O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Idsegahuizen-Piaam (1903-1910)Idsegahuizen-Piaam (1903-1910)Genesis 32 : 24-31 →

Verzamelde Werken, deel 7 · Idsegahuizen-Piaam (1903-1910) · p. 17–23

Genesis 28 : 10-19

Jakob dan toog uit van Berseba, en ging naar Haran (vs. 10). Daar was een hele geschiedenis voorafgegaan, voor die tocht plaatshad. Het was niet voor zijn genoegen dat Jakob deze tocht aanvatte. Het was een reis om het leven.

Het was een klein gezin, dat van Isaäk en Rebekka. Twee zonen slechts waren het, die de vreugde en de zorg der ouders uitmaakten. Maar vier mensen zijn ruimschoots genoeg voor een tragedie en treurspel. En zo waren ook hier in dit kleine gezin verwikkelingen ontstaan, die tot deze tocht aanleiding hadden gegeven. De voorkeur der ouders was verdeeld. Isaäk had Ezau lief, want het wildbraad was naar zijn mond, maar Rebekka had Jakob lief (Gen. 25: 28). Reeds in deze verschillende voorkeur der ouders lag de kiem van een drama verscholen. De beginselen, ook van grote zonden en scheuringen en verwikkelingen, zijn soms zo klein, en menig gezinsleven is verwoest, doordat op die kleine beginselen geen acht is geslagen. Een breuk is in den beginne zo gemakkelijk te helen; straks wordt ze al wijder en wijder, tot ze mensen uiteenrukt, wier levensgeluk daarmede verloren is. Zo was het in dit gezin gegaan. Het verschil van aard tussen de beide tweelingen en de verschillende voorkeur der ouders hadden samengewerkt om in dit gezin een dodelijke vete te vestigen. De onnadenkendheid van de vader en de slimheid der moeder werden gestraft op ontzettende wijze. Een gelovig huisgezin wordt op het nauwste gezift. Dit alles was uitgelopen op de grote en bittere schreeuw, waarmede Ezau schreeuwde, als hij het hoorde dat Jakob de eerstgeboorte-zegen ontvangen had (Gen. 27 : 34). Ezau haatte Jakob om de zegen, en zeide in zijn hart: De dagen van de rouw mijns vaders naderen, en ik zal mijn broeder Jakob doden (Gen. 27: 41). De stemming van de oudste was aan de moeder niet onbekend gebleven, en daarvan is nu deze reis van Jakob het gevolg. Ze zendt haar zoon naar Haran, waar haar broeder Laban woont. De listen en intriges, waarvan ze zich bediend had, worden op ontzettende wijze gestraft. ⚑Met het oog op een huwelijk wordt ook de grijze Isaäk voor het plan gewonnen.

Wanneer we zo deze aartsvaderlijke geschiedenis lezen, zouden we kunnen menen: welk een alledaagse geschiedenis. Welk een aaneenschakeling van menselijke zwakheden en zonden. Dat is het ook van één kant beschouwd. Maar er loopt een draad door. Dat is de draad, die God daarin weeft. Deze ogenschijnlijk zo eenvoudige geschiedenis is een strijd om de beloften Gods. Het gaat om de zegen aan Abraham, dat in hem al de volken des aardrijks gezegend zullen worden (vgl. Gen. 22 : 18). Dat maakt hier de hartstochten gaande. Dat is de verborgen drijfveer van deze eenvoudige historie. Dat maakt hier de trekken groter. Dit moeten we de gehele bijbel door in het oog houden, zo we elk daarvan zullen zien in zijn wandel, dat we God aan het werk zien daarin, en geen mensen. Want wat zou er in dit verdeelde gezin terechtgekomen zijn van de zegeningen Abrahams? Moord en doodslag, en zo zou men zichzelf vernietigd hebben, zo Gods vingers niet ingrepen in de draden, en ze leidden, zoals Hij het wilde. Zo helder klinkt de wijsheid Gods, waar zo uit dit spel der hartstochten nog iets goeds voortkomt voor de toekomst.

Jakob dan toog uit van Berseba, en ging naar Haran. Berseba is de plaats, waar hij het land der belofte verlaat. 't Is wel een droeve tocht, die hij onderneemt. Achter zich laat hij het ouderlijk huis, een zorgende moeder, een oude vader. Achter zich laat hij de schrijnende herinnering van de heftige toorn eens broeders, die reden heeft om op hem te toornen. Achter zich laat hij het land der belofte, waaraan zijn toekomst en verwachting gebonden zijn. En met de reisstaf alleen (vgl. Gen. 32: 10), gaat hij een onbekende toekomst tegemoet. Zal hij ooit wederkeren? Zal de zegen der vaderen ooit in vervulling gaan? Slaat hij niet juist een richting in, die van het doel afleidt? Immers Ezau heeft thans het rijk alleen. Hij kan zich sterk en rijk maken, en zal een machtig vorst zijn, wanneer hij al ooit terugkomt.

