Zeven gelijkenissen van Jezus
En Hij sprak tot hen vele dingen in gelijkenissen.
Mattheüs 13 : 3 (Vert. NBG.)
Het is onmogelijk om alle gelijkenissen van Jezus onder één hoofd te brengen. Men kan minstens twee soorten onderscheiden; die welke een geheimenis bevatten en die welke eenvoudig een leermiddel zijn en meer niet. De eerste kan men raadselen noemen, de laatste spreuken, zodat ook in Jezus' prediking die oude onderscheiding uit de wijsheidsliteratuur zich zou handhaven. Een gelijkenis als die van de barmhartige Samaritaan heeft niet het karakter van een raadsel. Zij heeft niets te verbergen. Zij dient geheel om te leren, wie onze naaste is. En hetzelfde kan men - mutatis mutandis - zeggen van de gelijkenissen uit Lukas 15, 16 en 18.
Er is echter een andere groep, waarop ons tekstwoord slaat, en die betrekking heeft op de "geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen" (Matth. 13 : 11). Wanneer de discipelen de Heer vragen, waarom Hij tot de scharen in gelijkenissen spreekt, dan antwoordt Hij, dat het hun niet gegeven is die geheimenissen te kennen, terwijl dat met zijn leerlingen wel het geval is (13 : 10-17).
Deze uitspraak houdt verband met Jezus' ervaringen als prediker. Hij stoot op zoveel ongeloof bij de Joden; te Nazareth niet alleen (13 : 53-58), maar ook te Kapernaüm en Bethsaïda en geheel Galilea (11 : 20-24). En nu dreigt de evangelieprediking over te gaan in een oordeelsprediking. Jezus herinnert zijn discipelen aan een opdracht die God eens aan de profeet Jesaja gaf. Deze moest zo gaan prediken, dat de mensen het hoorden, maar het niet verstonden. De gelegenheid om zich te bekeren moest hun door deze wijze van verkondigen ontnomen worden (Jes. 6 : 8 vv.). - Zover was het nu ook gekomen met Jezus' prediking van het nabijgekomen Koninkrijk. Het spreken in gelijkenissen wordt dan een middel om de harten te verharden. Mattheüs omsluiert dit schrikkelijke feit nog enigszins. Hij schrijft het toe aan de hardhorigheid van het volk (vs. 15). Lukas echter laat God opzettelijk onduidelijk spreken (8 : 9 v.). In werkelijkheid echter is er tussen de beide evangelisten geen verschil.
De gelijkenissen, die onder dit oordeelslicht staan, zijn in de eerste plaats het zevental, dat men vindt in Mattheüs 13. Die van de zaaier, het onkruid onder de tarwe, het mosterdzaad, het zuurdeeg, de schat in de akker, de parel van grote waarde en het visnet. Zij moeten alle dienen om de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen omsluierd te voorschijn te brengen.
Men kan zich niet verhelen, dat deze belichting van een deel der gelijkenissen geschikt is een illusie omtrent het Evangelie verloren te doen gaan. Wij zijn zo geneigd en soms ook gewend, alles wat zich afspeelt rondom de Galilese zee in een idyllisch licht te zien. 'Een plekje in 't koren', was het niet dominee ten Kate, die zo dichtte?41 Een scheepje, een oever of een grasveld? Heeft men Jezus niet kersen laten eten met Petrus? En nu rukken daar ineens die zeven gelijkenissen uit Mattheüs 13 als pantserwagens achter elkaar op om de weg te bereiden voor de komende Koning! Werktuigen der verschrikking en des oordeels in de eerste plaats, die een inhoud dragen van verborgen geweld! Die zaaier met zijn royale worp, dat mosterdzaad met zijn onmerkbaar kiemen, dat zuurdeeg met zijn geduldig dijen, zij omhullen een grimmige verbetenheid in de strijd tussen God en de duivel, tussen goed en kwaad.
Van Jezus' lijden zegt de Heidelbergse Catechismus, dat Hij "de ganse tijd zijns levens" geleden heeft, doch "inzonderheid aan het einde". Dit kan men ook zeggen van zijn strijden. Wij brengen vaak te veel romantiek in de evangeliën, zoals wij dat ook geneigd zijn te doen in het leven van mannen Gods als Augustinus en Luther. Wij hebben ons hart verpand aan de ontwikkeling en aan de psychologie. Het goddelijke is echter veel massiever dan het menselijke. Begin en einde liggen bij Jezus minder ver uiteen dan wij vaak denken. Het element der vervulling is in zijn leven sterker dan dat der ontwikkeling. Mattheüs zelf geeft in ons teksthoofdstuk ook een verklaring van Jezus' spreken in gelijkenissen (vs. 34 v.). Hij noemt het de vervulling van een profetenwoord, dat luidt: "Ik zal mijn mond opendoen met gelijkenissen, Ik zal verkondigen wat sinds de grondlegging der wereld verborgen gebleven is." De inhoud der gelijkenissen is oude wijsheid Gods. Dadelijk bij het begin, in Galilea, zijn zij er al en reeds op het oorlogspad: de Zoon des mensen en de duivel, de zaaier van het goede zaad en zijn vijand, die er onkruid over heen zaaide, uit de tweede gelijkenis.
De gemeente heeft de gelijkenissen wel eens opgevat als licht, terwijl dan andere bijbelgedeelten zwaar zouden moeten heten. Licht ook als voedsel voor de ziel. "'t Is maar een gelijkenisje, zei men dan", zo klaagde Pierson te Zetten.42⌫ Het is juist andersom. Deze zeven gelijkenissen in dit oordeelslicht, op dit oorlogspad, zijn ons eerder te zwaar. Is dit nog Evangelie?
Dit verhardingsmiddel?
Maar is onze wereld een idylle? En voor welke wereld is het Evangelie dan bestemd?