O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← De prediking der kerk in deze tijdInhoudZondaar en bedelaar →

Verzamelde Werken, deel 7 · p. 535–540

Herdenkingsrede

Gemeente, het herdenkingswoord dat ik ga spreken, bij gelegenheid van het veertigjarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina, zal geen historische lezing zijn. We zullen ons niet bezighouden met alles, wat in de afgelopen jaren gebeurd is. Wij houden een kerkdienst en wat ik ga zeggen, moet passen in het kader van onze liturgie.

Wij zijn begonnen met de aardse machten op te roepen om God te loven. De troon onzer koningin staat onder een andere troon, waarop God in hemelse heiligheid is gezeten. In de schaduw des Almachtigen is onze vorstin in 1898 de regering begonnen. Gelukkig, dat dit het geval was. Daarom konden wij nu zingen:

"God, die helpt in nood, ⚑is in Sion groot."

En spreken: "Des konings hart is in de hand des Heren als waterbeken" (Spr. 21 : 1). En bidden:

"Geef, Heer, de koning Uwe rechten, ⚑en Uw gerechtigheid ⚑aan 's konings zoon, om Uwe knechten te richten met beleid."

En we hoorden het antwoord: "Hij gedenkt aan zijn verbond tot in eeuwigheid" (Ps. 105 : 8). Daarna hebben wij ons gezet om te herdenken:

"'k Zal gedenken, hoe voordezen ons de Heer heeft gunst bewezen; 'k zal de wondren gadeslaan, die Gij hebt van ouds gedaan."

Dat willen wij nu doen.

Het zijn veertig jaren, die wij te beschouwen hebben. De ambtsbekleding van koningin Wilhelmina valt onder de lange regeringen, die in de geschiedenis betrekkelijk zeldzaam zijn. En dat is, bovenal in onze stormachtige tijd, een grote zegen. Wat hebben wij een tronen zien wankelen en een kronen zien rollen! Wij zijn er getuigen van geweest wat dit voor sommige volken heeft betekend. Grote omkeringen vonden plaats in het mensenlot. En zeer dikwijls waren deze vergezeld van ontzaglijk veel mensenleed.

Intussen regeerde koningin Wilhelmina veertig jaren lang.

Er was oorlog in schier heel Europa en in bijna de hele wereld. Het ene volk stond op tegen het andere en het geweld vierde hoogtij jaren achtereen. En inmiddels regeerde koningin Wilhelmina in vrede.

In het grootste deel van ons werelddeel vonden revoluties plaats en burgeroorlogen, waarvan de verschrikkingen onze voorstelling te boven gaan. En onder dat alles bleef koningin Wilhelmina haar landsmoederlijk ambt onafgebroken vervullen.

Het is goed dat wij ons nederzetten om, zoals de psalmist het noemt, deze wonderen gade te slaan.

Wanneer ik mijn herinnering laat teruggaan, iets verder dan veertig jaar, dan zie ik een lieftallig koningskind in sierlijke, edele houding staan op het bordes van het gemeentehuis ener kleine stad, aan de hand harer vorstelijke moeder, de koningin-weduwe, toenmaals regentes. De geestdrift, die er rondom haar oplaaide, was overweldigend. Zij was de enige overgebleven vertegenwoordigster van het Oranje-huis. Een rijsje uit een afgehouwen tronk (vgl. Jes. 11 : 1). Willem de Derde was dood sedert 1890. Prins Willem en prins Alexander waren reeds vroeger overleden.

Toen Willem de Eerste naast Willem de Tweede bij de wieg van Willem de Derde stond, zei hij tot zijn zoon: "Moi, vous et lui, c'est trois, notre dynastie est assurée." Deze uitspraak was in de laatste jaren der vorige eeuw bijna gelogenstraft. Aan één klein meisje hing heel de toekomst van het Oranje-huis. Ons volk heeft dat met beving gevoeld en zich met zeldzame liefde gehecht aan die kleine prinses, die ik tussen 1890 en 1898 voor dat stadhuis zag staan.