Daar sluipt de uitverkorene Gods weg uit het land als een balling, in zijn geweten van zonde overtuigd. De rijkgezegende, de zoon van een aartsvader, moet alleen met zijn staf gewapend de wijde wereld in, arm, zonder enige bezitting. En uit dat land der vaderen te gaan was voor hem iets bijzonder vreselijks. Er is enig onderscheid tussen een christen uit onze dagen en een Jakob, tweeduizend jaar voor Christus. Het land der belofte verlaten betekent voor hem: van zijn God verlaten zijn. Immers, God woont in dat land, en is, naar hun eenvoudige gedachte, aan die plaats gebonden. Nog in Davids dagen wordt deze toegevoegd, als hij het land verlaat: Ga heen en dien andere goden (1 Sam. 26 : 19). En Naäman de Syriër, die door Elisa werd genezen van zijn melaatsheid, nam een zak aarde mee, iets van het land, om ook in den vreemde bij de grond, de God des lands te aanbidden (2 Kon. 5 : 17). Voorstellingen, die ons eenvoudig naïef voorkomen, maar er is voortgang in de openbaring Gods.

En daar gaat hij dan naar den vreemde, zonder have, zonder hoop, zonder verwanten, zonder God ook, zo hij meent. Wat moet er komen van de beloften Abrahams en de zegeningen Isaäks? Het is nacht in zijn hart, alles schijnt donkerheid en duisternis. Het wordt nacht, ook om hem heen. De zon gaat onder, de duisternis omringt hem. En dan neemt hij troosteloos een steen, die hij vindt, en legt zich neder om te slapen (vgl. vs. 11). De zoon van een aartsvader, een balling in de woestijn, met een steen tot hoofdpeluw, nacht van binnen, nacht van buiten.

Het is Jakobs eigen schuld dat hij deze weg moet gaan, en dat het in hem en om hem heen nacht is. Had hij geduldig de vervulling van Gods beloften afgewacht, de weg zou zeker voor hem minder moeilijk geweest zijn. Het is weer de oude droevige geschiedenis. Het eten van de boom der kennis des goeds en des kwaads. De vruchten willen plukken, waarvan God gezegd heeft: Gij zult daarvan niet eten (Gen. 3: 3). Het is God voor willen zijn, ongeloof, ongehoorzaamheid. Het is de oude geschiedenis van de zonde en de gevolgen der zonde. Want die gevolgen zijn er onafscheidelijk aan verbonden. Het is de geschiedenis van het ganse menselijke geslacht. Bij de geschiedenis der mensheid gaat het om het eerstgeboorterecht. Op het eerste gezicht kan het ook schijnen alsof de geschiedenis der mensheid een verwarde aaneenschakeling is van strijd en hartstocht, maar er loopt een draad door. De belofte der toekomst ligt vóór de wetenschap van de afkomst. Wij zijn van Gods geslacht, dat wisten ook de heidenen. De apostel Paulus neemt het over van een heidense dichter (Hand. 17 : 28). En aan dat van Gods geslacht zijn, is verbonden het eerstgeboorterecht. Het recht op de zegen, het bezit, en het genot van dat bezit. Maar nu schijnt het of daarvan niets komt. En de hele geschiedenis der mensheid is een strijden om dat eerstgeboorterecht. Dat komt in alle dingen uit. De mensheid in haar geheel laat dat uitzicht niet los, maar grijpt ernaar, telkens wederom. Dat is de eerste voorwaarde voor het verkrijgen. Zo daarnaar gejaagd wordt (vgl. Fil. 3 : 12). Ezau laat het los. Hij is lichtzinnig, verkoopt het voor een schotel linzenmoes, en is daarna toornig en jaloers. Niemand kan lichtzinnig het eerstgeboorterecht weggeven, zonder later toornig en jaloers te zijn. Jakob houdt het vast, maar hij zondigt in zijn grijpen naar het eerstgeboorterecht en moet vluchten. Het beeld van de zondaar. Verlaten en in donkerheid en nacht.

