Tussen Pasen en Pinksteren
En ik hoorde plotseling een gedruis toen ik profeteerde en ik zag een vreemde roering en de beenderen naderden elkaar, elk been tot zijn been.
Ezechiël 37 : 7
... maar daar was nog geen geest in hen.
Ezechiël 37 : 8
Ezechiël 37 : 1-14 bevat een van de geweldigste visioenen uit de bijbel. De Geest voert de profeet naar een vallei, die bezaaid ligt met beenderen. 'Zij waren zeer dor' (vs. 2); het waren echte doodsbeenderen. God vraagt de profeet of hij denkt dat deze beenderen ooit weer levend zullen worden. Die antwoordt: Gij weet het. - Dan zegt God, dat Hij het doen zal en dat Ezechiël ze het Evangelie moet verkondigen.
Toen deze dat deed ontstonden het gedruis en de roering, waarvan sprake is in het eerste tekstwoord, dat ik hierboven uitschreef. Het Hebreeuwse woord, dat ik met gedruis vertaalde, wordt ook gebruikt voor het geluid dat een aanrukkend leger maakt of een aansuizende hagelbui. Het drukt dan een wilde warreling van dood en leven uit, waarbij onze rede bezwijkt en "het haar onzes vleses te berge rijst" (Job 4 : 15). - Wat de profeet daarop ziet is even aangrijpend. Het gedruis komt van de zeer dorre, door de zon verbleekte beenderen. Zo dood als zij zijn, ze kunnen niet meer stil liggen. Er komt leven in hen; en de beenderen naderen elkaar, elk been tot zijn been. Zij worden opgebouwd tot lichamen.
Maar daar was geen geest in hen.
En dan moet Ezechiël ten tweeden male profeteren. De Geest moet komen van de vier windstreken en moet blazen in deze gedoden; moet waaien over dit slagveld. En dan staan ze op hun voeten, een zeer groot leger.
Ezechiël 37 grijpt blijkbaar terug op het scheppingsverhaal (Gen. 2 : 7). Ook daar geschiedt de levendmaking in een dubbel tempo. - Maar belangrijker is, dat dit hoofdstuk vooruitgrijpt op het Nieuwe Testament, op Pasen en Pinksteren.
Er is tussen deze beide heilsfeiten een tussentijd, die ons doet denken aan die, welke er verliep tussen de beide profetieën van onze profeet; tussen de opstanding des vleses en de uitstorting van de Heilige Geest. Er is in de opstanding van Jezus iets onvoltooids, dat de Heer zelf aanduidt als Hij zegt: Indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen (Joh. 16 : 7). Dat geldt dus niet zozeer de betekenis van de opstanding voor Jezus zelf, maar voor ons. Voor ons moet zij nog worden voltooid door de komst van de Geest. Wij lijken, ook als wij Pasen hebben gevierd, als de Geest niet van de vier windstreken komt, nog op die gesneuvelden in de vallei, wier beenderen elkaar hadden teruggevonden, die met zenuwen waren overtrokken; wier vlees was opgekomen; die met een huid waren overtogen en die toch nog dood waren, toch op hun voeten niet konden staan. Nog zijn wij dan als de vrouwen, die vloden en beefden en met ontzetting bevangen waren (Mark. 16 : 8); of wij zijn verschrikt en zeer bevreesd en zien Jezus aan voor een geest, zoals de discipelen (Luk. 24 : 37), een spooksel dat ons verschijnt op het doek der wereldgebeurtenissen. In plaats van dat wij met Paulus juichen: De Heer is de Geest! Of wij sluiten ons zelf op achter gesloten deuren, zoals diezelfde jongeren (Joh. 20 : 19); wij gaan zelf in een graf liggen, terwijl de steen al is afgewenteld. - In één woord: wij zijn als dat half opgewekte leger uit het visioen van Ezechiël. Daar was nog geen geest in hen.
Op de Geest komt het aan, reeds op Pasen. Hoe belangrijk de opstanding des vleses ook moge zijn, in onze Twaalf artikelen, de belijdenis der ganse christenheid, is zij een onderdeel van het derde stuk, de belijdenis van de Heilige Geest. - En ook in het tweede stuk, waar de opstanding van Jezus zelf beleden wordt, komt het aan op de Geest. Onze catechismus noemt als eerste nut van die opstanding, dat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door zijn dood verworven had, kon deelachtig maken; en als tweede, dat wij door zijn kracht worden opgewekt tot een nieuw geestelijk leven. Pas daarna komt onze zalige opstanding ter sprake.
Zo deed het alreeds de profetie van Ezechiël. Zij begint met te zeggen: Zie, ik zal de geest in u brengen (Ez. 37 : 5). En zij eindigt er mee: "Toen kwam de geest in hen" (vs. 10).
