Pinksteren
Handelingen 2 : 1-13
De tien dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren betekenen een zeldzaam stille of dode hoek in de bijbelse geschiedenis. De profeten laten zich niet meer horen, omdat hun reeks met de allerhoogste profeet, Jezus Christus, is afgesloten. En de apostelen prediken nog niet, want de Heilige Geest is nog niet uitgestort.
De zondag, die in dit tijdvak valt, wordt in het kerkelijk spraakgebruik dan ook wel 'het weeskind' genoemd. Op die zondag valt er geen heilsfeit te herdenken of het moest zijn, dat de elven toen hun getal weer tot twaalf hebben aangevuld. Dat was de kerk op haar smalst. Zij was toen in kiesvereniging bijeen, met het plaatselijk reglement op tafel. Artikel zoveel: Bij staking van stemmen beslist het lot. Wij peinzen en denken: dat had Jezus op aarde eens moeten beleven, dat zijn discipelen op die wijze een plaatsvervanger voor de verrader Judas kiezen, iemand van wie men later niet meer hoort. Hij die ook zijn keuze deed, toen Hij Paulus op de weg naar Damascus tot apostel riep; een man, die meer gearbeid heeft dan alle anderen.
De christenheid kan, wanneer zij aan zichzelf wordt overgelaten, in zulk een vreemde, dode hoek komen te staan. Wij peinzen verder en denken: dat lijkt wel wat op de toestand, waarin wij nu verkeren. Het ziet er een beetje naar uit alsof wij ook op ons laatste bolwerk zijn teruggedreven en wij met de rug naar het westen, als voornaamste artikel van ons Credo de kiesvrijheid staan te verdedigen; kiesvrijheid zonder een knuppel achter de deur; desnoods dan met behulp van het lot, dat veilig is tegen elke knuppel. - En deze vrijheid is zeker geen kleinigheid. Een mens en een christen moet toch adem kunnen halen. En het lijkt bijna of één paar mensenhanden in staat zou zijn de christenheid, ja de mensheid te wurgen. Het is zeker geen kleinigheid. Maar als er niet meer is; als dit het enige en het laatste is; dit praktisch ons voornaamste geloofsartikel is; als christendom opgaat in democratie; als het geen Pinksteren wordt, dan zijn wij in éénzelfde dode hoek terechtgekomen als de discipelen op 'het weeskind'. De christenheid is dan in kiesvereniging bijeen.
Terwijl zij dat doet, doet God andere dingen. Toen de tweede Adam, Jezus Christus, sliep - althans zo moest het de discipelen in die tien dagen voorkomen - en toen zij zich als wezen voelden, toen nam God één van zijn ribben en Hij bouwde de ribbe tot ene bruid, de kerk van Christus (Gen. 2). En zie, nu kreeg ook die kiesvereniging nog betekenis, want daardoor werd de gestalte der kerk volmaakt en het getal der uitverkoren apostelen weer vol. Maar daar was nog geen Geest in hen (Ez. 37).
Toen is het Pinksteren geworden.
Wat dat zeggen wil, is onuitputtelijk en geeft levensadem. Niet alleen aan die twaalven, aan de drieduizend zielen (Hand. 2: 41), de vijfduizend (Hand. 4: 4), maar aan al de miljoenen, die thans de aarde bevolken. Wanneer datgene wat de discipelen op het 'weeskind' deden nog enig belang heeft voor het koninkrijk Gods; en als de christenheid van thans nog staat voor iets waardevols, als zij de kiesvrijheid verdedigt, wat een rijkdom van Geest en waarheid opent zich dan voor ons, als wij uit een dode hoek der geschiedenis uitgeleid zullen worden onder een volle pinksterzegen. Als ons plaatselijk reglement reeds zulke heilzame bepalingen bevat, wat zal het dan zijn als God aan ieder in zijn eigen taal het volle Evangelie leert.
Tien dagen zijn niet lang. "Want een ogenblik is er in zijn toorn, maar een leven in zijn goedgunstigheid" (Ps. 30 : 6). Wij hebben de belofte van Christus: "Ik zal u geen wezen laten" (Joh. 14 : 18). En wat het bijbelse pinksterevangelie ons daarvan predikt, geeft ons een indruk van de grootste vervulling, die wij in dat boek tegenkomen. In dat pinksterevangelie is al de haast, al het zacht geweld, al de volheid Gods voor ons uitgebeeld. Hier is God, de Heilige Geest, verborgen en nederig, als Jezus bij zijn omwandeling, zodat de toegelopen omstanders het wagen er mee te spotten (Hand. 2 : 13). Maar dit nederige geweld vervult degenen die er aan gehoorzamen zo volledig, dat de vlam der blijde heiligheid zich op hun hoofd vertoont en hun mond in alle talen overvloeit van de kennis des Heren. Van deze kennis zal de aarde vol worden, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken (Jes. 11 : 9).