Het Oude Testament en de kerk1
1
In een onbewaakt ogenblik had ik hierboven wel eens kunnen schrijven: 'Het Oude Testament en wij'. Ik ben blij, dat mij dat niet overkomen is. Het zou de indruk kunnen maken, alsof ik in dat wij de moderne mens tegenover het Oude Testament plaatste. Daarin lag dan zo half en half de vraag opgesloten, of wij, mensen van de twintigste eeuw, nog wel iets uit zo'n oud boek zouden kunnen leren. In ieder geval zou ik de lezers daarmee als enkelingen hebben opgeroepen om hun oordeel op te maken over de betekenis van het grootste deel der Heilige Schrift. En daartoe mogen wij elkaar toch niet uitnodigen.
Wanneer ik iemand vroeg, of hij Abraham, Mozes, David, Jesaja, Jeremia wel belangrijk genoeg vindt om er kennis van te nemen, dan beging ik een dwaasheid. Hoogstens kon zo'n vraag dienen op een enquéte-lijst, om eens te onderzoeken, hoe het in hart en hoofd van onze tijdgenoten gesteld is. Maar dan was het er ons niet om te doen een beoordeling van het Oude Testament te krijgen.
Onze verhouding tot dit boek kan nooit individueel zijn. Wij kunnen ons niet omdraaien om er onze mening over te zeggen, alsof het hier een leesboek gold, dat een tijd geleden, hoe lang dan ook terug, was verschenen. Wij krijgen het Oude Testament niet in een leesportefeuille toegezonden. Het ligt in zwaar leer gebonden op de kansel, waarvoor wij gedoopt zijn. Of wij hebben in huis onze statenbijbel, waarvan de bladen door het omslaan van geslacht tot geslacht de helft van hun margo hebben verloren. Tot het Oude Testament staan wij in een verhouding, die de bijbel zelf een verbond noemt. Dat wil zeggen: er zijn omstandigheden van wijde samenhang, waarmee die betrekking is saamgeweven. Ons hele bestaan is er mee gemoeid. Eeuwen en geslachten zijn er de dragers van. En als wij er anders tegenover komen te staan, dan zal ons hele leven veranderen. Men zou van de omvang der wijzigingen in ons geestelijk leven, die het gevolg zouden moeten zijn van een principieel terzijde-stellen van het Oude Testament, 't best een voorstelling kunnen vormen door ze te vergelijken met de veranderingen in het klimaat, waarvan de geologie bericht weet te geven.
Dit springt reeds in het oog, als wij de kwestie cultureel beschouwen. Waar moeten wij met de grote Europeër Rembrandt heen, als vader Jakob, die de zonen van Jozef zegent, David die voor Saul op de harp speelt, of Jeremia die Jeruzalem beweent, onze antipathieën opwekken? En zo zou er zo veel te noemen zijn. Men denke aan Vondel en Milton. ⚑Toch hebben wij daarmee natuurlijk nog niet het belangrijkste genoemd. Wij kunnen nu, nadat de kerkvaders er moeite mee gehad hebben, ook wel weer onze vreugde hebben aan de toorn van Achilles, aan Hectors afscheid van vrouw en kind uit de Ilias, of aan Nausicaä, de koningsdochter-aan-de-was en Penelope, de grote spinster uit de Odyssee, al staan wij niet meer in een religieuze verhouding tot de godenwereld van Homerus. Zo zou ook het ongerief ten opzichte van Rembrandt kunnen meevallen. Maar dat raakt de spil van het leven niet.
Als wij ons voor de geest willen brengen wat het Oude Testament voor ons betekent, dan gaan wij er derhalve niet als enkelingen tegenover staan, maar samen, als lidmaten van de kerk, waarmee de inhoud van dat boek zo is saamgeweven, dat de theologie altijd bezig is zich daarvan rekenschap te geven, zonder er ooit mee gereed te komen. En wij oordelen daarbij dan niet naar een esthetische of een of andere dergelijke maatstaf die de buitenkant raakt, maar wij doen het existentieel, zoals men dat tegenwoordig graag noemt. Dat wil zeggen: wij houden rekening met alles, waarmee ons verleden, heden en toekomst in de diepste grond verbonden zijn en met de betekenis die het Oude Testament daarvoor heeft. Wij herinneren ons, dat het op Golgotha, waar over ons eeuwig wel of wee beslist werd, door de mond van Jezus in zeven kruiswoorden gesproken heeft. En wij huiveren bij de gedachte, dat het op de hoofdschedelplaats stil zou worden, als aan dit heilige boek het zwijgen werd opgelegd.