De dankbaarheid voor de vaderlijke liefde van Willem de Zwijger, de bewondering voor de krijgskunst van een Maurits en Frederik Hendrik, en de eerbied voor het politieke en strategische genie van stadhouder Willem de Derde, hebben zich toen in andere vorm samengetrokken op de tere telg, die alleen heel de overlevering van het Oranje-huis in zich droeg en alleen heel de toekomst in 't aangezicht moest zien.

Want de aanhankelijkheid van ons volk tegenover onze koningin is van meer dan persoonlijke aard. De particuliere eigenschappen van de draagster der kroon hebben ertoe bijgedragen dat de liefde voor Oranje niet alleen behouden bleef, maar weer opleefde en toenam. Maar wat ons volk bindt aan dit stamhuis gaat daarboven uit. Het is een vast geloof aan de voorbeschikking Gods. God heeft eens door een 'prins zonder land' een 'halt!' doen toeroepen aan een wereldrijk, waar 'de zon nooit onderging'. Een 'halt!' voor zijn Woord en voor het geweten zijner kinderen. En Hij heeft later door wat de Engelse geschiedschrijver Macaulay een 'astmatisch geraamte' genoemd heeft, de raadslagen van een Zonnekoning te schande gemaakt. Deze historische bestemming van het Oranje-huis is het, die ons volk in de eerste plaats eert. En de gehechtheid aan het prinselijke kind van vóór 1898 betekende meer dan een natuurlijke band, meer dan een eeuwenoude vriendschap uit gewoonte. Er was geloof bij in het spel. En dan natuurlijk niet geloof in een mens, maar geloof in God. Wanneer Nederland aan Oranje denkt of met Oranje herdenkt, dan wordt het herinnerd aan zijn bestemming, dan oefent het zich in 't geloof. Dan eert het tegelijk de Heiland der wereld. Dan voelt ons volk zich een kerkvolk, een volk, waarbij niet het sterke, maar het zwakke en verdrukte in 't middelpunt van de belangstelling staat. Dat is het geheim van de grote liefde voor Oranje en voor het koningskind van de jaren 1890-1898.

Toen kwamen de veertig jaren, 1898-1938. Het kind werd koningin. De koningin werd vrouw, de vrouw moeder, de moeder grootmoeder. En elk van die ogenblikken, waarop dat geschiedde, bracht sterke ontroering in ons land. Het bleef een dunne draad waaraan alles hing. Eén kind eerst, toen moeder en kind, twee vrouwen, nu drie: koningin Wilhelmina, prinses Juliana, prinses Beatrix. Op andere wijze dan Willem de Eerste zou onze vorstin kunnen zeggen: "Ik, gij en zij, dat is drie, onze dynastie is verzekerd." Zij zal dat niet doen. Voor drie mannen staan nu drie vrouwen. Het is alsof God heeft willen zeggen, dat Hij het zwakkere heeft uitverkoren en niet het sterkere. En dat roemen niet oorbaar is. Maar er is nog een andere reden waarom zij het niet zal zeggen. Wat heeft het koningskind uit de jaren van vóór 1898, in de veertig jaren die daarop volgden, niet in 't aangezicht moeten zien. Wat een wereld!

Men kan haar regering in twee gelijke helften splitsen; die vóór 1918 en de andere na 1918. Deze verdeling zegt reeds alles. Mensen van bij de dertig of ouder herinneren zich de novembermaand van het bewuste jaar met de wapenstilstand en de binnenlandse spanning. Toen, precies in het midden van de regeringstijd onzer koningin, zagen wij de troon der Oranjes, bij het dreunen van de wereldgebeurtenissen, lichtelijk beven. Maar toen was het ook dat de gehechtheid aan het stamhuis bleek op een wijze, die haar wedergade slechts vindt in de jaren 1672 en 1813.

Wat er plaatsgreep in die eerste twintig jaren na 1898 zal ik hier niet trachten op te noemen. Onze herdenking blijft een preek en wordt geen openbare les. Wanneer wij deze dingen in ons geheugen trachten terug te roepen, merken wij, hoe de indrukken van de wereldoorlog de herinnering aan wat daaraan voorafging schier dreigen uit te wissen. En over deze bloedige film, die niemand van ons met groter aandacht heeft moeten volgen dan onze koningin, kan men nauwelijks spreken. De gebeurtenissen zijn zo ontzettend geweest dat er, vergeleken met vroegere oorlogen, ook bijna niet over gesproken is. De twee minuten stilte, ter herdenking van de wapenstilstand hier en daar in acht genomen, is de welsprekendste rede.

