O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Kinderen GodsGestalte en GeestHet meetsnoer →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel III · Boek 2: De apostel des Geestes · p. 398–401

Woorden en kennis

En indien ik ook onbedreven ben in woorden, nochtans ben ik het niet in wetenschap; maar alleszins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden.

2 Korinthiërs 11 : 6 (St.V.)

In de hoofdstukken 10-16 van Paulus' tweede brief aan de Korinthiërs wordt de apostel heel persoonlijk. Nadat hij in de vorige negen kapittels meer zakelijk heeft uiteengezet, waarom hij schrijft, komt hij nu tot een zeer bewogen verdediging van zijn apostolisch gezag en tot een directe aanval op zijn tegenstanders. Hier en daar wordt het tot een soort handgemeen. Paulus treedt dan voor de gemeente op als openbare aanklager. Het betoog wordt gevoerd in de stijl van een zeer subtiel dialectisch spel; een haasje-over tussen de persoon en de zaak, waarbij het soms moeilijk valt de stand precies bij te houden. Onze tekstwoorden zou men het thema kunnen noemen, dat in allerlei variaties telkens terugkeert en dat helpen kan om de draad niet kwijt te raken. Ik heb de Statenvertaling hierboven gevolgd en niet de Nieuwe Vertaling. Deze laatste gebruikt, zoals de meeste nieuwere, een andere lezing van de Griekse tekst. Men leest dan niet, dat Paulus zelf onder de Korinthiërs openbaar geworden is, maar dat hij, ofschoon onbedreven in woorden, wel degelijk kennis had en dat hij ook voldoende in staat is geweest die kennis aan de Korinthiërs mede te delen. In de vertaling van Van Veldhuizen wordt dat laatste nog iets opzettelijker naar voren gebracht: Paulus had zich verstaanbaar kunnen maken.87- Ik kan echter niet aannemen, dat de apostel zijn pleidooi plotseling zo zwak zou hebben gevoerd. Paulus zelf is altijd zwak, maar zijn brieven zijn het nergens. En het is juist zijn eigen zwakheid, zijn kennis aan het kruis van Christus, die hij stelt tegenover de woorden, waarin hij onbedreven is (1 Kor. 2 : 1 v.). Wanneer hij deze kennis stelt tegenover woorden, dan wil hij er niet tegelijk aanspraak op maken, dat hij toch nog wel voldoende bespraakt is, om zich verstaanbaar te maken. Wie de brieven van de apostel kent, weet dat hij dat vermogen wel dubbel en dwars bezit. Maar Paulus vindt zo'n argument onbetekenend. Hij heeft er sterkere van node. Argumenten, waaruit blijkt dat de kracht Gods in zwakheid wordt volbracht (2 Kor. 12 : 9). Hij gebruikt ze, als hij er aan herinnert, dat hij het Evangelie kosteloos heeft gesteld. Hij heeft te Korinthe eigenhandig de kost verdiend en zijn gebrek hebben broeders van elders aangevuld (2 Kor. 11 : 7 vv.). Hij heeft niet de 'grand seigneur' uitgehangen; hij heeft zich niet laten fêteren als zovele solisten in die dagen en blijkbaar te Korinthe ook sommige valse apostelen. Paulus is daar geweest 'in zwakheid en in vreze en in vele beving' (1 Kor. 2 : 3). Als de apostel zichzelf met die valse apostelen vergelijkt en zich boven hen stelt, dan zoekt hij het hierin, dat hij meer gearbeid heeft, meer slagen gekregen heeft, vaak gevangen heeft gezeten enz. (2 Kor. 1 1 : 23 vv.). Hij zou ook kunnen roemen in de visioenen, die hij gehad heeft. Hij doet het echter niet. Hij wil roemen in de doorn, die God hem in het vlees gegeven heeft (2 Kor. 12 : 7). Want als hij zwak is, is hij machtig (vs. 10). En zo hebben de Korinthiërs hem leren kennen. Zo is hij onder hen openbaar geworden.

Dit is de kennis, die Paulus in onze tekstwoorden naar voren brengt. Met deze zwakheden zoekt hij de valse apostelen, die in de gemeente gekomen waren, buiten gevecht te stellen. Het is zeer nodig daarop goed te letten. Want als de apostel hier woord en kennis tegen elkaar over plaatst en de kennis, de gnosis, boven het woord stelt, dan zou dat - zo leert de kerkhistorie - een gevaarlijke keus hebben kunnen zijn. Vele lezers zullen bekend zijn met de rol, die de gnostieken, de kennis-christenen, in die historie gespeeld hebben. - De kennis echter, die Paulus hier naar voren brengt, is een geheel andere. Het is geen Griekse speculatie tegenover 'de woorden Gods' die, volgens Paulus zelf, aan Israël zijn toevertrouwd (Rom. 3 : 2). Wanneer men het zo stelt, neemt Paulus het ook op voor de woorden. Dan zegt hij: "Zijn zij Israëlieten? Ik ook" (2 Kor. 11 : 22). Maar de apostel kent twee soorten van woorden. Als hij in onze tekstwoorden spreekt van wetenschap of kennis, dan bedoelt hij ook één van die soorten. Hij stelt ze elders tegenover elkaar. Als hij het heeft over de dingen, die ons van God geschonken zijn, dan gaat hij voort: "Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn" (1 Kor. 2 : 13). Dat hij het gevaarlijke woord kennis gebruikt en dat hij dat hier zelfs stelt tegenover het woord, hangt wel samen hiermee, dat hij het Evangelie voor de gemeente te Korinthe moet vertolken. Hij moet een eigen christelijke taal scheppen en aan de woorden een nieuwe inhoud geven. Kennis, dat is voor Paulus: woorden die door de Geest geleerd zijn. Dat moeten de valse apostelen zich voor gezegd houden. Het zijn de zuchten, de inspiraties des Geestes (Rom. 8 : 26). Dat moeten de Griekse Korinthiërs ook bedenken. ⚑De volle breedte en scherpte van het debat, dat de heidenapostel hier voert, komt echter niet tot zijn recht, zolang men met zijn gedachten blijft hangen in de plaatselijke situatie te Korinthe. Om het verschil tussen woorden en kennis bij Paulus recht te verstaan, moet men achter de valse apostelen de echte apostelen, de Twaalve, zien staan. - Met hen is Paulus nooit in een openbaar conflict gekomen, zoals met de valse. Maar er heeft wel spanning bestaan en deze spanning was een noodzakelijkheid. Zij was ook blijvend. Zij heeft grote betekenis voor ons geloof.