Zo merken wij, dat hier geen sprake is van een kwestie, die wij met hard blokken en zoeken tot oplossing zouden moeten brengen. Hier is een werkelijkheid, een getuigenis van wet en profeten, dat in het Nieuwe Testament is vervuld geworden en dat verder in de kerk is uitgedragen. Worden wet en profeten ontbonden (Matth. 5 : 17), dan verliest het Evangelie zijn inhoud; dan is ook de prediking ijdel en ijdel is ook ons geloof.
Maar wanneer wij samen, als lidmaten van de kerk, en onder het oordeel van een eeuwig wel of wee het Oude Testament naderen, dan zal onze houding een getuigende worden. Wij zullen die klanken overnemen. We doen dat ook telkens, als wij de psalmen zingen, die in de Israëlitische kerk, in de tempel, reeds weerklonken hebben en die Jezus met zijn discipelen heeft aangeheven in de paasnacht. De kerkvader Augustinus zong ze eigenlijk altijd, toen hij zijn boeken schreef, waarin deze liederen bijna op elke bladzijde in aanslag komen. Van de protestantse kerken, met name de gereformeerde, kan men zeggen, dat zij onder psalmgezang zijn ontstaan.
Zo kunnen wij het Evangelie niet geloven, de geloofsleer niet beoefenen, aan onze eredienst niet deelnemen, zonder, als ik het zo noemen mag, aan het Oude Testament deel te nemen. Dat is heel iets anders dan wanneer wij er één voor één kritisch tegenover gaan staan, om er ons oordeel over te zeggen. Want dit is vaak niet meer dan een letterkundige bezigheid. ⚑De kritiek op het Oude Testament, die genoemd mag worden tegenover de kerkelijke deelname aan dat boek, is ook even oud als de Heilige Schrift en heeft andere gedachten over goed en kwaad, liefde en haat, vergeving en wraak, wel en wee dan de bijbel. Zij is existentieel en raakt ons hele bestaan, zoals ook de bijbel begint met de schepping en uitloopt op de voleinding. De kritiek op het Oude Testament - en daarmee bedoel ik nu die kritiek in grote stijl, die meer is dan een letterkundig tijdverdrijf - heeft ook niet individueel plaats. Haar beoefening vormt evengoed een kerk als de deelname aan wet en profeten en psalmen, die wij in ons geloof en onze godsdienstoefening tot uiting brengen. Zij heeft ook haar profeten: Fichte, Lagarde, Nietzsche.2 Zij wacht in onze dagen op haar Messias, even goed als de Jood. Dat is de laatste grond van de vreselijke tegenstelling, waarvan wij thans getuigen zijn. Het antisemitisme is een zuiver religieuze beweging geworden.3 De vraag begint kosmische afmetingen aan te nemen. Jood en heiden zijn volgens Paulus en Christus verenigd. De 'middenmuur des afscheidsels' is afgebroken. Wij zien dat dit geen stichtelijkheden zijn van de apostel. 't Is een actuele vraag van de eerste grootte, ook nu nog. Het Oude Testament staat nog in 't middelpunt van de wereldgeschiedenis.
2
Ik schreef dus, dat wij over het Oude Testament niet kunnen oordelen, als wij er niet aan deelnemen; als wij het profetisch getuigenis niet overnemen en de psalmen niet meezingen.
