Het geweten1
Het geweten is een van die allereenvoudigste dingen in ons leven, die ons door hun eigen duidelijkheid in de war brengen. Van heel veel zaken kunnen we door redenering nog wel wat te weten komen. Wij brengen de vraag dan in wat ik een geestelijke vergelijking zou, willen noemen en werken die dan verder heel rustig uit, totdat we de waarde van de 'onbekende' leren kennen. Tegen zo'n behandeling verzet zich het geweten. Deze x is te raadselachtig om zich in onze logische bewerkingen te laten vangen.
Het geweten is meer een ding dan een begrip. Wat we er van merken is meer dan wat we er van weten. Nu is dat bij de meeste noties van onze geest het geval, maar zelden in die mate als hier. Onze begrippen proberen we steeds kapot te denken, zodat ze zich splitsen. Van geloof zeggen we dan, dat het kennis + vertrouwen is. Een mens is een dier + verstand. Zo trachten we tot een definitie te komen. Maar deze logische scheikunde wil ons bij 't geweten slecht gelukken. - Zelfs de 'kennisse des goeds en des kwaads',2 die ten grondslag ligt aan heel onze zedekunde, wil hier niet goed van toepassing worden. De beitel, waarmee we alle elementen der ethiek kunnen splitsen, wordt stomp op het gegeven van het geweten. Want wanneer wij naast het kwade geweten een goede consciëntie plaatsen, dan is die laatste niet de betere helft van het eerste, maar een nieuw begrip, dat naar analogie van het eerste is gevormd. Het oorspronkelijke geweten werkt -slecht terug op het boze.
De vraag dringt zich dus aan ons op, of het geweten dan wel zuiver gezien kan worden in verband met wat ons bekend is uit ons zedelijk leven, waarin de tegenstelling van goed en kwaad regeert. Als het geen orgaan is voor de kennis van goed en kwaad beide, maar uitsluitend of overwegend op het laatste reageert, heeft het z'n zetel dan misschien beneden de drempel van het zedelijk bewustzijn? Speelt het daar zijn rol op een gebied dat tussen het natuurlijke en het zedelijke in ligt, zoals de platonische 'herinnering' (anamnesis) functioneert tussen het denken en het zijn? Maw. is het een openbaring van het demonische?
Ik acht het niet raadzaam om met dit laatste een interessant spel te drijven. We moeten achter ons leven niet roekeloos zelf een duistere achtergrond aanbrengen. God schiep eerst het licht en daarna de mens. Maar het is ook mogelijk het leven moraliserend te vervlakken. En indien ergens, dan moeten wij daarvoor bij het geweten op onze hoede zijn. Het woord heeft allerlei betekenissen gekregen. In de opvoedkunde gebruikt men het bijna als synoniem met verantwoordelijkheidsgevoel en karakter. In de geloofsleer komt het haast gelijk te staan met berouw. In de zedekunde is het vaak gebruikt in de zin van persoonlijkheid. Deze rijke vertakking bewijst, dat het diep in ons bewustzijn geworteld staat. Maar zij mag onze aandacht niet van de stambetekenis afleiden, die het best uitkomt in de samenstelling: gewetensangst. In die zin behoort het tot die elementaire dingen, die gelijkelijk beslag leggen op de geest van de denker, de dichter en het kind. Dan staat het in de rij met de ruimte, de tijd en het donker, die de angsten van ons leven hebben uitgemaakt voor we.het onderscheid wisten tussen onze rechter- en linkerhand, voor we op de klok konden kijken of het verschil kenden tussen goed en kwaad. In deze zin heeft, de pedagogiek ten spijt, het jonge kind meer geweten dan het oudere. Het weet, welk een dreiging deze wereld inhoudt tegen ons bestaan. En in de gewetensangst waakt dit oorspronkelijk bewustzijn, weliswaar op allerlei manier gewijzigd, maar toch met eigen elementair geweld weer op.