En nu de tweede helft, van 1918-1938. Een misschien nog geweldiger tijd. Haast lijkt nu weer de grote oorlog een kleine, als men denkt aan de nabije dreiging van een volgende en aan wat deze nieuwe wereldoorlog voor het hele mensengeslacht zou betekenen. Zo schijnen de laatste twintig jaren als tussen twee oordelen ingeklemd te zitten. Het eerste was vreselijk genoeg. Maar het andere dat dreigt, lijkt haast op het laatste oordeel, waarvan de bijbel spreekt.

Kunt gij zeggen hoever het af is of hoe nabij? Of het vandaag of morgen begint, of overmorgen? Ik kan het niet. Van die dag en die ure weet niemand, dan de Vader (Mk. 13 : 32). Maar het zal zijn in de ure in welke gij het niet meent (Mt. 24 : 44).

De ernst des levens en de ernst der tijden behoren een stempel op ons te zetten. Wij moeten, als christenen, niet gelijken op de dwaze, maar op de wijze maagden uit de gelijkenis van Jezus (vgl. Mt. 25 : 1-13). Denken de mensen daar wel genoeg aan? En denkt Laren daar wel voldoende aan? Ook degenen, die de ijdelheden des levens vermenigvuldigen, naarmate de tijden ernstiger worden? En denken zij eraan die anderen daartoe te brengen? En de ouders bij de opvoeding hunner kinderen? - Onze koningin denkt er wel aan. De last harer veertig regeringsjaren heeft haar de ernst der dingen voldoende tot bewustzijn gebracht.

1898-1938. Steeds sneller wentelt het rad der eeuwen. Deze veertig jaren tellen mee in de wereldgeschiedenis. Ernstiger zijn de tijden nooit geweest. En zo ernstig ook nog nimmer.

In 't begin raakte de Nederlandse stam in moeilijkheden. Nauwelijks had koningin Wilhelmina de troon beklommen, of de Zuidafrikaanse oorlog brak uit. Op haar naam staat de spontane daad geboekt van het zenden van de 'Gelderland' om Paul Kruger af te halen. Als balling kwam hij hier. Keizer Wilhelm weigerde hem de toegang. In 1918 kwam hijzelf als balling in het land onzer koningin.

Dit was een gebeurtenis uit het begin van de veertig jaren. Er schenen rustige tijden te volgen. Men betitelt dat met de vreemde naam van voorspoed. - Maar deze zondige wereld komt nooit tot rust, evenmin als de zee. Wel breekt de tijd der vredescongressen aan, maar tegelijk ook die van de oorlogen in het nabije en verre Oosten. Binnenslands werd een sociale politiek gevoerd, die zich aanpaste aan veranderde omstandigheden. Deze staatkunde bracht toenemende staatsbemoeiing mee.

Beide, de vredesconferenties en de staatsbemoeiing, schijnen ons, achteraf gezien, uit te lopen op één en hetzelfde punt: de wereldoorlog. De mobilisatie en de distributie behoren tot de meest bekende dingen uit de regeringstijd van koningin Wilhelmina. De jonge mannen bleven jarenlang onder de wapenen en de broodkaart deed haar intrede in de gezinnen. Ons land, onder leiding van Oranje, bleef z'n historische roeping getrouw en ontving de verdrevenen: Belgen en ook Fransen.

Wij kunnen hier over deze dingen niet verder spreken:

"Aller volken macht ⚑niets bij Hem geacht."

Dat hebben wij in deze twintig jaren voldoende kunnen zien. Daarom:

"Buigt u dan in 't stof ⚑en verheft met lof

't heilig Opperwezen; ⚑wilt het eeuwig vrezen."