Nu is deelnemen een gevaarlijk woord, waarmee men voorzichtig moet omgaan. Men kan het gemakkelijk zo verstaan, dat het zou betekenen: de zaak op dezelfde voet voortzetten. Dit zou het ergste misverstand zijn, dat er in de kerk kan bestaan ten opzichte van het Oude Testament. Ik heb dat ook al dadelijk gezegd. Ik schreef, dat een getuigende houding moet staan "onder het oordeel van een eeuwig wel of wee".a Het Oude Testament voortzetten of er aan deelnemen hebben ook de Joden willen doen en men kan niet zeggen dat zij zich daarvoor geen moeite getroost hebben. Wanneer ooit een volk zijn heilige teksten heeft bestudeerd, dan zijn zij het wel. En toch hebben zij ze niet op de rechte manier uitgelegd. Zij zijn er niet in geslaagd het zo te doen, dat het een Nieuw Testament werd. Het bleef een voortzetting van het Oude.
Daaraan moeten wij ons spiegelen, als wij van het Oude Testament gebruik maken. Daarinstaan vele dingen die in aanmerking zouden kunnen komen om regelrecht te worden overgebracht in ons leven. ⚑Ik denk bijv. aan het mozaïsche recht, zoals dat vooral in het boek Exodus staat opgetekend. Daarin komen bepalingen voor, die ons hard in de oren klinken. Bekend is het: "Oog voor oog, tand voor tand ... wond voor wond, buil voor buil" (Ex. 21 : 24 v.). Maar het bevat tevens artikelen, die ook nu nog een indruk van grote humaniteit maken. Daarom heeft men wel eens gemeend, dat onze juristen wat meer rekening moesten houden met dit bijbels recht in plaats van met het romeinse. Dr. A. Kuyper heeft daar in een bepaalde periode van zijn journalistieke loopbaan op aangedrongen.4
Zo zijn er ook politieke beginselen, die men direct uit het Oude Testament zou kunnen afleiden. De regelrechte godsregering en het theocratische koningschap heeft men daarop vaak aangezien. Het is bekend hoe vertrouwd de Rondkoppen5 van Cromwell met het Oude Testament waren. Maar ook in onze tijd heeft de idee van een gewijd koningschap voor velen een sterke bekoring. Men leze daarover mijn artikel Verkondiging en Wijding.6 Ook op ander gebied zou men het Oude Testament kunnen zoeken voort te zetten en doet men dat ook inderdaad. Zo vertoont de liturgische beweging duidelijk levitische trekken, bijv. als men het hefoffer in de eredienst weer zoekt in te voeren.
Wat er voor of tegen zulke verlengingen van Israëlitisch recht of oudtestamentische vormen van regering of eredienst te zeggen is, kunnen wij hier laten rusten. Het is er mij thans uitsluitend om te doen, aan te wijzen, dat dit geen kerkelijk gebruik van het Oude Testament betekent. Het staat op één lijn met het gebruik van bijbelstijl. Met dit onderscheid dat men in de door mij zopas genoemde gevallen de levensstijl van Oud-Israël probeert na te volgen.
Het kerkelijk gebruik van het Oude Testament is een geheel ander. En nu bedoel ik met het woord kerkelijk niet het liturgische. Ik denk bijv. niet aan de vraag, of men in onze godsdienstoefeningen vaak uit het Oude Testament moet preken of voorlezen en nog minder of men veel of alleen psalmen moet zingen. Dit alles laat ik hier terzijde. Het gaat ons hier om de hoofdvraag, in welke verhouding het Oude Testament staat tot onze zaligheid en wat het betekent voor ons geloof.
Daartoe begin ik met op de betekenis van het woord Testament te wijzen. Dat wil hetzelfde zeggen als verbond; een regeling van de verhouding tussen twee partijen. In dit geval tussen God en mens.
Welnu, deze betrekking is in het Oude Testament zo, dat ieder die er met Gods instellingen in aanraking komt, tot zondaar wordt. Het begint al dadelijk in Genesis 2 en 3. Het Paradijs is al een Testament, het alleroudste. Maar het gevolg van deze idyllische verhouding tot God is, dat de mens valt. Overal elders verlangt men terug naar de gouden eeuw. In het Oude Testament niet. Het heil ligt daar niet in het oude, maar in het nieuwe. Een cherub met een vlammend zwaard weert de terugkeer. En de moederbelofte (Gen. 3 : 15) wijst voorwaarts, in de geschiedenis, naar het Evangelie.