Daarom moeten wij er goed op letten, dat dit geweldige scheppingsverhaal een herscheppingsverhaal is. Het zijn levende mensen waartegen Ezechiël profeteert (Ez. 37 : 11-14). Zij zijn niet dood in letterlijke zin, maar zij zijn geestelijk dood. Zij zeggen zelf: "Onze beenderen zijn verdord en onze verwachting is verloren, wij zijn afgesneden" (vs. 11). Dwz. wij zijn levend begraven, wij hebben geen toekomst meer, geen uitzicht, geen hoop, geen geloof en wij voelen ook onze liefde verkillen. Het ene ijzeren gordijn van geweld na het andere ijzeren gordijn van geweld is over hen heengetrokken of dreigt over hen heengetrokken te worden. Zij hadden het anders gekend of anders gedroomd, Israël en Juda, Gods volkjes. Davids harp had hun hart doen opspringen. Nu hebben zij de harpen aan de wilgen gehangen (Ps. 137). ⚑Salomo verrijkte hun leven met spreuken. Nu hebben zij maar één bittere spreuk meer: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden (Ez. 18 : 2). Assur en Babel zijn over hen heengestormd, het gras is verdord, de bloem is afgevallen, iedere steel is geknakt, alle schoonheid ging verloren (Ps. 103 : 15 v.). Zij voelen zich dood. - Dat graf is het waaruit God hen wil doen opstaan en daartoe wil Hij hun zijn Geest geven. En wij kennen dat gevoel en die taal en dat graf. Wij weten van deze dingen en gevoelen minder behoefte om ze te vergeestelijken dan vele vroegere geslachten. Die maakten er gaarne een zondengraf (Gezang 221 : 2 26) van. Onze jonge mensen weten, dat er ook andere graven zijn en de profeten wisten het ook. Laten wij hun profetieën niet altijd allegoriseren, maar het Pinksteren, dat er in is, beluisteren, de aanroeping van de Heilige Geest. Ons geslacht heeft geen alcohol van node om zich te verdoven en de angst weg te drinken, maar de kracht om uit dit graf op te staan, recht op de voeten en nuchter.
Ik ruik nog de lucht op de avond der bevrijding op 5 april, drie dagen na Pasen in 1945, toen wij uit de kelder kropen; het graf, waarin wij drie dagen gelegen hadden.27⌫ Hoe zoet geurde toen de wereld. De avond was morgen geworden, de eerste dag (Gen. 1 : 5).
Voor ons was het een sacrament, een teken en zegel van het paasevangelie. Het was alsof elk been tot zijn been genaderd was. - Maar meer nog liet zich de behoefte aan geest merken. Het ledig na elk Pasen. Daar was nog geen geest in ons. Wie uit een graf komt, moet toch ruimer ademhalen dan die er nog in moet! Onze generatie voelde de behoefte aan een doorbraak, aan een komen van geest uit de vier windstreken, als op bevel. Maar deze doorbraak kan er niet een zijn bij afspraak of verrassing, waarbij aan een ieder hetzelfde wachtwoord wordt doorgegeven, een geestelijk Volapuk28⌫ of Esperanto. Het moet een uitstorting zijn op alle vlees, waarin nog geen geest is, met name op de jeugd. Zij moeten leren profeteren, gezichten zien en de ouden moeten dromen dromen (Hand. 2 : 17). Elk zijn eigen profetie, zijn eigen gezicht, zijn eigen droom. Na Pasen moet het uit zijn met de dodigheid. Uitstorting betekent: verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest (1 Kor. 12 : 4).
In de smartelijkste uren van hun leven hebben sommigen van ons van God een teken en zegel ontvangen, dat het daartoe komen zou. Elk op het dieptepunt van het graf van de wereldoorlog hebben zij hun geest geruild tegen Gods Geest. Toen er geen geest meer in hen was en er ook nog geen geest in hen was, had God nog des Geestes overig en Hij heeft het hun gezegd, Zij hebben het sacrament van Pinksteren ontvangen, elk in zijn eigen taal en ieder zijn eigen gave.
Dit verbond zal God houden. De tijd die wij beleven is een grote tijd Gods, vooral voor jonge mensen. De jeugd moet niet jaloers worden op de ouderdom, maar andersom. God heeft ons uit het graf geroepen en wij moeten er niet meer inkruipen. Waar de geweldenaars heengaan, kan ieder lezen in Ezechiël 32 : 18-32. Het sacrament, het zegel daarop heeft ons geslacht ontvangen, toen het een rijk, dat zich duizendjarig noemde, in drie jaar zag ondergaan. Wij, die al drie dagen met Christus in het graf gelegen hadden, werden er uit geroepen.
Nu bidden wij: Veni creator Spiritus!