De passie
Daar is geschreven: Ik zal de herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.
Mattheüs 26 : 31 (St.V.)
Wie de lijdensgeschiedenissen uit de evangeliën ook maar enigszins kent, zal mij moeten toestemmen, dat de woorden van de profeet Zacharia (13 : 7), die Jezus in de mond neemt en die hierboven staan uitgeschreven, een treffende vertolking geven van de hele inhoud van Jezus' passie. Het staat er duidelijk genoeg: Ik zal de herder slaan. En die 'Ik', daar is God mee bedoeld. Het Evangelie is geen mislukking van wat als een schone droom begon. Het is van het begin af zo bedoeld; de herder zal geslagen worden.
Wanneer dit niet gebeurd was, zou er nu geen kerk op aarde zijn. De christelijke gemeente geeft daarvan getuigenis, zo dikwijls zij zich verenigt om de avondmaalstafel. In de dood des Heren zijn de leden met elkaar verbonden. Dit is de plaats, waar zij elkander hebben teruggevonden na de verstrooiing. En sedert dien kunnen zij nooit weer geheel verstrooid worden. Een testament is vast in de doden (Hebr. 9 : 17). Dat is een algemene waarheid, notarieel reeds; veel meer nog wereldhistorisch; denk aan Socrates, aan Gandhi. Maar allermeest en eerst recht in de christelijke gemeente.
Nergens heeft de dood zulk een rijke betekenis gekregen als in ons christelijk geloof. Op zichzelf zitten wij met de dood verlegen. Wij weten hem niet te plaatsen; wij zijn er bang voor; wij spreken er liever niet over; wij wensen hem uit te stellen; wij zouden hem willen afstellen. Hij is als een dief in de nacht, die ons het liefste ontrooft; de laatste vijand (1 Kor. 15 : 26), die ons velt. - En hier is nu een dood waarover altijd weer in het openbaar gesproken wordt, waarbij hele scharen niet moede worden te luisteren; deze dood wordt gevierd, genoten als een verborgen brood, dat kracht geeft voor de nieuwe morgen, voor de dag der eeuwigheid. Ook buiten de kerk wordt zijn ontzetting verdragen in beeld op beeld of zang op zang, om de wondere zin, de goddelijke prediking die er van uitgaat.
Alles in het Evangelie moet door die dood heen om ons tot zegen te kunnen zijn. Het is niet waar, voordat dit gebeurd is. Het wordt verstrooid met de schapen, als de Herder geslagen wordt. Let op het koninkrijk Gods, waarvan Jezus' prediking toch vol is. Waar is het gebleven als Jezus vraagt: Mijn God! Mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten? Heel schuchter vragen de discipelen Jezus nog bij zijn hemelvaart, waar het gebleven is (Hand. ⚑1 : 6). En dan zegt Jezus, dat het hun niet toekomt, dit te weten. Het is zoek geraakt in zijn dood en als zij er meer van willen weten, moeten zij zijn Geest ontvangen en zijn getuigen worden tot de einden der aarde toe (Hand. 1 : 8). En getuige van Jezus zijn, wil vaak zeggen, dat zij martelaren zullen zijn en in hun lijden en sterven Jezus' prediking zullen leren verstaan en de kracht van Gods koningschap leren kennen.
Jezus' dood is de poort, waar het alles heen dringt en waar het zijn doop en wijding ontvangt. Dat er een wedergeboorte is (Joh. 3); dat Jezus het hemelse Brood is (Joh. 6); dat Hij de Goede herder is (Joh. 10); de Ware wijnstok (Joh. 15), het wordt alles waar en klaar in zijn sterven.
Wij zouden misschien een meer regelrechte toepassing van zijn prediking hebben begeerd. Zonder twijfel doen wij dat. Wij ergeren ons aan het kruis, zoals de discipelen toen aan Hem geërgerd werden (Matth. 26 : 33). Door de verstrooiing heen moeten wij echter de Herder bijhouden en ons leven ondergaat daarbij een transformatie: het wordt geloof. Want terwijl wij verstrooid zijn, wordt Hij van God geslagen (Jes. 53 : 4) en door zijn striemen is ons genezing geworden (vs. 5). En let nu op alles, dat deze doop van Jezus' dood niet heeft ondergaan. Het kan niet leven, het heeft geen Pasen. Het wordt een prooi van ontbinding, het is een gestadig sterven. Het is niet waar, maar moet zich trachten staande te houden door de leugen. Daarom heet de overste dezer wereld, de duivel, ook de vader der leugen (Joh. 8 : 44). Deze leugen is een van de vreselijkste tekenen der tijden.
Alle vormen van Gods koninkrijk, die om het kruis heen lopen, worden tot leugen. Alle vrijheid, broederschap, humaniteit, die van deze dood niet weten, slaan om in hun tegendeel. Wat van Plato's staat waar geworden is en een toekomst heeft gehad, kan men bijeen vinden in het middeleeuwse christendom, rondom het kruis.
De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn (1 Kor. 2 : 14). De natuur heeft geen koor; in haar raakt gij verstrooid, gij komt nergens. Verzameld wordt gij alleen bij de Herder, die zijn leven stelt voor de schapen (Joh. 10).
Wat van het Evangelie verstrooid werd en verloren scheen te gaan, toen de Herder geslagen werd, dat vindt gij later met winst terug. Allereerst de discipelen zelf-, als zij weer bijeen zijn, zijn het apostelen. En zo alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft. Geen tittel of jota is er van voorbijgegaan (Matth. 5 : 18). Gij zoudt het graag in uw hand hebben wellicht, zoals de discipelen het Koninkrijk, bij Jezus' hemelvaart. Laat ons het huiselijk mogen zeggen: gij zoudt het in uw vestzak willen hebben. Maar dat heeft, zegt Jezus, alleen de hemelse Vader (Hand. 1 : 7). Gij hebt het in uw bijbel, in uw prediking, uw gebeden, uw gezangen. Gij hebt het in uw geloof, in uw hart, uw mond. Ook in uw dood, als gij al het andere moet achterlaten. Daar heeft Jezus het mee heen genomen, toen Hij geslagen werd. Nu kan Hij u en dat alles verzamelen uit de verstrooiing.