En nu zijn er weer twintig jaren verlopen. En nog regeert koningin Wilhelmina. Dat is, voor ons kleine land, een wonder. Een genadeteken in Europa, in de wereld. Oranje van 1568, van 1689, van 1900 is nog in ons land, in ons werelddeel. Als de regenboog na de zondvloed.

De God der hulpe, der verdrukten, leeft nog en Hij kiest zijn werktuigen uit naar zijn eeuwige raad.

Andere volken zien naar ons als naar een natie, waar het leven nog een kerkelijke, christelijke vorm heeft. Waar Woord en Geest nog gelden en niet alleen ijzer en bloed. Waar het Kruis nog spreekt en niet alleen de macht. Waar het geen schande is barmhartig te zijn en geen ere onrecht te doen. - Want de kerkvorm is op de een of andere wijze altijd daar aanwezig, waar de dingen niet door kracht en geweld, maar door Gods Geest geschieden (Zach. 4 : 6). Waar de ontferming een beslissende invloed op het leven kan hebben, omdat het kruisdragen als beginsel des levens wordt erkend.

Onze koningin heeft dat kruis ook gedragen en helpen dragen. De laatste twintig jaren staan in dat teken. De eerste tien wilden een herstel laten zien. Maar ze werden, evenals in Farao's droom, gevolgd door de magerheid van tien crisisjaren. En toch staat Oranje meer dan ooit midden onder ons volk.

Wat is de zin van deze dingen? De voorspoedige jaren na 1898 deden tenslotte de troon even wankelen. De jaren echter, waarin het kruis gedragen werd, bevestigden de band. Doet welvaart Oranje en Nederland uiteengaan? En vinden ze elkaar in de nood altijd weder? Is het niet juist dat, wat 1672, 1813, 1938 ons leren? Is het dan niet pas helemaal Oranje?

31 augustus - 6 september 1938. Een merkwaardige week. Een Oranje-week. Maar tegelijk een zevental dagen van Europese spanning zonder weerga. Wat zal er gebeuren, vandaag, morgen? God weet het.

Dat deze beide omstandigheden samentreffen, Oranje-viering en Europese nood, ligt geheel in de lijn van de traditie van het stamhuis en van Nederland. Onze koningin weet van de ernst harer taak in ons land en in Europa. Ze kent de historische roeping van het stamhuis. Oranje heeft betekenis voor de wereld en voor Gods kerk.

En dat zeggen wij niet van drie vrouwen, hoe roemrijk haar naam en hoe hoog haar plaats ook moge zijn. Wij spreken het uit aangaande haar roeping en ambt, onder Gods voorbeschikking. Wij zeggen het van haar, voorzover zij, evenals de Zwijger en de stadhouder-koning, weten dat zij

" ... God den Heere, der hooghster Majesteyt, ... moeten obediëren in der gerechtichheyt."

Wij zeggen het voorzover het Oranje-huis van zijn bestemming weet, om in nood of vervolging Gods kerk te dienen en het verdrukte te helpen.

Achter Oranje moeten wij op de een of andere wijze Christus, de Kruiskoning, kunnen zien staan, of het is geen Oranje meer. Wanneer dit stamhuis, onder invloed van de loop der wereldgebeurtenissen en van de leuzen die daarmee samenhangen, volksafgod zou worden, zonder meer, als het de verpersoonlijking zou worden van de wil van ons volk of het symbool van de Nederlandse bodem en het Dietse bloed, dan zou het zijn plaats in de geschiedenis verlaten hebben.

Oranje en Nederland staan met elkaar in betrekking door middel van de kerk, dat is door Christus, dat is door Gods verkiezing. De oordelen Gods gaan over de wereld. En wat er van de wereld overblijft dat is dit, dat Christus zijn kerk in stand houdt. Meer blijft er van de wereld toch niet over. In veertig jaar niet en in veertig eeuwen niet.

Daarom past het ons God te danken dat er nog kerk in ons volksleven is en dat het 'Oranje' in de kleuren der wereld nog zichtbaar is. Daarom:

"Dankt, dankt nu allen God met blijde lofgezangen! Van Hem is 't heuglijk lot, het heil dat wij ontvangen."

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← De prediking der kerk in deze tijdInhoudZondaar en bedelaar →