Genade
In de wereld zult gij verdrukking hebben.
Johannes 16 : 33 (St.V.)
Men hoort wel eens zeggen dat God, die ons geschapen heeft, nu ook moet zorgen, dat wij het goed hebben. Dat is dan in zo'n geval natuurlijk geen gemoedelijke huismanspraat, maar een uiting van verbittering, omdat men vindt, dat er aan het bestuur der wereld wel een en ander ontbreekt. De roomse dogmatiek, die nauw aan de schepping aansluit, spreekt die gedachte ook wel eens heel zachtjes uit, zonder verbittering dan. Maar met of zonder, het blijft gevaarlijk om het geluk als een min of meer vanzelfsprekende zaak te beschouwen. Jezus meent omgekeerd - in onze tekstwoorden - dat wij, als wij tenminste met Hem willen leven, in de gegeven omstandigheden, zoals de wereld nu eenmaal is, op verdrukking hebben te rekenen. ⚑Jezus zegt er niet bij dat dit natuurlijk is; het vloeit niet uit de schepping voort. Men mag nooit zeggen: 'De ene mens is voor de ander een wolf.' De verdrukking die hier bedoeld is, heeft haar plaats niet in de natuur, maar in wat de kerk de genade noemt. Zij hoort bij het kruis. Jezus brengt haar hier in Johannes 16 : 33 in verband met de vrede en deze laatste staat in de liturgie der kerk weer samen met de genade.
Dat is al dadelijk een grote vertroosting voor iemand, die onder de druk komt. Het ontneemt de gedachte van noodwendigheid aan het kruis dat ons opgelegd wordt en daarmee wordt de angel der bitterheid uitgetrokken. Het kan er ook zonder, als iemand liever een bastaard dan een zoon wil wezen (Hebr. 12 : 8); liever een Ezau dan een Jakob; liever zonder dan met berouw; liever een onheilige dan een kind van God (Hebr. 12 : 16 v.). Welk een onderscheid dat maakt, heeft Plievier ons treffend getekend in zijn Stalingrad.24 Een lange karavaan gewonden trekt onder leiding van een arts door de sneeuw. De stoet wordt hoe langer hoe korter. Bij de meesten dooft de levensvonk uit tegelijk met de hoop. De aandacht van de dokter wordt dan getrokken door een soldaat, die behoorde tot de weinigen, die de ogen nog opsloegen. Hij had drie gebroken ribben en een gewond schouderblad. Op de kilometerslange mars deed de pijn het zweet van zijn voorhoofd lopen en dan bevroor het op zijn ongeschoren gezicht. Er ontspon zich een merkwaardig gesprek tussen de arts en de soldaat. De laatste meende dat hij er met z'n drie gebroken ribben nog gemakkelijk afgekomen was. En naar de zin van deze woorden gevraagd legde hij uit, dat hij het als een afbetaling beschouwde op de ellende, die zij in het land hadden gebracht. De dokter wilde weten, welk deel hij daar dan precies aan gehad had en kreeg te horen, dat hij aan een Russische, halfverhongerde boerenvrouw de laatste aardappelen had afgenomen. En dat niet alleen, maar vroeger, in Wenen, had hij toestanden van verdrukking gezien, die hem aan het denken hadden gebracht en die nu maakten, dat hij niet zo snel kon vergeten. Wonderlijk, dacht de arts, juist deze soldaat, die verdrukking zelfs in de oorlog niet vanzelfsprekend vindt, draagt het hoofd nog rechtop en ziet nog een stuk toekomst, terwijl anderen vergaan als as. Blijkbaar - dacht hij - ligt de oorzaak daarvan niet alleen in het gebrek aan vet, maar ook nog aan iets anders.
In het rijk der genade heerst niet dat vreselijkste aller dingen, de natuurnoodwendigheid van het kwade, waar tegenover wij God dan tot het goede zouden willen verplichten. Want deze beide corresponderen met elkaar. Waar God zijn rechten verliest, daar worden de rechten van de mens geproclameerd en omgekeerd. Genade is vrij; dat is haar meest wezenlijke eigenschap en daarmee is zij van wreedheid gespeend. Zij is barmhartig. En de verdrukking, die bij deze genade hoort, is ook niet onbarmhartig. Dat wist Paulus toen hij driemaal gebeden had om verlost te worden van een hinder, die hem als een 'doorn in het vlees' stak, en van God enkel dit antwoord kreeg: "Mijn genade is u genoeg" (2 Kor. 12 : 9). Daarmee werd echter de genade niet als een vergoeding betekend; neen, Paulus wist toen dat die druk een blijk van genade was. Daardoor werd de apostel verhinderd bovennatuurlijke dingen te bedenken en te zoeken (2 Kor. 12 : 1-5) en kwam hij er toe Gods nabijheid liever op te merken in die dingen, die hij zelf niet gewenst zou hebben en waartoe hij God nog veel minder zou hebben willen verplichten. Dan wist hij tenminste zeker dat het de echte genade van onze Here Jezus was, die de Vader wel om twaalf legioenen engelen had kunnen bidden (Matth. 26 : 53), maar die in plaats daarvan het kruis had verdragen en de schande veracht (Hebr. 12 : 2). - Dit is de ware en laatste proef op de som van de vrijheid der genade.
Dat het zo met ons gesteld is beseft ons vlees en hart soms, ook als ons geloof het niet ziet. Wie wel eens een begeerd succes gemist heeft, weet, dat juist dit 'missen' een gevoel van bevrediging kan geven, ja van veiligheid. Het was alsof gij bang waart met een ledig in aanraking te zullen komen en uw evenwicht kwijt te raken. De druk bij het uitblijven van het begeerde gaf u het besef van een hernieuwd leunen en steunen, een versterkte zekerheid; het vermoeden van iemand tegenover u, die iets beters voor u had dan uw recht. Gij voelde u als 't ware opgenomen door een vrije macht, in plaats van voortgedreven door het onvermijdelijke. Deze bevrediging is een schaduw van de vrede, waarover Jezus hier spreekt in verband met de verdrukking. In het Evangelie krijgen zulke dingen hun volle afmetingen, hun namen en hun waarheid. Die vrije macht is de genade van God, die ons anders leidt dan we het wensen of misschien eisen. Zó anders, dat Jezus het zelf verdrukking noemt. Dat is dan geen eis meer en geen recht, maar iets oneindig beters; een stukje van het kruis, waarvan de andere zijde opstanding heet.