderd jaar later in de zeventiende eeuw. Bij ons was het toen al rustiger en alles meer gevestigd.
De Reformatie had toen tijd en gelegenheid om nader te komen, naar binnen te gaan, te oefenen met de ziel, wat ook vaak z'n gevaren meebrengt.
Maar onze kerkgeschiedenis na Dordt is er vol van en onze literatuur rijk aan deze geschriften. Zij hebben op het geestelijk leven van ons volk grote invloed gehad. De schrijvers van kort na de Reformatie en Calvijn zijn ook later wel gelezen door degenen, die studeerden. In de belangstelling van de gemeenteleden stonden zij achter bij de schrijvers van de Nadere Reformatie.
Zo is het te begrijpen dat het zichtbare Woord, en dan natuurlijk vooral het Heilig Avondmaal in verschillende kringen ook in verschillend licht kon komen te staan. Waar het ging om 'het innerlijk christendom'30 in die zeer bijzondere zin, waarin het hier genoemen moet worden, werd het Heilig Avondmaal eigenlijk meer dan een zichtbaar Woord. Het werd door voorbereiding en nabetrachting centrum van een bekerings- en beoefeningsleven, zoals dat vroeger eigenlijk alleen maar in de kloosters gevonden werd. Het Piëtisme, zoals de vroomheid ook heet, oefent een inwendige ascese, nog sterker dan een uitwendige. Deze protestantse ascese grenst ook aan de middeleeuwse mystiek en heeft verwante trekken. Maar zij is er in allerlei graden en allerlei vormen. Van strenge leerstelligheid tot onkerkelijke geestdrijverij toe.
Wanneer zij geoefend, soms zou men zeggen gestudeerd wordt rondom het Heilig Avonmaal, dan krijgt die een heiligheid van een andere soort dan die het had bijvoorbeeld te Genève, waar de tucht het sacrament heilig moest houden. Het vraagt een heiliging die meer aan het hoorbare Woord hangende gelovigen wel eens wettisch noemen. Het zijn geestelijke oefeningen, exercitiën, zoals zij bij sommige roomse orden ook zo sterk tot ontwikkeling zijn gekomen. Zij duurden dagen lang op een methodische wijze, aan de hand van geschriften, die daarvoor geschikt werden geacht. ⚑Wanneer nu zulke geestelijke exercities niet wilden leiden tot een verzekerdheid de genade ook werkelijk ontvangen te hebben, als de blijdschap, de voorsmaak der zaligheid niet wilde doorbreken, als het hart te koud bleef, dorst men niet toe te gaan, ook al werd men door uitwendige tucht niet geweerd.
Deze kerkelijke tucht was in de christelijke kerk en bij de Reformatie de verhindering voor het Avondmaal geweest. Wie niet geweerd werd, ging en was verplicht te gaan. Dit werd, nu het Avondmaal niet meer in het middelpunt stond, zoals de mis, maar bijvoorbeeld viermaal per jaar werd gevierd, anders. Het was niet meer een genademiddel zoals ook het Woord, dat heilig is omdat God het spreekt, maar het werd heilig als een stuk van inwendige oefening. Het was niet meer genademiddel, maar bewijs van genade; een vergadering van waardigen, waartoe een bekommerd gelovige zich niet dorst te begeven. Men moest eerst een bepaalde weg, een methode, een oefening hebben gevolgd om daartoe te kunnen komen.
Dit is de voornaamste reden, waardoor het Heilig Avondmaal onder de genademiddelen in zulk een uitzonderingspositie is gekomen, als in bepaalde kringen en in bepaalde streken van ons land voorkomt.
Daarbij komt dan, dat er in deze kringen ook in de zeventiende en achttiende eeuw mystieke geesten zich bevonden, die geneigd waren de uitwendige kerk te verachten en alles, zoals de Quakers, van het inwendig licht te verwachten. Ik heb daar straks al op gewezen, dat bij Augustinus reeds een uitbouw van zijn predestinatiegedachte in die richting niet tot de onmogelijkheden behoort. Het evenwicht tussen het spirituele en het instrumentele zou verstoord kunnen worden. Bij Calvijn is dit minder het geval. Maar zoals in de Oude kerk en de middeleeuwen zijn er altijd sekten en groepen geweest, die de Heilige Geest afzonderden van Christus en zo de uitwendige zichtbare kerk en ook het zichtbare Woord niet nodig hadden. Deze mystieke ader liep ook wel hier en daar door het gereformeerde leven - in Het Piëtisme, zoals de vroomheid ook heet, oefent een inwendige ascese, ons land ook. Als men bekeerd was, hield het kerkgaan op en soms ook het bezoek van het Heilig Avondmaal. Men had genoeg aan de inwendige leraar en werd zelf een profeet of profetes in het midden van de onbekeerden.
Dat deze Nadere Reformatie in bloei stond, deze beoefeningsliteratuur door ons volk algemeen gelezen werd en ook met diepe ernst in grote kringen in praktijk werd gebracht, is zeker een paar honderd jaar geleden. Dat dit in kleinere kringen nog vrij ijverig werd gedaan is zeker bijna honderd jaar geleden.