Wanneer we ons de beiden voor ogen stellen, Ezau en Jakob, dan is Ezau ons in vele dingen sympathiek. Hij is ruw, maar ook rond. Hij is onverschillig, maar ook royaal. En toch is Jakob de man Gods, en niet Ezau. Niet om zijn gebreken, die zijn zijn gehele leven aan hem bezocht geweest. Maar er is eerbied voor het heilige bij hem. Er is plaats voor God. Ezau is zelfgenoegzaam, heeft God niet nodig, leidt straks ook zonder de eerstgeboortezegen een vrolijk leven met de heidenen des lands. Ezau's leven kan niet verdiept worden. Dat van Jakob wel. Maar eerst moet hij in de engte gedreven worden. Als het nacht is in hem en om hem heen, dan openbaart God zich aan hem. Als zijn zonden achter hem zijn en het eerstgeboorterecht van hem schijnt te wijken, als hij onterfd schijnt, dan komt God tot hem. Dan is er plaats voor vertroosting.

En hij droomde, en zie, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte, en zie, de engelen Gods klommen daarbij op en neder. En zie, de Here stond op dezelve en zeide: Ik ben de Here, de God van uw vader Abraham en de God van Isaäk; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad. En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb (vs. 12-15).

Zo troost God de moedeloze zwerver. Hier komt alles voor hem te staan, wat hij voorgoed scheen te moeten opgeven. Want we moeten niet denken dat Jakob zich voorstelde dadelijk weer te zullen terugkeren. We weten welk een angst het hem twintig jaren later bezorgde, dat hij weer het aangezicht van Ezau ontmoeten moest. Neen, het scheen een verloren zaak. Zelfs het aangezicht Gods scheen nu voor hem te zullen ondergaan. En daar ontvangt hij de heerlijkste openbaring, die zich denken laat. Hij acht dat op deze vreemde bodem God hem niet zal kunnen helpen, en zie, de Here staat zelf in de droom voor zijn aangezicht en verhoort hem. Hij acht zich zo zeker verstoten van de erve der vaderen, en God verschijnt hem met de woorden: Ik ben de God van Abraham en Isaäk. Hij acht de zegen verder van de vervulling verwijderd dan ooit tevoren, en zie, hier wordt hem de zegen, die zijn vader hem gegeven had, bevestigd door Hem van wie alle zegen nederdaalt. Zo troost God. Niet door met de toestand te verzoenen, maar door de bedroefde een vergezicht te openen, waardoor op alles een nieuw licht geworpen wordt. Door zijn eigen aangezicht te tonen en de beloften, die schenen te slapen, vaster te stellen dan ooit. Hier is een liefde, die mildelijk geeft en niet verwijt.

Die ladder Jakobs, zoals dit droomgezicht genoemd wordt, is niet vergeten. Het is te schoon een beeld, dan dat deze heerlijke droom zou vergeten worden. Hemel en aarde verbonden, en op de ladder de engelen des hemels op- en nederstijgende. Jammer dat het een droom was, zal misschien iemand zeggen. Toch is het niet zo geheel een droombeeld gebleven. Als ge het Johannesevangelie opslaat en ge leest het laatste vers van het eerste hoofdstuk, dan zegt Jezus daar tot Nathanaël: Voorwaar, voorwaar, zeg Ik ulieden, van nu aan zult gij de hemel zien geopend, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op de Zoon des mensen (Joh. 1 : 52). Jezus zelf sluit zich aan bij dit gezicht. De herinnering is te duidelijk dan dat de Heer niet aan deze plaats gedacht zou hebben. De gemeenschap tussen hemel en aarde is er in de persoon des Middelaars. De jongeren konden daarvan getuige zijn, hoe de krachten en engelen Gods op aarde nederdaalden door Hem. Hoe Hij het gebrokene verbond en verloste en genas. De droom van de jakobsladder is dus niet meer alleen de ervaring van de aartsvader, maar het gezicht staat voor de ganse wereld. Het is de droom des Evangelies, droom en werkelijkheid. Droom om zijn heerlijkheid, werkelijkheid in de geschiedenis. Een droom, omdat ieder persoonlijk zijn heerlijkheid moet leren zien. ⚑Omdat niet vlees en bloed, maar de Vader, die in de hemelen is, evenals aan Petrus, zijn heerlijkheid aan een ieder moet openbaren (Mt. 16 : 17). Maar ook werkelijkheid, omdat alles, wat niet aan Hem wordt verbonden, zal vergaan, omdat Hij de eeuwige kern der geschiedenis is, die blijft waar al het tijdelijke afvalt. Evenals de aartsvader in de droom, zo moet ook ons Jezus Christus als de hemelladder geopenbaard worden. Want de droom is een vorm van openbaring. Een eenvoudige, lage vorm. Ge leest in de bijbel telkens van zulke openbaringen door dromen. Dromen en gezichten zijn daar openbaringsvormen. Het karakter der Nieuwe Bedeling is meer geestelijk, nuchter, wakend, bewust, maar daarom niet minder openbaring. Petrus ontvangt de openbaring niet in de droom, gelijk de aartsvader de nabijheid van God ervaart in de droom, maar in zijn klare en heldere bewustzijn. Niet op ongewone, maar op gewone wijze, zo het schijnt, maar toch is er nodig een openbaring van de Vader, die hierin bestaat, dat al zijn geestelijke vermogens gescherpt worden, in de nood der ziel, om te leren onderscheiden de tekenen der tijden, het teken van de Zoon des mensen.