Als zodanig heeft het geweten dan ook met het christendom niet te maken. Paulus, die het woord in gekerstende betekenissen gebruikt, weet ook nog wel te spreken van een geweten dat werkt, als er nog geen Evangelie en zelfs geen Wet bekend is.3 Een bewustzijn, dat aan godsdienst en zedelijkheid voorafgaat. Een meer directe verhouding tot God vanwege de schepping en de natuur. - En zo komt het dat, wanneer men dit onderwerp in z'n volle afmetingen wil behandeld zien, men niet bij de christelijke dogmatiek of ethiek, maar bij de filosofie en de literatuur ter schole moet gaan. Maar in de prediking mogen wij dat niet overnemen. In het Evangelie verliest het geweten z'n demonisch karakter. Jezus kent het, als hij spreekt van een "bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons".4 Maar wie Hij, zoals Petrus in z'n verloochening, heeft aangezien, voor die is het geweten iets anders geworden. Het heeft, als de dood, z'n prikkel verloren.
Wel komen wij het geweten levensgroot tegen in het Oude Testament, voorzover het het boek der schepping en van de oer-geschiedenis is. Ik denk natuurlijk allereerst aan Genesis 3. Daar schijnt echter onze mening, dat het geweten dieper in de schepping staat dan de zedelijkheid, regelrecht weersproken te worden. Immers het ontwaakt tegelijk met een poging om het onderscheid tussen goed en kwaad te leren kennen en schijnt van gelijke oorsprong met de moraal. Men vergeet daarbij echter, dat Adam en Eva bedrogen worden door de slang. In plaats van het zedelijke leren ze het zinnelijke kennen. Lust en onlust in plaats van goed en kwaad. Zij komen plotseling in aanraking met iets dat geweldig is en demonisch, maar dat ze niet goed durven noemen. Zij ontdekken hun geschapenheid van een zijde die henzelf beangstigt. Ze voelen zich ontdekt en hebben behoefte zich te verbergen. - Het is duidelijk dat we hier niet te doen hebben met een zedelijke overweging, met ampele beschouwing van de goede en de kwade kant die er aan de zaak is. Daarvoor is de gewetens-reactie, die we schaamte noemen, te fysiek. Zij voltrekt zich beneden de drempel van de moraliteit. En zij maakt ook geen onderscheid tussen goed en kwaad, maar stempelt een moment in de geschapenheid of de natuur eenzijdig als boos, zonder er bij te zeggen wat dan goed is. Een uitspraak die nog steeds tot het lijden in 't bijzonder van het kind behoort, maar ook de volwassene niet onbekend is.
Daarom is het onjuist en verwarrend om, zoals men in onze tijd zo graag doet, de zinnelijkheid uit zuiver zedelijk oogpunt te bezien en haar dan als een moment in ons bestaan eenvoudig goed te noemen. De schepping als zodanig valt niet onder een zedelijk oordeel, maar wel onder gewetensoordelen, waarvan de schaamte een der meest primitieve is. - Dat is de waarheid van de christelijke ascese, die door een modern naturalisme, soms onder het mom van christelijke zedelijkheid, voor een heidens inkruipsel wordt versleten. Was dit zo, dan had de heiden een beter creatuurlijk besef dan de christen. Paulus prijst hem dan ook daarom. De schepping is er niet om recht-toe-recht-aan uitgeleefd te worden, maar ligt onder de rem van het geweten. Wanneer dat vergeten wordt, gaat elke schone 'mij dinghe' en puriteinse charme verloren.
Dat het geweten zulk een reflexieve beoordeling inhoudt, komt in de schaamte wel heel duidelijk uit. Van het zedelijk oordeel kan men in 't algemeen zeggen, dat het ons de weg vooruit wijst en dat het ons met anderen verbindt. In de schaamte echter slaat het oordeel terug als een benzinevlam en we worden er door geïsoleerd. Door de rode cirkel van ons eigen bloed staan wij dan omschreven en ons zelf-bewustzijn wordt op pijnlijke wijze verhoogd. Ons bestaan voelen wij dan als een boze zaak en de weg om daarvan in de gemeenschap verlost te worden, wordt ons afgesneden.
Het is merkwaardig, dat wij ons Satan meestal roodgeaderd afbeelden. Is het, omdat we hem ons denken in de krampen van z'n geschapenheid tegenover God, zonder een weg uit z'n isolement? Voor ons is het een weldaad als de dialectiek der Wet met haar goed en kwaad, wel en wee, klaarheid komt scheppen in de raadselachtige orakel-spreuken van het geweten, ook al lopen wij daarbij gevaar tot moraliserende vervlakking te geraken. Bij dit laatste denk ik aan de Joodse wetgeleerden tegenover de Griekse treurspeldichters.
