Brood voor morgen
Geef ons heden ons dagelijks brood.
Mattheüs 6 : 11
Geef ons elke dag ons dagelijks brood.
Lukas 11 : 3
Zoals al 't andere in de evangeliën, staat ook de vierde bede in verband met het nabijkomen van het koninkrijk Gods. Dat mogen wij nooit vergeten, als wij deze bede tot de onze maken. Sommige uitleggers geven daartoe aanleiding, als zij onder 'dagelijks brood' verstaan: 'het brood mijns bescheiden deels', waarvan sprake is bij een oude wijze (Spr. 30 : 8).14⌫ Dit brood houdt dan het midden tussen armoede en rijkdom en Jezus zou hier in deze bede een stukje bezonken levenswijsheid hebben vastgelegd.
Dat is moeilijk aan te nemen, als men weet dat de Heer het Onze Vader geleerd heeft aan mensen die, zoals Petrus, pas hun netten hadden verlaten of, gelijk Mattheüs de tollenaar, hun kasboek in het vuur hebben gegooid (Matth. 9 : 9). Deze mannen zoeken niet een bescheiden plekje onder de algemene voorzienigheid, maar de beste plaatsen in het Koninkrijk der hemelen (Matth. 20 : 20-23). De vierde bede valt, na de drie grote rijksbeden, niet helemaal uit de toon, maar sluit er zich onmiddellijk bij aan.
Dat blijkt ook heel duidelijk, als wij de laatste drie beden van het allervolmaaktste gebed vergelijken met de drie verzoekingen van Jezus in de woestijn (Matth. 4: 1-11), waarvan zij de neerslag zijn. Daar antwoordt de Heiland op de inblazing van de duivel om zichzelf brood te verschaffen, met het bijbelwoord: "De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord (dat is elk ding), dat door de mond Gods uitgaat" (Deut. 8 : 3). En op die plaats in het boek Deuteronomium is geen sprake van een gematigde welstand, maar van een wonderbare spijziging door het manna, dat God elke dag rondom de tenten spreidt. Ook het woord 'dagelijks', dat uit oude Latijnse vertalingen stamt en zich aansluit bij het 'elke dag' van Lukas, kan er toe meewerken om deze bede uit de onrust van het komende Koninkrijk over te brengen in de gevestigde stand van het latere kerkvolk; haar over te spellen in het taaleigen van de burgerij. - Wij hebben de traditie lief, die dat woord draagt. Het duurt al zo rustig en veilig lang en ieder hoopt dat zijn brood hem wordt gegeven en dat zijn wateren gewis zullen zijn (Jes. 33 : 16). Dat wij het ook bij de netten en met een kasboek mogen afbidden en het zullen krijgen. Maar het gevaar is groot dat de bede dan haar oorspronkelijke kracht zal hebben ingeboet en dat wij, anders dan Jezus in de eerste verzoeking, eigen stenen, in plaats van Gods broden zullen ontvangen.
Het is merkwaardig dat er bij Mattheüs en Lukas beiden, in de Griekse evangeliën, waar wij, met vele Latijnse overzettingen, 'dagelijks' lezen, een woord staat, dat op één enkele uitzondering na, nergens elders voorkomt. De kerkvader Origenes, belezen als bijna niemand, was het nooit tegengekomen, ook niet in de spreektaal. Het leek expres gevormd om in de vierde bede van het Onze Vader te dienen.15⌫ Het is wat de grammatica een 'hapax' noemt, een woord dat slechts éénmaal voorkomt, evenals het Evangelie zelf. Ieder deed er zijn best op, zodat iemand het de folterkamer der theologen noemde en een ander schreef, dat men evengoed kon proberen met een spons een spijker in de muur te slaan, als dit woord precies te vertalen.16⌫ Toch kan misschien een kind het wel doen, als het er maar aan denkt, dat ook in deze bede de nieuwe wijn van het Evangelie niet in een oude lederzak gedaan mag worden (Matth. 9 : 17). En dat gebeurt wel, als men de zin bij een spreukendichter zoekt. Er is echter een lezing van deze bede mogelijk, die past bij de toestand, waarin Jezus' jongeren door hun roeping verkeren. Zij zijn bruiloftskinderen geworden en behoeven zich geen zorgen over de leeftocht te maken. Dat kunnen ze aan de heidenen overlaten (Matth. 6 : 32). Vasten behoeven ze ook niet te doen (Matth. 9 : 15). Laten de Joden dat doen.
Welnu, de lezing van de vierde bede, die ik bedoel, komt voor in een zeer oud apocrief evangelie, dat nauw verwant was met onze Mattheüs. De kerkvader Hieronymus heeft het fragment voor ons bewaard.17⌫ In het Aramees stond er: "Geef ons heden ons brood voor morgen." En nu liet dat moeilijke Griekse woord bij Mattheüs en Lukas de vertaling 'voor morgen' reeds toe. Dat wij diezelfde betekenis nu ook in een andere taal vinden, in een zeer oud evangelie, schijnt dus wel beslissend. De evangelisten zullen met dat woord hebben willen uitdrukken, wat in de taal, waarin Jezus het Onze Vader gesproken heeft, het Aramees, met 'voor morgen' werd weergegeven. Zo is 't dan ook opgevat o.a. door de universele Hugo de Groot,18⌫ door de bijbelkenner Bengel19⌫ en door de grootmeester in de wetenschap van het Nieuwe Testament Theodor Zahn.20⌫
"Geef ons heden ons brood voor morgen." Dat is het pensioen van de vissers, die hun netten hebben verlaten; van de tollenaar, die zijn kantoor heeft gesloten. Het staat er bij Mattheüs scherp en kantig. Bij Lukas, met zijn `elke dag', gaat het al een beetje naar het 'dagelijks' toe. Bij hem durft Hieronymus het ook al zo te vertalen; bij Mattheüs niet.
Het is wat angstig telkens maar voor één dag leeftocht te vragen en te krijgen, maar zo past de vierde bede bij de eerste drie: Gods heil, Gods koningschap, Gods wil. Nu komt er bij: Gods brood.
Zo wordt de bede de tegenhanger van Jezus' antwoord op de eerste verzoeking, waar Hij 'morgen' zegt tegen het 'heden' van Satan. Zo past de bede in de mond van de jongeren, de kinderen des Koninkrijks, waarin de Meester geen hol of hoofdkussen heeft. "Geef ons heden het brood voor morgen." Daarin klinkt door de verheuging dergenen, die zeggen: Zalig is hij die brood eet in het koninkrijk Gods (Luk. 14: 15).
Er is in deze bede een voortgang, een doorgang van het heden tot de morgen des Koninkrijks. Er is optocht in. Geen belegen wijsheid, maar zorgeloze hoop is er in deze vraag.
Daarom is het te wraken, als men het in de oude kerkleraars afkeurt, als zij de letterlijke, de liturgische en de geestelijke betekenis dooreen laten vloeien, en als men eist dat het alleen op het brood en niet op alle woord uit Gods mond mag slaan. De kerkvaders waren wijzer. Zij hoorden de processie der gebeden in het Onze Vader en lieten de vierde bede beurtelings op de leeftocht, het Avondmaal en de geestelijke goederen slaan. Zo de heilige Hieronymus: "Ons brood voor morgen geef ons heden, dat is: het brood dat gij ons zult geven in uw Koninkrijk, geef ons dat heden." Dat is bijbelse, dat is christelijke taal! Dit zuurdeeg des Koninkrijks moet gemengd in de drie maten meels van ons aardse leven (Matth. 13 : 33).