De overgang van oud in nieuw wordt in het Oude Testament telkens herhaald. Bij de zondvloed, bij Abraham, bij Mozes, bij Jozua, de Richteren, de Koningen; altijd weer worden de mensen tegenover de instellingen Gods tot zondaren. De Twaalf patriarchenb verkopen hun broer naar Egypte. Deze eerwaardige instelling, het patriarchaat, bijna even aanlokkelijk als het paradijs, gaat hopeloos te gronde in slavernij. Zijn geschiedenis is weinig stichtelijk geweest. Het is wel merkwaardig, dat beide, paradijs en patriarchaat, in het Nieuwe Testament voorkomen als een genadegift aan de grootste zondaar, de moordenaar aan het kruis, en aan de ellendigste bedelaar, Lazarus uit de gelijkenis. Dat bewijst wel heel duidelijk, dat een deelnemen aan het Oude Testament niet hierin bestaat, dat wij het op de een of andere wijze op dezelfde voet voortzetten.
Zoals het bij Adam en Eva ging en bij de aartsvaders, zo ook weer bij de Israëlieten in de woestijn. Met deze had God een nieuw testament gesloten, ter vervanging van dat met Abraham, Isaäk en Jakob (Ex. 6 : 1 v.).
Het patriarchaat was afgeschaft en maakte plaats voor een nieuwe verhouding van Goden volk (Ex. 20 : 2). Wie dan echter de geschiedenis van dit verbond in de boeken van Mozes leest, krijgt een volkskerk te zien, waarin de geloofsbelijdenis uit een gestadig murmureren bestaat! Deze kerk is zo weinig op voortzetting berekend, dat, voor er weer een nieuw testament kan beginnen, bij de intocht in Kanaän, degenen die uit Egypte zijn getrokken op volwassen leeftijd, Mozes inbegrepen, eerst allemaal moeten sterven, behalve de beide stichters van de kerk in Kanaän, Jozua en Kaleb.
En zo gaat het verder. Het boek Richteren besluit met enkele hoofdstukken, die ons toestanden laten zien, die weinig verschillen van wat wij in Genesis over Sodom en Gomorra lezen. Zo kan het dan niet langer en het koningschap doet zijn intrede in Israël, tegen de zin van de laatste richter, Samuel, in. De eerste koningskeuze betekent een breuk met het verbond van God en volk en staat gelijk met een verwerping van de Here. En toch opent zich daarin weer een nieuw testament. David is een man naar Gods hart, nadat Saul door God verworpen was. Maar wat de boeken der Koningen ons dan weer verhalen van de vorsten van Israël en Juda is een aaneenschakeling van zonden tegen het eerste en het tweede gebod, met enkele uitzonderingen. Dit alles duidt niet op voortduur, maar op een einde, dat dan ook welhaast komt.
Nog even volgt dan, na de ballingschap, een herstel. Maar troostelozer kerkelijke toestanden dan in de dagen van Ezra en Nehemia kan men zich nauwelijks denken. Daarmee is de geschiedenis van het Oude Testament dan uit.
Heb ik hiermee misschien onrecht gedaan aan oud-Israël? - Maar men leze de rede van Stefanus in Handelingen 7 en men zal een samenvatting van de historie van het oude volk vinden, in de toonaard, zoals ik die boven weergaf. Het is de nieuwtestamentische beschouwingswijze. Het Nieuwe Testament schrijft niet een stuk vaderlandse of algemene geschiedenis, als het over het Oude Testament spreekt. Het leert ons niet, hoe wij stukken Israëlitisch leven kunnen overnemen. Het laat ons alleen zien, dat ieder die onder deze verhoudingen met God in aanraking komt, tot zondaar wordt. Paulus heeft dat in Romeinen 7 zo aangrijpend getekend. Daarom moet het Oude Testament in Christus, die voor ons tot zonde gemaakt is, ophouden. Tussen ons en dit boek staat de dood van Jezus. En dat is de voorwaarde, waarop wij er alleen aan kunnen deelnemen. Zelfs als wij de psalmen zingen, mogen wij dat niet vergeten. Wij kunnen ze niet zomaar overnemen.