In Genesis 4, in de geschiedenis van Kaïn en Abel, is de schijn dat wij ons op zuiver zedelijk gebied bevinden nog veel sterker. De vraag luidt niet meer: "Adam, waar zijt gij?", maar: "Waar is Abel, uw broeder?" En: "Wat hebt gij gedaan?" Maar ook in deze oer-geschiedenis is die opvatting niet houdbaar. Dit hoofdstuk geeft verslag van de verschijning van de dood onder de mensen, voordat de doorgang daarvan tot alle mensen ons in Genesis 5 in verheven monotonie wordt voorgezongen. Hier, in Genesis 5, is het sterven al gemoraliseerd. Het is het contrapunt van de geboorte in de fuga des levens en schijnt een noodwendig bestanddeel van de harmonie. Maar in Genesis 4 is het daad en ontdekking van de mens tegelijk, zoals bij de zinnelijkheid in Genesis 3. Kaïn is zeker geen moordenaar met voorbedachten rade. De dood is voor hem een vreselijke openbaring, waarvan hij niet geweten heeft. Jezus geeft daaraan getuigenis, als hij bidt: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen."5⌫ En zoals de eerste die ons buiten het paradijs tegemoet treedt een doodslager is, zo ook de eerste die we daarin met Jezus weer zien binnengaan, als de ontdekking van Kaïn aan het kruis is te niet gedaan.
God heeft zinnelijkheid en dood met elkaar verbonden. "Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven".6 Van dat verband vermag ons het zedelijk oordeel geen rekenschap te geven. Het tracht nog wel de zinnelijkheid, als geschapenheid zonder meer, goed te noemen, tegen de uitspraak van de schaamte in, maar ten opzichte van de dood durft het meestal zover niet te gaan.a Daarvoor is de sprake van het geweten te duidelijk. Want het is klaar, dat wij hier weer met een zuiver gewetensoordeel te doen hebben . Het stempelt een stuk van ons leven als boos, zonder te zeggen waarom. Het is reflexief, niet dialectisch. - De beschrijving van Genesis 4 is juist uit dat oogpunt van een geweldige kracht en pracht. God zoekt Kaïn de enige uitweg te wijzen door hem de Wet te prediken. "Is er niet, indien gij wel doet, verhoging? en zo gij niet wèl doet, de zonde ligt aan de deur."8 Maar Kaïn gaat er niet op in. En dan neemt de intocht van de dood in het leven z'n loop. Niet de 'strooien' dood, de gemoraliseerde, maar de eerste en de echte. De dood als daad en openbaring, apocalypse. Daarop is hier de stem van het geweten van toepassing. De uitspraak is hier van veel wijder strekking dan in Genesis 3. Er is meer ruimte tussen de man en z'n daad dan bij de zinnelijkheid. Meer ruimte ook tussen geweten en mens dan in dat hoofdstuk. Het bloed dat hem beschuldigt is niet zijn eigen, maar dat van z'n broeder. En het is niet de stem van z'n lichaam die hem aanklaagt, maar van moeder aarde, waaruit hij genomen is. De echo van zijn doodslag hoort bij overal. Zij was er al in z'n ziel vóór de daad, toen hij neerslachtig was. Zij klinkt na uit alle hoeken, als hij vreest dat ieder ander hem zal doodslaan. Wij zijn hier buiten de sfeer van Wet en Evangelie. Want zoals Kaïn voor de eerste geen oog heeft, zo ontkent hij ook het laatste: "Mijne misdaad is groter dan dat zij vergeven worde."8a ⚑Het is vergeefse moeite en het sticht grote verwarring, wanneer wij deze dingen op zuiver zedelijke noemer zoeken te brengen. De oorlog bijv. kunnen we in onze beredeneerde ethiek niet onderbrengen. Hij verwaardigt zich niet een antwoord te geven op de vraag, of hij goed of slecht is. Hij is er en ons geweten stempelt hem zonder meer als boos.
