O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Waar blijft Gods koninkrijkGestalte en GeestDe Trooster →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel III · Boek 1: De vertolker van Gods gestalte · p. 347–348

Deel III

Boek 1: De vertolker van Gods gestalte

Van Pasen naar Pinksteren

Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, genaamd Olijfberg, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis daar vandaan. En toen zij in de stad gekomen waren, gingen zij naar de bovenzaal, waar zij verblijfhielden.

Handelingen 1 : 12 en 13 (Vert. NBG.)

Wat in onze tekstwoorden geschreven staat, zou men aldus kunnen samenvatten: Van Pasen naar Pinksteren. Hier wordt ons de overgang getekend tussen die beide. Het is goed om daarop te letten. De Godsopenbaring is een samenhangend geheel. Wel kan men daarin hoofdmomenten onderscheiden; maar die mag men toch niet uit elkaar rukken. Dat gevaar bestaat en daarom waren onze vaderen, vlak na de Reformatie, soms bang voor een afzonderlijke viering van de christelijke feestdagen. Zij hadden bezwaar tegen liturgie in een zeer algemene zin, waarbij de heilsgeschiedenis bij stukken in de kerk weer opnieuw zou worden opgevoerd. Zij meenden dat deze stukken, als het goed was, elkaar in de prediking zozeer moesten doordringen, dat een afzonderlijke ter-schouw-stelling onnodig, ja schadelijk was. Zij dachten ook, dat de oefening van de godsdienst dan veel innerlijker en intensiever zou zijn, dan wanneer men die oploste in een aantal schouwtonelen, het ene na het andere.

Later is men tot het inzicht gekomen, dat een zo streng doorgevoerde geestelijke concentratie waarschijnlijk te veel zou vragen van de gemeente en dat een zekere mate van historische aanschouwelijkheid in de prediking ook tot steun voor het geloof zou kunnen dienen. Men is tot het kerkelijk jaar teruggekeerd en daaraan waren, ook uit oecumenisch oogpunt, grote voordelen verbonden. Inmiddels behoren wij de hierboven aangewezen gevaren wel in het oog te houden. Het is mogelijk dat men zich op één moment in de heilsgeschiedenis zó vastlegt, dat men van de andere min of meer afgesloten raakt. Zo zou men voor onze tijd kunnen spreken van een kerkelijke sublimering van Pasen. Men gaat dan slechts schoorvoetend mee, als de jongeren, op Jezus' bevel, van de Olijfberg naar de bovenzaal te Jeruzalem gaan. Men zou het verkeer, dat de Heer met de discipelen pleegde na zijn opstanding, nog willen rekken. En van de spaarzamelijke aantekeningen, die de evangeliën daarover bevatten, tracht men alles te maken wat maar enigszins mogelijk is. Men laat Jezus daarbij zover mogelijk vooruitgrijpen op wat volgens Hemzelf tot het werk van de Heilige Geest behoorde. Het tweede boek van Lukas zou op deze wijze door de laatste hoofdstukken der evangeliën in zeer sterke mate worden gedevalueerd. Jezus zou reeds vóór Pinksteren aan de kerk haar vorm hebben gegeven. Hij zou haar in letterlijke zin hebben gesticht. Hij zou aan het Koninkrijk der hemelen, dat Hij gepredikt had, een gestalte hebben gegeven, die paste bij de sfeer, die er heerste in de veertig dagen na zijn opstanding. Het zou een Koninkrijk zijn, dat in het teken van de verschijning zou staan, en waarin iedere zaak het karakter van een teken zou krijgen. Al het vergankelijke zou tot een gelijkenis worden; het onvolmaakte tot een voldragen iets. In die post-mortale atmosfeer, deze morgenlucht der eeuwigheid, zou men het hemelleven hier op aarde reeds kunnen beginnen. Men zou er samenkomen om met de Heer brood te eten in het koninkrijk Gods (Luk. 14 : 15) en te drinken de drinkbeker der onsterfelijkheid. Op Pasen zou Gods openbaring eigenlijk reeds op eeuwig zijn stilgezet.

De eenvoudige bijbellezer vindt in dat boek iets anders. Hij leest dat de discipelen in de sfeer van Pasen niet bleven verwijlen. Zij keerden op Jezus' bevel naar Jeruzalem terug en gingen naar de bovenzaal, waar zij verblijf hielden. Men make zich van die lokaliteit geen celeste voorstellingen. De nieuwe vertaling heeft er onbarmhartig het doopceel van gelicht. Vroeger lazen wij opperzaal en wij dachten daarbij in de verte aan Gods opperzalen die Hij zoldert in de wateren (Ps. 104 : 3). Daaraan herinnert deze bovenzaal in het geheel niet meer. Het is een gelegenheid om in enigszins bredere kring te vergaderen.

Op zo'n zaal en in zo'n kring staat altijd iemand op om een voorstel te doen. Petrus deed het ook (Hand. 1 : 15). Er wordt gestemd en als de stemmen staken, beslist, volgens artikel zoveel, het lot. Matthias werd gekozen verklaard bij de elf apostelen (vs. 26). Maar hij valt niet neder, zoals Paulus op de weg naar Damascus, om de aarde te kussen, die zijn apostolaat zal dragen. Zoiets kan men niet doen op een bovenzaal, vooral niet als men als apostel uit de bus gekomen is. Men mompelt dan iets van te willen bedanken ten behoeve van degene, die in de bus bleef.

Neen, deze bovenzaal ademt niet meer een hemelse sfeer. Wij kennen deze dingen maar al te goed. Wij hebben eerder het gevoel dat, terwijl Jezus ten hemel gevaren is, de discipelen uit de hemel gevallen zijn. Pasen blijft niet. God gaat verder en schept iets nieuws. Hij vaart voort tot Pinksteren en begint daartoe weer van onderen op. Jezus is heengegaan. De apostelen gaan beginnen. En daartoe zullen zij de Heilige Geest ontvangen.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Waar blijft Gods koninkrijkGestalte en GeestDe Trooster →