De ladder Jakobs, droom en werkelijkheid. Kennen wij, mijne hoorders, die ladder Jakobs? Ik bedoel niet of we iets wonderlijks, iets zonderlings in ons leven kennen, bijzondere openbaringen en gezichten; deze dingen bestaan nog, maar ze kunstmatig aan te kweken leidt licht tot ziekelijke overspanning. Ze zijn begeleidende verschijning somtijds van geestelijk leven, maar geen regel. Maar kent ge de vertroostingen Gods en de geopende hemel?

Een Ezau zal zoiets nooit zien. Die bekommert zich tenslotte niet om de beloften der vaderen. Hij mag een ogenblik in felle toorn ontsteken, blijvend is zijn droefheid niet. Hij vermengt zich met de zonen van Heth en wordt onder hen opgenomen. Ge kunt u zelfs niet voorstellen dat een man als Ezau een ervaring zou kunnen hebben van een man als Jakob. Ezau is een man van de wereld. En wie met zijn gehele hart in de wereld leeft, kan niet deel hebben aan de ervaringen van het koninkrijk Gods, dat kan heel eenvoudig niet. Ge kunt het u niet eens voorstellen. In de wereld leven, dat wil zeggen: zich geven aan de dingen zoals ze zijn, zich uitleven, het leven genieten zonder meer. Ezau gaat op de jacht, vermoeit zich, is amechtig, komt thuis met brandende dorst. Hij ziet linzenmoes. Hij moet het hebben. Hij moet er iets voor geven: zijn eerstgeboorterecht (Gen. 25: 29-34). Toe dan maar, dat zijn dingen, die maar in de gedachte bestaan, dingen voor de toekomst. Men moet de dingen maar nemen zoals ze zijn. Daar is geen diepte in zulk een gemoed. Dat is: van de wereld zijn. Somtijds komt dan wel een andere opwelling in zulk een gemoed. Soms merkt men met toorn dat anderen toch meer hebben, maar dat wordt dan dikwijls een reden niet van zelfonderzoek, maar van verwijt tegen de kinderen Gods.

Om de ladder Jakobs te zien is dieper leven nodig. Maar moet men dan een heilige zijn om de hemelen geopend te zien en de vertroostingen Gods te ervaren? Maar was Jakob een heilige? Ge kunt het anders lezen in de bijbel. Hij was een balling door eigen schuld. Maar wat hem onderscheidt van Ezau is dit, dat hij geen vrede heeft buiten de beloften der vaderen. Ezau zal zich straks vestigen op de bergen van Edom, buiten de erve der vaderen. Dat kan Jakob nooit doen, zonder dat hij onrustig is. Of wat dunkt u: zou er geen verband bestaan tussen het gezicht dat hij ziet en de nood zijner ziel? Waar God zich openbaart, daar moet hij het nodig hebben. De beloften die hem gegeven worden, moeten naar zijn hart zijn. En daarom is het voor hem duisternis op dat ogenblik, dat hij de erve der vaderen moet verlaten.

Maar wat is het schuldgevoel anders dan het gevoelen dat men weggegaan is van God? Wat is het anders dan in de nacht op te zien en toch het licht niet te kunnen vergeten? De vertroostingen Gods en de geopende hemel zijn voor de armen van geest (vgl. Mt. 5 : 3 v.). Maar een arme van geest kan ook van zijn armoede niet leven. De armen van geest zijn dezelfden, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid (Mt. 5 : 6). De arme van geest geeft de wereld niet prijs, maar hij zoekt juist het leven. Maar niet het leven, zoals het zich aan de zondaar geeft zonder moeite en strijd en berouw, maar het werkelijke leven, de werkelijke wereld, waarin gerechtigheid wonen zal. En daarom staat hij buiten het land der belofte. Want door eigen schuld is het voor hem verloren gegaan, door de zonde is het niet meer een tehuis. Eenvoudig terugkeren, alsof de zonde er niet was, en weer bezit nemen van de wereld: die weg is afgesloten. Jakob kon niet eenvoudig terugkeren, alsof er niets gebeurd was. En dan ontstaat er grote nood der ziel, want de belofte schijnt voorgoed verloren te zijn. God weg, de wereld weg, de beloften weg, de zon ondergegaan.