Wanneer ik zinnelijkheid en oorlog beide onder een gewetensoordeel breng, dan wil ik toch de afstand hier niet uit 't oog verliezen. Die wordt wel aangewezen door het verschil tussen schaamte en afgrijzen. De eerste markeert de eerste stap buiten het paradijs, het andere is een terugdeinzen voor het apocalyptische einde. Het is een onderscheid als tussen een kind en een monster. En als wij zeggen dat beide in strenge zin niet te moraliseren zijn, dan verbinden we daarmee toch heel verschillende gedachten. Het kind wast op en wordt onder de Wet gesteld om straks vrijgemaakt te worden door het geloof in het Evangelie. Het monster kan alleen maar 'te niet gedaan' worden.
En toch openbaren zij telkens hun verwantschap, de zinnelijkheid en de apocalyptische dood. In onze tijd doen zij dat door er brutaal voor uit te komen dat zij onder en boven de wet zijn. In de middeleeuwen verbonden zij zich in een verenigd moraliseringsproces. En in het Evangelie wordt de eerste zelfs de laatste en de laatste de eerste. Terwijl de moordenaar de Hof binnengaat, verhangt Judas zich in het tuintje van z'n eigen huis, omdat hij een zinnelijke Christus begeert, voor huis en hof, vrouw en kind.
Zo zien wij het geweten als de kroongetuige tegen onze (zondige) menselijkheid. Het staat niet in de lijn van de heilsopenbaring, van Wet en Evangelie. Deze leiden de mensheid voorwaarts, de toekomst van Jezus Christus tegemoet. Het Evangelie is niet in de schaamte van Adam en Eva, maar bij hun kinderen. Niet bij Kaïn, maar bij Seth. Het is later niet bij Saul, de koning van de angst, maar bij David, de man van het berouw. Het geweten zou de mens op z'n leven terugwerpen en de geschiedenis stil zetten. Het is bewustzijn van het boze. Dit gewaarworden van een eigen boos bestaan kan in graad tot in 't oneindige stijgen. Het is niet zuiver individueel. Het isoleert de beschuldigde wel, maar aan de aanklacht kunnen alle stemmen der schepping en der geschiedenis deelnemen. De gewone grenzen van het zedelijk bewustzijn en soms ook van het natuurlijk bewustzijn kunnen hier wegvallen. Het geweten is een spookhuis waar het geen zin heeft de grendel op de deur te schuiven. - Zo kent het kind, de dichter en een enkele denker het geweten.
Hadden wij 't Evangelie niet, dan zouden we moeten trachten het geweten te overwinnen. We zouden met de tijd de eeuwigheid moeten verslaan. Shelley heeft daaraan uitdrukking gegeven in z'n Prometheus Unbound. Prometheus is een Satan tegenover Jupiter, zoals Milton er een tegenover God heeft gedicht.9 Maar bij Shelley heeft de opstandeling gelijk. Hij draagt de toekomst der mensheid in z'n borst en kent het evangelie van Jupiters eindelijke val. Prometheus wijst de beschuldiging van boosheid af en houdt de gewetensbeten uit. Hij spreekt Jupiter aldus aan:10
Three thousand years of sleep-unsheltered hours,
And moments are divided by keen pangs
Till they seemed years, torture and solitude,
Scorn and despair, - these are mine empire: ⚑More glorious far than that which thou surveyest
From thine unenvied throne, 0 Mighty God!
Almighty, had deigned to share the shame
Of thine ill tyranny, and hung not here
Nailed to this wall of eagle-baffling mountain,
Black, wintry, dead, unmeasured; without herb,
Insect, or beast, or shape or sound of life.
Ah me! alas, pain, pain ever, for ever!
No change, no pause, no hope! Yet endure.
Hier moet de tijd redding brengen. De uren spoeden zich om Prometheus te hulp te komen:11
Cars drawn by rainbow-winged steeds
Which trample the dim winds: in each there stands
A wild-eyed charioteer urging their flight.
Some look behind, as fiends persued them there,
And yet I see no shapes but the keen stars:
Others, with burning eyes, lean forth, and drink
With eager lips the wind of their own speed,
As if the thing they loved fled on before,
And now, even now they clasped it. Their bright locks
Stream like a comet's flashing hair: they all
Sweep onward.
Treffender dan in deze prachtige verzen kan de verhouding van tijd en geweten buiten het Evangelie om wel niet tot uitdrukking worden gebracht. Maar wat Shelley hier z'n Titan laat volbrengen en wat hij de taak der mensheid achtte, dat is te veel voor een Adamskind. Het geweten is een te machtige partuur. Macbeth, in Shakespeare's drama, wil het ook proberen. Als Banquo hem in de weg staat en z'n vrouw hem vraagt wat er gedaan moet worden, heeft hij een groot woord: Be innocent of the knowledge, dearest chuck, Till thou applaud the deed.