3
Ik heb trachten aan te wijzen, dat de kerk met het Oude Testament niet in een regelrechte betrekking staat. De dood van Jezus staat tussen ons en dat boek in. En wanneer wij het Oude Testament willen toepassen, dan mogen wij nooit vergeten, dat wij daarbij onder het kruis door moeten. Wij kunnen de Israëlitische ambten, bedieningen en gaven niet zomaar in de kerk overbrengen.
De verleiding om dat toch te doen, kan bijwijlen groot zijn. Wie zich ergert aan de verwarring in de kerk, kan er bijv. gemakkelijk toe komen terug te verlangen naar de tijd, dat de kerk een zichtbaar hoofd op aarde had, een hogepriester en daaronder een rangorde van priesters, een hiërarchie, zoals dat in oud-Israël het geval was. Inderdaad is men spoedig na de apostolische tijd ook voor die verzoeking bezweken en men komt dan in de kerkelijke letterkunde de namen van priester en leviet telkens tegen. Niet altijd om aan te wijzen, dat deze dingen in Christus een andere betekenis hebben gekregen, zoals dat in het Nieuwe Testament gebeurt, maar ook, om het gezag van de kerkelijke ambten er regelrecht mee te steunen. Deze verleiding is in onze tijd weer bijzonder groot.
Het episcopaat lijkt velen bijna de enige oplossing van de moeilijkheden, waarin de kerk zich bevindt. - Daarom mogen wij God wel bidden, dat Hij er ons voor beware om, als wij opkomen voor het Oude Testament als onmisbaar bestanddeel van de bijbel, dit boek toe te passen buiten Jezus en de apostelen om. Het Oude Testament zelf is onder het kruis doorgegaan en Christus is nu onze énige Hogepriester.
Wat van de ambten geldt, is ook van toepassing op de bedieningen. Van de levitische eredienst is ons niet alles bekend. Maar wij weten uit de psalmen wel, dat de vrome Israëliet, die gewend was geweest om de feesten in de tempel mee te vieren, er altijd naar terugverlangde. Ook hier dreigt een sterke bekoring, verzoeking, om deze dienst regelrecht voort te zetten. En na de dagen der apostelen kwam langzamerhand een cultus op, die in uitwendige betovering niet onderdeed voor de Joodse tempeldienst. Men vergat wat Jezus gezegd had tot de Samaritaanse vrouw, dat de tijd nu gekomen was, waarin de ene eredienst niet meer waard was dan de andere (Joh. 4 : 21-24). Het was nu onverschillig, of men te Samaria of te Jeruzalem God zou aanbidden. Het kwam er maar op aan, dat men het deed in geest en in waarheid. En dat kon men alleen doen, waar men Jezus in het midden had, al waren er dan ook maar twee of drie bijeen. Daarom moest men niet proberen weer een soort tempeldienst in te richten. Jezus ging naar het kruis en feest zou het niet meer worden, voor Hij, de Bruidegom, wederkwam om zijn Bruid, de Kerk, tot zich te nemen.
In de derde plaats moet ik nog iets zeggen over de oudtestamentische gaven. Wij kennen er vooral drie: de profetie, de psalmodie en de wijsheid. Deze drie gaan soms in elkaar over. - Nu heb ik al gezegd, dat wij de psalmen niet zomaar kunnen overnemen. Dat wil ik dus eerst nader toelichten. De diepste tonen uit het psalmboek zijn in Jezus' mond tot kruiswoorden geworden en zo kunnen wij dan ook bij de psalmen niet komen dan door de dood van Jezus heen. De psalmen moeten eerst tot gezangen worden, voor wij ze kunnen gebruiken. Met andere woorden: zij moeten met Christus in het Nieuwe Testament weer opstaan, nadat ze met Hem gestorven zijn.
Daarvan wil ik hier een paar voorbeelden geven. Ik denk nu aan Psalm 22, waaruit het vierde kruiswoord genomen is. Op Golgotha is dat woord volbracht en wij mogen de benauwenis van de psalm, die geperst wordt totdat het volbracht zij (Lukas 12 : 50), er niet weer in brengen. Dat volbrengen kunnen wij Jezus niet nadoen, al kunnen wij hem wel navolgen, door de psalm op de een of andere wijze tot een nieuwtestamentisch gezang te maken.