Er is slechts een uitweg, zo God sprak en de oplossing gaf. En God wil spreken en God spreekt. Dan worden de hemelen geopend. De ladder Jakobs wordt gezien, de hemelen geopend en de engelen opklimmende en nederdalende op de Zoon des mensen. Want de oplossing van de nood ligt niet op de vlakte, niet in de wereld zelf, maar wordt van boven geopenbaard. In Jezus Christus daalt een nieuwe wereld neder, van gerechtigheid en vrede, van genade en waarheid. In Hem komen de vertroostingen Gods tot de zondaar en stijgt het gebed naar de troon Gods. De troost van Bethel is een echt christelijke troost. Ik ben de Here, de God van uw vader Abraham, de God van Isaäk. God is immers geen onbekende. Hij, die in Christus Jezus onze Vader wil zijn, is immers dezelfde God, tegen wie we gezondigd hebben. De God van Bethel is de God der vaderen. Hierin ligt de vreugde der christenen, dat God er toch nog is, waar Hij naar recht niet meer behoefde te zijn. Dat Hij de zondaar toch tot een God wil zijn. Is het niet, wanneer het goed ingedacht wordt, als een heerlijke droom, een openbaring? Iets nieuws en toch dezelfde God? Een nieuwe openbaring en toch vanouds bekend? Dat God er weer is. Nog eens. Niettegenstaande men buiten zijn gebied meende te zijn, dat men Hem niet meer meende te mogen zien, dat Hij daar toch weer is? Maar nu anders! Nu levend, nu in persoonlijk verkeer, zoals nooit tevoren, nu met nieuwe beloften. De oude dingen worden bevestigd, maar nu vaster dan ooit.

En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb. Is het niet of we het nieuwtestamentisch woord horen, dat in Jezus Christus al de beloften Gods ja en amen zijn (2 Kor. 1 : 20)? De beloften, die verloren schenen, toch bevestigd. Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb. Zo spreekt de Heer. Het zal alles komen, wat Hij beloofd heeft. De balling zal een groot volk worden. Zalig zijn de armen van geest, want dezulken is het Koninkrijk der hemelen. De ladder Jakobs verbindt hemel en aarde. Christus predikt niet een aards koninkrijk en herstelling van de gouden eeuw, hier op aarde, maar het Koninkrijk der hemelen. De oplossing ligt voor de zondaar in de vrede, die alle verstand te boven gaat. En zo worden in Christus de oude beloften vervuld, maar tevens alle dingen nieuw gemaakt. Ik zal u behoeden overal. Welk een heerlijke troost. De christenreiziger. Land der vreemdelingschap. Maar daarom kan hij getroost worden. Daarom ziet hij niet alleen naar beneden, niet over de vlakte, maar naar boven.

Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de Here aan deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods en een poort des hemels. Hij zalfde de steen, noemde de plaats Bethel (vs. 16 vv.). Jakob erkent de vertroostingen. De troost, die hem ten deel wordt op deze plaats, leidt hem tot erkenning, dat God ook daar is. Erkenning: hoe vreselijk is deze plaats. Dit is niet dan een huis Gods en een poort des hemels. Jakob aanvaardt de troost, zegt niet: Ik mag het niet hebben. Brengt hem tot kleinheid, zegt niet: Ik zag grote openbaring. Hij geeft aan die plaats een wijding. Wij kunnen de vertroostingen niet afscheiden van de wijze, waarop ze ons deel worden. Christus, de ladder Jakobs. Christus blijft mysterie. Waar eerbied is, daar is een huis Gods, de Zoon Gods.

De ladder Jakobs wil staan bij de hoofdpeluw van ieder, die hem nodig heeft. Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt (Mt. 11 : 28). Dan is het een nieuwe en volle openbaring Gods. De natuurlijke mens kent God, maar niet zo. Hij wil in Christus het leven gans vervullen. Bethel, huis Gods. Dan krijgt het leven een andere naam, een ander wezen. Niet meer de God van Abraham en Isaäk, maar zijn eigen. De beloften Gods in Christus willen persoonlijk eigendom zijn. Daartoe drijft de nood der ziel. Maar dan is ook de weg geëffend.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Idsegahuizen-Piaam (1903-1910)Idsegahuizen-Piaam (1903-1910)Genesis 32 : 24-31 →