...
Thou marvell'st at my words: but hold thee still: Things bad begun make strong themselves by ill.
Maar als hij straks Banquo's geest in z'n zetel ziet, dan is hij weer een kind dat bang is, en het baat niet of lady Macbeth al verklaart dat het niets meer te betekenen heeft dan een spookhistorie, die een vrouw bij de winterhaard vertelt op gezag van haar grootmoeder.
Hoe wijde relaties het geweten in de schepping heeft, dat heeft Shakespeare ons hier getoond, waar de lucht bij het begin al vol is van het:
Fair is foul and foul is fair, ⚑en we aan 't slot het bos van Birnam naar Dunsinane zien komen.
Het is duidelijk, dat het huiveringwekkende symptoom van onze menselijkheid, dat de dichter hier voor onze fantasie oproept, niet veel te maken heeft met dat 'consciëntieuze', dat we in iemands handelwijze zo graag aantreffen, of met de 'droefheid naar God',12 waarvan de bijbel spreekt. Het is een veel meer natuurlijk, geschapen iets, dat z'n correspondenties heeft met alle delen van ons creatuurlijk bestaan. Daarom kan het van belang zijn er ook op te letten wat de filosofie er van zegt. Niet het minst zijn we nieuwsgierig naar de opvatting van Kant, die zulk een scherp oog heeft voor het verschil in de gewaarwordingen van ons leven. - Nu zal wat hij zegt ons heel anders aandoen dan de visies in de verzen van Shelley of Shakespeare. En het is niet gemakkelijk om uit te maken of men met 't zelfde gegeven te doen heeft. Maar toch treft ons al dadelijk, dat Kant bij de beschouwing van 't geweten een strenge soberheid betracht.13 Hij kent niet die rijke ontplooiing van het begrip 'geweten', die we in sommige zedekundige handboeken tegenkomen. Wel een uitspraak voor of na de handeling. Maar bij een gunstige uitspraak komt het niet tot vreugde, doch slechts tot geruststelling. Er is hier dus wel sprake van een geheimzinnige presentie die ons leven begeleidt; en als geruststelling de hoogste satisfactie is, dan kijkt de betrekking op het boze-alleen hier toch wel om de hoek. Kant tracht, dat spreekt vanzelf, aan zijn voorstelling een zo weinig mogelijk mythologische vorm te geven. Maar als hij het geweten 'das Bewusztsein eines inneren Gerichthofes im Menschen' noemt,14 dan betaalt hij toch de tol aan het visionaire. Het is een van die hazelnootachtige uitdrukkingen, waarvan Kant er zovele heeft, dor en droog. Maar het geniale van Kant is, dat zijn abstracties zo weinig abstract zijn. Met dat gerechtshof binnen in de mens zijn we toch niet al te ver van Shakespeare af. Vooral als we opmerken dat het geweten hier zelf niet rechtspreekt, maar de plaats is die binnen in ons gereserveerd moet blijven voor wetgeving, toerekening en rechterlijke uitspraak. Nu heeft Kant er moeite mee, dat eerste, de wetgeving, met het geweten in verband te brengen,b zodat toerekening en rechterspreuk overblijven. Zo wordt z'n opvatting nog 'unheimlich' genoeg. Een open ruimte in ons leven, waar ieder ogenblik getuigen en rechter kunnen optreden om ons te vonnissen of in 't gunstigste geval gerust te stellen. Want Kant bedoelt eigenlijk alleen een terugwerkend geweten, na de handeling.c Men zal mij toestemmen dat deze 'leere Form der Skrupulosität', zoals men het genoemd heeft,15 onder alle apriori's van Kant wel de meest spookachtige is. Indien ergens dan blijkt tenminste hier, dat het transcendentale, zoals hij de niet door ervaring verkregen voorwaarden van onze kennis noemt, niet bloot-menselijk gedacht mag worden. De 'leere Form' van het geweten, de 'reine' consciëntie, is ruim genoeg voor de vlucht der heksen uit Macbeth.