Zo staat het eveneens met Psalm 130, de zang Uit de diepte. Vooral in zijn Latijnse bewerking, in het De profundis, krijgt dit lied allicht een klank en een volume, die het meer tot een tempelzang dan tot een lied der gemeente maken. Een mens is - als ik het zo mag noemen - van nature geneigd dit als een verdienste van de Latijnse versie te beschouwen. Het is of wij uit het Latijn, een taal die wij zelf niet spreken, een stilte en in die stilte een stem horen. Een huiver van verhevenheid en geheimenis komt over ons, die op een verborgene wijze onze zinnen streelt.
Met zulke aandoeningen moeten wij als christenen heel voorzichtig om gaan. Soms brengen ze ons niet verder dan tot een stichting die ook de kunst ons kan geven. Maar het is ook mogelijk, dat ze ons in het Oude Testament terugvoeren, als we de psalm regelrecht en ongewijzigd in de kerk overbrengen. In het Nieuwe Testament spreekt God tot ons door de Zoon. Deze is wel meer dan de dienstknechten, de profeten. Maar Hij kent de Vader nog beter en spreekt gemeenzamer over Hem. Het Nieuwe Testament is in kerktaal geschreven en deze is eenvoudiger, minder plechtig, gewoner dan de meer verheven taal van het Oude Testament. De prediking en de zang in de kerk willen ons niet doen huiveren voor God, maar geloven in God; dat is: Hem leren kennen en vertrouwen. En zo mogen wij Psalm 130 ook niet ongewijzigd uit de Joodse tempel overnemen. De Heilige Geest geeft dit lied in de gemeente gewijzigd op, zodat wij het zelf kunnen zingen, ieder in zijn eigen taal. Het oudtestamentische De profundis is door Christus aan het kruis vervuld en als wij het overnemen, er aan deelnemen, het navolgen, dan moet het een gezang zijn. De psalm is met Christus gestorven. Hij is in het Nieuwe Testament een nieuw gezang.
Ik heb, behalve de psalmodie, ook de profetie en de wijsheid genoemd. Dat de profetie een ander karakter moet dragen dan in het Oude Testament spreekt wel vanzelf. Dat de profetie vervuld wordt in het Nieuwe Testament is zo bekend in de gemeente, dat men gevaar loopt er soms een spelletje mee te drijven. Maar daardoor weet ieder, dat de profetie onder het kruis is doorgegaan.
Minder vast in onze schoenen staan wij, als het gaat over de oudtestamentische wijsheid. Dat is wel de zwakke plek in onze beschouwing van het Oude Testament. - De psalmen nemen we vaak helemaal oudtestamentisch over. De profetie brengen we soms te gemakkelijk nieuwtestamentisch over. Maar met de wijsheid: de Spreuken en de Prediker, weten wij dan niet goed raad. Kunnen wij die zó overnemen en toepassen? Moeten die ook vervuld worden? Dat zijn vragen, waarop wij niet dadelijk het antwoord gereed hebben. Hoe moet de kerk deelnemen aan dit gedeelte van het Oude Testament? In welke vorm komt deze derde gave van de Israëlitische kerk nu nog voor?
Het is niet gemakkelijk op deze vragen een bevredigend antwoord te geven. En misschien is het antwoord juist niet goed, als het ons wel bevredigt. Er zijn tijden geweest, waarin de boeken der wijsheid hoog stonden aangeschreven. In andere voelde men zich met de Spreuken geheel op de grenzen van het Oude Testament. Ik meen dat wij, als wij van Salomo naar het Nieuwe Testament overgaan, bij de gelijkenissen van Jezus uitkomen.c Daarbij zien wij dan het omgekeerde gebeuren als bij de psalmen. Deze laatsten werden, om zo te zeggen, eenvoudiger; het werden in het Nieuwe Testament gezangen; het mysterieuze van de tempel ging er in de kerk af. De spreuken echter worden in de gelijkenissen geheimzinniger. De spreuk is schijnbaar regelrecht toepasselijk op het leven. De gelijkenis bevat een geheim, een verborgenheid (Matth. 13 : 10-13).
Daarin openbaart zich aan ons een wezenlijke trek uit de verhouding van Oud en Nieuw Testament. In de kerk worden de dingen onder het Nieuwe Testament eenvoudiger; in het leven worden ze wonderlijker.
