O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Mattheüs 16 : 26aIdsegahuizen-Piaam (1903-1910)Handelingen 2 : 1-14a →

Verzamelde Werken, deel 7 · Idsegahuizen-Piaam (1903-1910) · p. 55–58

Johannes 6 : 11a

En Jezus nam de broden, en gedankt hebbende, deelde Hij ze de discipelen, en de discipelen degenen die nedergezeten waren.

Johannes 6 : 11a

Er is misschien geen meer christelijke stemming dan dankbaarheid. Het hart vol. Liefde wordt geboren. Bereidwillig tot goed werk. De gever wordt ontvangen in de gave. Daartoe moeten alle gaven Gods ons in de eerste plaats opwekken. We denken deze avond aan een bijzonder soort dankbaarheid. Dankbaarheid in het midden der gemeente heeft een bijzondere klank. Derde stuk van het christelijk leven. Alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus (Ef. 1 : 3). Deze dingen mogen niet in een kleine kring midden in 't leven blijven staan. God is de God van het leven, 't gehele leven. Voedsel en deksel mag niet de eerste plaats hebben (vgl. 1 Tim. 6 : 8), mag ook niet onttrokken aan de invloed van Gods koninkrijk. Dan 't binnenste van de buitenkant bestookt. Dit is toch al een groot gevaar. De zorgvuldigheden der wereld (Mk. 4 : 19), de grootsheid des levens, de begeerlijkheid der ogen (1 Joh. 2 : 16). Binnen: de zorg, ene nodige (Lk. 10 : 42), de verslagenheid des harten, de armoede van geest. Dit moet het gehele leven doortrekken.

We denken dan thans bij dankbaarheid aan de zegeningen voor 't aardse leven. Een jaar achter ons. We hadden elke dag iets nodig. 't Heeft niet ontbroken. De arbeid werd elke dag verricht. Ze moesten elke dag gezegend worden. God heeft het gedaan. We denken aan de droogte, aardbevingen, stormen, watervloeden. Ons bleven ze bespaard. Denken we wel eens aan die ontzettende krachten der natuur, op wier evenwicht ons bestaan rust? Oorlog, pestilentie. Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt (Ps. 8 : 5)? Eén dag kan vernielen, wat in vele is opgegroeid. Alles wordt gedaan onder die ene voorwaarde, dat God de wasdom geeft (1 Kor. 3 : 6 v.). Dit voorjaar - 't zaad dat opschoot, lang werd - de zaaier sliep (vgl. Mk. 4 : 26 v.). Alles uit Gods hand. En dit jaar mag gezegd een goed jaar geweest te zijn? God kroonde toch de arbeid? Boven wat we vragen kunnen. Dankbaarheid, hoe? Wat is de mens dat Gij zijner gedenkt en de zoon des mensen dat Gij hem bezoekt?

Dat zal nu dankbaarheid moeten bepalen. De gaven uit Gods hand hebben tweeërlei mogelijkheid. Zij komen uit de aarde. En nu stemt iemand toe: God geeft ze. Maar toch het gevaar dat hij er te sterker door aan de aarde verbonden zal worden. Rijke dwaas. Iedere gift niet op zichzelf, maar twee mogelijkheden: het gewicht van de gaven trekt naar beneden, zoals iemand met zilver beladen bij een schipbreuk zinkt. Zo de natuurlijke zwaarte nog doet drijven: het goed kan dat voordeel tenietdoen. - Maar ook een omgekeerde mogelijkheid. De liefde die erin is, kan opheffen. Zoals een bijbeltje, van een moeder ontvangen, iemand in de oorlog het leven redde. Zo kan het goed, ontvangen, ons beschutten. Het moet ons niet vleselijker maken; dan is het een vloek. En iedere weldaad Gods, die dat doel niet bereikt, is een steen die naar beneden trekt. Er is ontzaglijk veel liefde in wat God geeft. Daaraan ligt het niet. Zo het ons slechts trekt.

God regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen en doet zijn zon opgaan over bozen en goeden (Mt. 5 : 45). Wat een ontzettende ondankbaarheid, wat een zonde, een niet-denken aan Hem. Daartegenover: welk een regen van zegeningen steeds door. Gods doen is wonder; als het wonder des broods. Niemand begrijpt hoe Hij het doet. Het is om ons, het wonder. Het geschiedt aan zondaren. Verbeurd. En nu is het ons, als aan kinderen, toch gegeven. Er is veel liefde in. Alles waar liefde in is, moet opheffen naar boven, naar God die liefde is. Christus is opgevaren. Zo het naar de aarde trekt, dan moet eerst gedood worden de liefde die erin is. Dat is het werk der verschrikkelijke zonde. Alzo mag het onder ons niet zijn. Immers, ook wij zijn een kring rondom Jezus Christus, een christelijke gemeente. Ook ons schenkt God alles met Hem om zijn wille (Rom. 8: 32). In 't midden der gaven staat Jezus Christus; als door zijn hand worden ze ons toegereikt. - Christus is als de ladder Jakobs, engelen opklimmende en nederdalende (Gen. 28 : 12). De gave daalt neer, de dank moet opklimmen, de gaven moeten opklimmen. Drie schrikbeelden in ons leven: in 't gras zitten als 't vee; 't brood uit zijn hand ontvangen; en verder niet naar hen omzien. Nog. Men wilde Jezus koning maken (Joh. 6 : 15). Hij moest ontwijken. Geen brood-Christus, geen brood-God, geen werelds rijk. Onze harten moeten met Christus opklimmen, tot de Gever aller goeds. Wij moeten zijn een kring rondom Christus, begerig naar geestelijk goed. Wat we ontvangen is slechts het middel, de basis.

Ge zegt: Dat is een goede gedachte. De gaven moeten optrekken tot de Gever. Aardse zegen moet ons scharen om Jezus Christus. Hoe dan ontvangen? Biddend, gebed bij de arbeid. We moeten het ontvangen. Dat is een omkering des levens. We menen het te verdienen: goed door ijver, inspanning enzovoort. En dan toch het te ontvangen: daarvoor moet men christen zijn, wedergeboren, geleerd hebben het oog naar boven te richten.

Ontvangen stelt twee vragen: Hoe? Waartoe? - Nu is het het mijne? Ja, maar half: ge zijt rentmeester. - De sociale kwestie. Oplossing is het rentmeesterschap. Werkelijk grote verantwoordelijkheid. 't Evangelie laat niets met rust. 't Geloof is een onrustig ding. Zelfs uw goed kunt ge niet rustig bezitten. De gedachte moet u werkelijk achtervolgen: Ik ben rentmeester! Hier komt de dankbaarheid aan het woord. Ik dank U, Heer, dat ik niet ben zoals de ellendige! Men komt er gemakkelijk toe zijn levensstaat daarop te bouwen. Waar ligt het zwaartepunt van uw bestaan? In staat of stand, of uw geestelijke staat: Ik ben een christen. Een klein deel van de aarde te besturen. Begin van de regering met Christus. Talenten toevertrouwd. Deze dingen moeten met ernst geschieden. Niets verschrikkelijker dan zelfbedrog. Wanneer Christus zal vragen: Zijt gij van Mij? En antwoord: Ja! Wat hebt ge dan gedaan met wat Ik u toevertrouwde? 't Eerste deel voor mijzelf, 't tweede deel voor mijzelf, 't derde deel voor mijzelf. Hebt ge dan niets gedaan? Ja, honderdste penning, of duizendste penning. Maar wist ge dan niet dat mijn Koninkrijk uitgebreid moest worden?

Ziet, het koninkrijk Gods en het christelijk leven is bloedige ernst, geen komedie. Bij scheiding van schapen en bokken. Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot zijn rechterhand zijn: Komt in, gij gezegenden mijns Vaders! Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd; Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen. Zij zullen zeggen: Wanneer? Zoveel gij dit mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt ge dat Mij gedaan (vgl. Mt. 25 : 31-40). Omgekeerd. Weduwe met de penningen (vgl. Mk. 12: 42). Tempel moet gebouwd. Hier dankbaarheid, verantwoordelijkheid. Deze dingen volgen ons, zo we 't hoofd nederleggen. 't Andere blijft. Waarop is uw leven gebouwd? Rotsgrond en zandgrond. Waterstromen (vgl. Mt. 7: 24-27).

Deze dingen bedenken in de dankstond. Geen grazend vee, nederzittend in overvloed, maar werkzame christenen, arbeidende de Heer tegemoet. Dat is geen aanhangsel. Dat is het eerste. Dan volgt ook de dankbaarheid in het gebruik. Zo we voedsel en deksel hebben..., - hoe goed is het, ze uit Gods hand aan te nemen, te danken voor elke gave, opgeheven te worden tot de Gever. Ge weet waar het dan henen moet. Spijzigen trekt rondom Christus, om Hem, die geen hoofdkussen had (vgl. Mt. 8: 20). Zijn leven was liefde. Koorden der liefde. Een kring rondom Jezus Christus. Hij is het midden. Wie zal ons scheiden (Rom. 8 : 35)? Gij zijt allen broeders (Mt. 23 : 8). Dood dan de liefde niet! Laat ze ons omhoogdragen. Wandel in de hemelen!

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Mattheüs 16 : 26aIdsegahuizen-Piaam (1903-1910)Handelingen 2 : 1-14a →