Met deze, de hele schepping in onze kennis betrekkende gedachte van Kant maakt een bekend hedendaags filosoof, Martin Heidegger, weer volle ernst.16 Hij noemt zichzelf een wijsgeer van 'Sein und Zeit'. Men kon hem nog beter de filosoof van 't geweten noemen. Het 'zijn' is 'mijn-zijn' en 'mijn-zijn' is 'schuldig-zijn'. En het geweten roept mij terug in mijn schuld. Het roept mij terug uit het publiek, waarin ik mij graag verschuif, de conversatie, de conferentie, het feest, waar ik 'men' ben en geen 'ik'. Het roept mij terug in de 'Unheimlichkeit' van het 'Unzuhause', waar mij n thuis is en waar ik schuldig ben. Met een gevoel dat angst heet, treed ik daar binnen. Alles gaat toe zonder dat er één woord gesproken wordt. En dit vonnis is een doodvonnis. 'Mijn-zijn' is niet alleen 'schuldig-zijn', maar ook 'Sein zum Tode'. In de schuld teruggeroepen, moet ik de dood in 't aangezicht zien en zo de zin van het 'Zijn' ontdekken. En toch moet ik 't uithouden. Alleen dan ben ik in staat de situatie der wereld te overzien en te beheersen.
Prometheus! zegt de lezer, en hij heeft gelijk. Wij hebben hier alle momenten van het geweten als kosmisch getuigenis tegen de geschapen enkeling. Hier is het weer zuiver reflexief en beschuldigend. Van een goed geweten, een waarschuwend geweten, wil Heidegger niet gesproken hebben. En hier is het uithouden de les die de mensheid heeft te leren. - De overeenkomst gaat echter nog verder. Voor Heidegger is het schuldigzijn en het voor-de-dood-bestemd-zijn op een zekere raadselachtige, alleen-hoop-gevende wijze met de tijd verbonden. 'Sein und Zeit'dat is Prometheus en de Uren.17
En deze dingen zijn niet louter academisch. De rekenschap die generaal Schleicher,18 een der figuren uit het hedendaagse Duitse politieke schaakspel, eens in een interview van zijn levensgevoel gaf, kon bijna woord voor woord uit Heidegger genomen zijn. En toch heeft deze wijsgeer niets 'schneidiges'. Zijn filosofie is die van een groot kind. Hij zegt het zelf: bij wil niet theologisch zijn en ook niet biologisch.19 Maar wat dan, als men niet vroom en ook niet wetenschappelijk over 't geweten mag spreken? Dan is men direct, zoals de bijbel en Shakespeare. Men spreekt er over zoals een kind over het donker dat zijn geweten is. Maar een geweten van groter afmetingen en meer diepte dan het eigen bewustzijn. Een soort 'inwendig gerechtshof'. Inwendig, omdat men het gewaar wordt zonder het te zien, maar van zo'n vervaarlijke innerlijkheid, dat donker, dat er in de werkelijkheid of de fantasie geen gestalte bestaat, die er niet elk ogenblik in op kan treden. - Dat geweten bevat ook niet enkel aanklacht over de een of andere afzonderlijke daad. Men maakt dat soms de kinderen wijs en bewijst daarmee, dat men niet meer bij machte is uit de zedelijke sfeer in die van het geweten te komen. Het donker houdt voor het kind een dreiging in tegen z'n hele bestaan, alsof het hem de vermetele stap om op het wereldtoneel mee te spelen wil doen berouwen. Het ontdekt hem de zin van het bestaan als schuld en tracht hem terug te drijven.
Dit gewetensoordeel is nog primitiever dan de schaamte, Het raakt onze existentie nog dieper dan in de vorm van zinnelijkheid. Genesis 3 kan niet helemaal 't begin zijn. Reeds vóór de schaamte moet er een rem op de schepping gelegen hebben. Er is solidariteit tussen engelen en mensen, die de hele bijbel door uitkomt, en die reeds vóór Genesis 3, om de val der engelen, een schaduw op de aarde geworpen moet hebben.