4
Wij hebben dus gelet op de wijze, waarop het Oude Testament in het Nieuwe vervuld wordt. In zoverre kan men dan zeggen, dat het ophoudt. Bij de dood van Christus vindt het zijn einde. Toch is het in de kerk niet helemaal verdwenen. Naast het Nieuwe Testament blijft er van het Oude iets, zelfs nog veel over. Wij lezen daarvan in de Brief aan de Hebreën: "Als Hij zegt: Een nieuw verbond, zo heeft Hij het eerste oud gemaakt; wat nu oud gemaakt is en verouderd, is nabij de verdwijning" (8 : 13).
Bij dat woordje nabij leg ik nu de vinger. Jezus heeft gezegd, dat het Koninkrijk der hemelen nabij gekomen is (Matth. 4: 17). Welnu, naarmate dat het geval is, verdwijnt ook het Oude Testament. Het ene 'nabij' is recht-evenredig met het andere. Maar het Koninkrijk is wel nabij, doch wij moeten toch nog bidden: uw Koninkrijk kome. Als Jezus ten hemel vaart en de discipelen Hem vragen: Zult gij in deze tijd aan Israël het Koninkrijk weder oprichten? dan zendt Jezus hen naar Jeruzalem om zijn kerk te stichten.
Tussen het Oude Testament en het Koninkrijk der hemelen staat de kerk. Haar bestaan wil zeggen, dat het Godsrijk nabij is, maar nog niet gekomen. En tegelijk, dat het Oude Testament nabij de verdwijning, maar nog niet verdwenen is. Wij leven onder het Nieuwe Verbond, maar kunnen het Oude nog niet helemaal missen.
Wanneer wij de Twaalf artikelen lezen, dan zien wij de lijn van die geloofsbelijdenis lopen van de schepping naar het kruis en het graf en de hel. Dat is de vernedering. Maar dan komt dadelijk daarop de verhoging. Eerst de opstanding, dan de hemelvaart en eindelijk het zitten aan de rechterhand Gods. In deze richting houdt het Oude Testament helemaal op.
Maar daarmee zijn de Twaalf artikelen nog niet uit. Er komt nog wat men - met de lutherse indeling in drieën - het derde artikel noemt. Daarin gaat het over de Heilige Geest en de kerk. En daar houdt het Oude Testament nu nog niet helemaal op, hoewel het nabij de verdwijning is. Reeds de grondvorm der kerk, het twaalftal der apostelen, is aan het Oude Testament ontleend. Immers daar waren twaalf stammen Israëls, zoals vader Jakob twaalf zonen had.
Over de verhouding tussen die beide nabij's, het nabij-zijn van het Koninkrijk der hemelen en het nabij-zijn van de verdwijning van het Oude Testament, is van het begin af verschil van gevoelen geweest. Paulus dacht er anders over dan Petrus en vooral dan Jakobus. Het ging over de mate, waarin de mozaïische wetten door de christenen nog onderhouden moesten worden. Paulus heeft dat 'nabij de verdwijning' ver doorgetrokken en de kerk is hem daarbij gevolgd. Marcion, een volgeling van Paulus in 't midden van de tweede eeuw, verwierp het Oude Testament helemaal, maar de kerk is hem daarin niet bijgevallen. Zij veroordeelde zijn gevoelen.
Later, bij de kerkhervorming, kwam dezelfde vraag weer aan de orde, maar meer van de tegenovergestelde zijde. Het ging er toen minder om, hoe nabij het Oude Testament bij de verdwijning was, als wel, hoe nabij het Koninkrijk der hemelen gekomen was. - De lutherse en de gereformeerde kerken zijn daarbij in de katholieke lijn gebleven. Zij hebben zich bij de evangeliën niet regelrecht aangesloten, maar door bemiddeling van de Handelingen der Apostelen, het boek van de kerk. Zij hebben zich door Paulus tot Jezus laten leiden. Zij hebben het derde artikel van de Apostolische geloofsbelijdenis laten staan.