Dr. Kuyper, met zijn neocalvinisme, heeft veel gedaan, om wat hij noemde 'de dooperse mydinghe'31 te bestrijden en de vromen, die met een boekske in een hoekske zaten, daaruit te halen en hun belangstelling voor kerk, staat en maatschappij te wekken. Waar het in onze Hervormde Kerk nog bleef komt de geest des tijs en het nieuwe kerkelijke leven het van alle kanten afbrokkelen. In z'n geïsoleerdheid neemt het soms ook nog meer afwijkende en ziekelijke vormen aan, en is het ook wel dikwijls een cliché geworden, een bezinksel van vroeger leven.
Waar ik tot u zou spreken over het zichtbare Woord, met de wenk om het vooral van de praktijk uit te bezien, heb ik dat met enige uitvoerigheid gedaan. Ik heb mij daarbij geheel beperkt tot het Heilig Avondmaal. Ook de Doop had ik als afzonderlijk onderwerp kunnen nemen, in heel ander verband. Maar omdat de behandeling van beide onderwerpen in de praktijk van ons kerkelijk leven zo verschillende kanten uitgaat, ging het moeilijk beide te combineren. Ik heb mij daarom vooral met het sacrament van het Heilig Avondmaal beziggehouden.
Wat de praktijk betreft, moeten wij de omstandigheden, waaronder de mensen leven, niet uit het oog verliezen. Toen bij de Reformatie, die Calvijn te Genève met ijzeren hand doorzette, kerk en staat beide nieuwe vormen ontvingen, toen heeft het Heilig Avondmaal ook gediend om, door middel van het consistorie, ook een vorm van publieke zedelijkheid te scheppen, die aan het leven in West-Europa en later in Amerika zijn gestalte heeft gegeven. Predikanten en ouderlingen waren, als consistorie, ook rechters inzake gedrag en deze tucht greep ook over op maatschappelijk en politiek gebied. Zij doet dit nog in onze dagen, bij Rome en de gereformeerden en zal het in de toekomst ook in de Hervormde Kerk wel weer doen.
Na de vestiging van de Hervormde Kerk hier te lande, was er van de zijde der regenten grote tegenstand tegen deze vorm van kerk- en, men mag wel zeggen, landsregering. De Staten probeerden een kerkorde voor te schrijven.
Deze strijd is nooit geheel beslist. Maar het is begrijpelijk dat de geestelijke krachten, toen zij naar buiten geremd werden, zich naar binnen keerden in de kerk. Ieder weet dat zulk een sterk verinwendigd leven ook blootstaat aan ziekelijke uitwassen.
In Schotland heeft de presbyteriale kerkorde met de rechtspraak rondom het Avondmaal, die soms op het kerkhof werd uitgeoefend, lange tijd meer vrij gebloeid.
In de negentiende eeuw kwam de kerkelijke tucht in de Hervormde Kerk sterk in verval, mede doordat velen in de ontzegging van het Avondmaal geen straf meer voelden. Het kerkelijk besef in zijn geheel kwam in grote kringen in diep verval.
De twintigste eeuw gaf een sterke opleving te zien, die men echter ook weer niet mag overschatten. Daarvoor spreken de volkstellingen een te duidelijke taal. Deze kerkelijke opleving is eensdeels organisatorisch en anderdeels liturgisch en gelukkig voor een deel ook wel geestelijk.
In de liturgische beweging komt het Avondmaal sterk naar voren en willen sommigen het zelfs weer in het middelpunt zetten, zoals de mis. Men wil althans de avondmaalstafel een vaste plaats geven in de kerk, goed zichtbaar voor de gemeente.
Over deze liturgische vragen heerst in hervormde kringen nog geen eenstemmigheid en deze zal ook nog wel een tijd op zich laten wachten. Nu de liturgische bezinning niet meer door een enkele groep, maar in kerkelijk verband wordt geoefend, is het gevaar van ontsporing bij enkelingen en enkele gemeenten minder geworden.
De prediking zal in een hervormde kerk middelpunt moeten blijven. Vrij zeker zal echter het Avondmaal in de toekomst wel weer vaker worden gevierd. Althans velen wensen dat.
Ook van de zijde der nieuwe kerkorde zal wel een strekking uitgaan om het Avondmaal weer meer in het leven in te bouwen. De vormen der zestiende en zeventiende eeuw zullen zich daarbij wel niet precies herhalen. Maar wij voelen er toch allen behoefte aan, dat onze vormeloos geworden levens van een geestelijk centrum uit worden beïnvloed. Dit is nodig voor het openbare leven en voor het innerlijke leven. Rome maakt zich thans op om deze taak in ons land van onze Hervormde Kerk weer over te nemen. Ik geloof niet dat dit Gods bestel is.
Wij staan voor de vraag of een staatkundig leven in de christelijke vrijheid in de toekomst nog mogelijk zal zijn. De politieke hemel is donker.
Er is ook een grote innerlijke nood, die met de politieke nauw samenhangt. De verdieping, de innerlijkheid dreigt uit de mensen te verdwijnen.
In beide opzichten kan het Heilig Avondmaal als toebereiding tot de toekomst des Heren, als zichtbaar Woord Gods weer dienen.