Het bewijst ook dat wij van de schepping uit niet kunnen moraliseren. Wij moeten het doen van het Evangelie uit. De zinnelijkheid op zichzelf, buiten Wet en Evangelie om, goed te noemen, leidt tot brutaliteit. En ook van ons bestaan op zichzelf kan men niet zeggen, dat het een eenvoudig wezen is, een 'overvloedige fonteyn aller goeden'.20 Dat is God alleen maar. Het is donker in zich zelf en daarom is God begonnen met het licht te scheppen. Hij heeft de Wet laten prediken en het Evangelie doen verkondigen. Nu schijnt het licht in de duisternis en Jezus Christus is 'het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iegelijk mens, komende in de wereld'.21 Aan ieder kind kan men merken, dat het dat wel nodig heeft en dat het goed is de Tien geboden en de Twaalf artikelen te leren.
Dit opstel is tot nog toe niet stichtelijk te noemen in de gewone zin, ofschoon het dat in een andere betekenis toch wel kan zijn. Ik zal niet trachten er nu nog zulk een slot aan te maken. Ik vind 't beter het zo te laten. Alleen wil ik nog in 't kort aanwijzen, hoe het geweten in de sfeer van zedelijkheid en godsdienst, Wet en Evangelie, een gewijzigd karakter krijgt. Hoe dit geweldige stuk geschapenheid de Doop ontvangt.
Als het z'n naam krijgt - syneidèsis - bij de Stoïcijnen en enkele anderen, dan heeft het reeds niet meer de betekenis die wij boven hebben leren kennen. Men neemt gewoonlijk aan, dat het verval van de politieke volkszede de behoefte aan een woord voor individuele zelfbeoordeling met zich heeft gebracht. Hoe dit zij, het spraakgebruik ontwikkelt zich in die richting. Maar het is voor ons hier van belang op, te merken, dat de differentiëring van het begrip tot de vele momenten van het zedelijke en religieuze oordeel, die wij er onder samenvatten, pas recht wil gelukken bij Philo, die de Wet, en bij Paulus die het Evangelie kent. Bij de heiden blijft het demonische te dicht in de buurt. Bij Jood en christen werpen Wet en Evangelie grote lichtstrepen in het grote kosmische donker, waardoor de dreiging wordt tegengesproken. God is meerder dan ons hart. Het geweten wordt als 't ware gedecomponeerd, in stukken uiteengenomen. En elk stuk moet God dienen, zoals ook Satan Gods molenknecht heet. Men hoort Paulus zelfs spreken van een goed geweten,22 maar het gebruik van die term, waaraan wij gewend zijn, mag ons niet doen vergeten dat wij daarin niets minder hebben te beluisteren dan een herhaling van het scheppingswoord: "Er zij licht!" Ditmaal echter in nog veel voller en heerlijker betekenis.
'Geweten' wijst dan ook niet steeds meer terug. Er is een weg vooruit in het leven. De duisternis jaagt ons niet meer terug, maar het licht van Gods Woord licht ons vooruit. "Uw Woord is mij een lamp voor mijn voet, mijn pad ten licht om 't donker op te klaren."23 Het geweten is niet meer de kosmische reflex, die op onvoorziene ogenblikken met onweerstaanbaar geweld optreedt en de hele schaal, van de schaamte af tot de doodsschrik toe, kan doorlopen. Het legt deze onberekenbare demonie af en gaat over in de gestadige gemeenschap des Heiligen Geestes, die ons in alle waarheid wil leiden. Ieder kan in de bijbel nagaan, hoeveel regel en geleidelijkheid Wet en profeten in het O.T. reeds in de openbaring van God geschapen hebben. Maar ook daar nog overvalt ze Saul of David soms nog geheel ongewaarschuwd. Pas in het N.T. leren wij die geregelde leiding des Geestes kennen, die niet aan de schepping maar aan het Evangelie georiënteerd is.
Dat wil echter' iet zeggen, dat het geweten in de echte, oude zin nu weg nu weg is. Hoe zouden het kind, Shakespeare, Kant en Heidegger het dan kennen. Het loert uit alle hoeken der schepping overal en altijd. En het is geen toeval, dat iemand als Heidegger het nu weer, in onze tijd, zo naar z'n echte natuur heeft kunnen doorzien. Dat is meer dan begrippenspel. Het is een ontmoeting en daarom voor ons een hand aan de muur. Wanneer wij de leiding des Heiligen Geestes vervlakken tot een goede zedelijke gezindheid en het geweten tot persoonlijke oprechtheid, dan staan wij ongewapend tegen de 'overheden' en de 'machten' van de tijd.