Daarin lag dan tevens opgesloten, dat het Oude Testament betekenis voor hen behield. In sommige gereformeerde kringen was dat zelfs vrij sterk het geval. Ik denk daarbij vooral aan de Nonconformistend in Engeland uit de tijd van Cromwell, die in hun denken en leven, vooral in hun strijd tegen de Jakobussen en de Karels, vaak een zeer letterlijk beroep op Israëls historie en profetie deden.
Maar ook onder de stillen in den lande in gereformeerde kringen bloeide vaak een zeer nauw verkeer met het Oude Verbond. Dit kwam dan uit in de zondagsviering, in de aard van de lectuur en in de levenswijze. Daaraan waren dan weer gevaren verbonden, die van andere zijde werden aangewezen door zulke opvattingen wettisch te noemen. Men bedoelde daarmee, dat zulke mensen gevaar liepen te vergeten, dat het Oude Testament nabij de verdwijning was en dat Paulus, vooral in de brief aan de Romeinen en die aan de Galatiërs, tegen een overheersing van de kerk door het Oude Testament was opgekomen.
Wanneer men nu moet zeggen welk gebruik, binnen bepaalde grenzen, die men daarbij niet overschreden wenste te zien, de kerk van het Oude Testament heeft willen maken, dan mag men misschien het volgende opmerken.
Op het Pinksterfeest hebben de apostelen, door de Heilige Geest gedreven, het Nieuwe Verbond en de vervulling van het Oude met tongen zoeken uit te roepen (Hand. 2). Was dit voortgegaan en tot de volmaaktheid voortgevaren, dan zou het Koninkrijk der hemelen op aarde gekomen zijn en het Oude Testament ware dan geheel verdwenen. Dit is echter niet gebeurd. De pinkstertaal werd niet voldoende verstaan. En al dadelijk, in de eerste preek, wordt de taal van het Oude Testament door Petrus te hulp geroepen.
Daarom ziet men van 't begin af aan een vertaling van het Nieuwe Testament in oudtestamentische taal. De pinkstertaal, de taal van het Koninkrijk der hemelen, wordt nog niet allerwege gesproken. Paulus doet ook mee aan die vertaling. Men ziet hem er mee worstelen in de gemeenten (1 Kor. 14). Hij zou wel in pinkstertaal kunnen spreken, maar hij wil het niet doen, omdat hij in de eerste plaats verstaan wil worden.
En zo heeft, naast de taal van het Nieuwe Testament, dat is de taal van alle volkeren, die van het Oude Testament een plaats in de kerk gekregen. En die plaats is heel groot geworden, want het is ons nog niet geopenbaard hoe wij zijn zullen in het Koninkrijk der hemelen (1 Joh. 3 : 2). Wij hebben daar nog geen woorden voor. Daarom maakt de kerk gebruik van de woordenschat van het Oude Testament om het Nieuwe uit te leggen.
En deze oudtestamentische vertolking gaat ver. Anders zouden wij het Evangelie niet begrijpen. Niet alleen de woorden in letterlijke zin doen daarbij dienst, maar ook de ambten, bedieningen en gaven. In het Nieuwe Testament en in de kerk wordt Jezus gepredikt onder de namen van profeet, priester en koning, naast de meer nieuwtestamentisch klinkende namen van apostel (Hebr. 3 : 1), leidsman (Hebr. 2 : 10) of getuige (Openb. 1 : 5). De eerste drie namen hebben zelfs in de kerkleer een veel bredere plaats gekregen dan de laatste drie. Weer een bewijs, dat wij de oudtestamentische taal gemakkelijker verstaan.
Dit gebruik van het Oude Testament valt onder het oordeel der liefde, dat Paulus in 1 Korinthe 13 aan de kerk aanlegt en dat later ook door Augustinus en door Luther en Calvijn is gebruikt. Wij zouden daarvan geen afstand kunnen doen zonder de kerk te vernietigen.
Wanneer het Oude Testament verdwijnt, verdwijnt ook de kerk. Nu is het nog maar nabij de verdwijning. En in deze zin is de kerk katholiek. Zij zoekt verstaan te worden tot aan de einden der aarde. Wanneer de mensen niet tot het Koninkrijk komen, dan zal het Koninkrijk tot hen gaan. Zo heeft Jezus het gewild en zo heeft Paulus het gedaan.