Dat zij er was, bewijst Galaten 2 : 11, maar meer nog Handelingen 15. Zij blijkt echter wel het duidelijkst uit de ijver, waarmee Paulus voor zichzelf op een eigen arbeidsveld en een eigen apostolisch gezag van Christuswege aanspraak maakt (2 Kor. 10 : 12-18 en elders). Paulus verlangt een duidelijke scheiding tussen het zijne en dat der Twaalve. En als die er niet is, dan maakt hij ze, zoals Jakob met Laban (Gen. 31 : 45 vv.).

Ook het verschil tussen woorden en kennis krijgt dan een bredere zin. In 1 Kor. 1 : 5 schrijft Paulus, dat de Korinthiërs rijk zijn geworden in Christus "in alle woord en in alle kennis". Hier verdient de Nieuwe Vertaling de voorkeur. De Statenvertaling heeft: rede en kennis, naar de exegese van Calvijn.88 Deze laatste vat 'het woord' op als prediking en de meeste nieuweren doen dat met hem, ofschoon men in de vertaling 'woord' laat staan. Nu worden echter deze beide, het woord en de kennis, in vers 7, genadegaven, charismata, genoemd en daarom meende Hugo de Groot, in zijn Aantekeningen, dat men onder het woord hier het spreken met tongen (Hand. 2 : 4) had te verstaan en onder de kennis de profetie (1 Kor. 12 : 10).89 Deze uitlegging, die meestal wordt afgewezen, is echter zeer suggestief. Zij voert ons veel dieper in de nieuwtestamentische wereld. Daartegenover doet die van Calvijn wat rationalistisch aan.

In het spreken met tongen van de Twaalve, bij de uitstorting van de Heilige Geest, eindigen de evangeliën in een soort extase. Maar zij eindigen daarin. Het zijn de discipelen van Jezus, die hier fungeren als getuigen van zijn opstanding (Hand. 1 : 22). Zij vertegenwoordigen als zodanig de evangelische overlevering, de acribie omtrent de heilsfeiten (Luk. 1 : 2 v.). Paulus heeft ook deelgenomen aan deze pinkstergave, maar dat is niet het eigenlijke charisma, dat hem is toebetrouwd. De glossolalie heeft hij wel beoefend. Maar meestal spreekt hij liever vijf verstaanbare woorden (1 Kor. 14 : 19). Hij oefent liever de profetie, omdat deze de gemeente opbouwt (1 Kor. 14 : 4).

Zo krijgen onze tekstwoorden uit 2 Korinthe 11 : 6 hun volle betekenis. Zij krijgen die, als men achter de valse apostelen te Korinthe de Twaalve te Jeruzalem ziet staan. Niet in openbaar conflict met Paulus, maar in een noodzakelijke spanning met hem verkerende. Nu kan men de tekst pas lezen. Paulus is een leek, hij is onbedreven in woorden, dwz.: de evangelische overlevering of - wil men - de apostolische overlevering. Wat Paulus daaromtrent meedeelt, moet hij overleveren, na het van een ander ontvangen te hebben (1 Kor. 11 : 23). Zijn eigen, eigenlijk charisma is, wat hij in deze brieven de kennis noemt, het woord des Geestes, de profetie. Zijn de Twaalve getuigen van Jezus' opstanding, Stefanus en Paulus zijn het van Jezus' zitten ter rechterhand Gods. Van zijn regering door de Heilige Geest. Daarover handelt het tweede boek van Lukas.

Eindnoten

  1. 87

    A. van Veldhuizen, Korinthiërs (TU.), p. 58. Zijn vertaling luidt: "Ben ik dan al ongeoefend in het spreken, ik ben het niet in kennis, want we hebben ons alleszins en in alle opzichten voor u verstaanbaar kunnen maken."↩

  2. 88

    J. Calvijn, Comm. in epistolam Pauli ad Corinthos I (CR. 77,310): "et quae sint ilia omnia (sc. bona) exprimit, nempe doetrina et sermo Dei."↩

  3. 89

    H. Grotius, Annotationes, di. 6; Ann. in Pauli EpistolasadRomanos, Corinthios, Galatas, p.278:, en panti logo, in omni verbo. Est anavopa (repetitio): nam praecesserat en panti. Intelligit autem hic dona linguarum. Kai pase gnosei (et omni scientia). Hic intelligit dona prophetiae."↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Kinderen GodsGestalte en GeestHet meetsnoer →