O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Beneden en bovenGestalte en GeestVan Pasen naar Pinksteren →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel II · Boek 2: De getuigen van Gods gestalte · p. 345–346

Waar blijft Gods koninkrijk

Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?

Handelingen 1 : 6 (Vert. NBG.)

De evangeliën zijn vol van het Koninkrijk der hemelen of het Koninkrijk Gods. De zaligsprekingen en de gelijkenissen van Jezus hebben er betrekking op en verder al het andere, wat Jezus geleerd en gedaan heeft (Hand. 1 : 1). Dat Koninkrijk was het, waarom de discipelen huis en hof hadden verlaten en waarom de scharen te hoop gelopen waren.

Maar toen was de grote ergernis gekomen: het kruis van Golgotha. Jezus' jongeren hadden een moeilijke les moeten leren. Hun geloof had de zwaarst denkbare ontgoocheling moeten verwerken. Zij hadden echter de man met de doorboorde handen en de doorstoken zijde als hun Heer en hun God leren belijden.

Maar nu komt dan ook de vraag naar het Koninkrijk weer terug. Nu Jezus is opgestaan en nu God Hem tot Heer en Christus gemaakt heeft (Hand. 2 :36). Wat wordt er nu van dat Koninkrijk uit de evangeliën? Welke gedaante en heerlijkheid zal het hebben en houden na de grote schande van de nederlaag? Hoeveel jaren, eeuwen, eeuwigheden misschien zal het nodig hebben om te komen, nu de drie jaren van Jezus' omwandeling onvoldoende waren gebleken?

Dit is de 'crisis der zekerheden', waarin de discipelen van Jezus verkeerden en waaraan zij in een samenzijn met Jezus uiting schijnen te hebben gegeven. De evangeliën eindigen in die crisis en de Handelingen der Apostelen beginnen er mee. In deze crisis zal de Heilige Geest komen staan op de Pinksterdag. Zij is de reden van de derde historische uitgang Gods in de heilsopenbaring. Want niemand minder dan God zelf zal haar moeten oplossen. Deze kritische vraag is de laatste, die aan Jezus op aarde is gesteld en zij vormt de doorslaggevende grond voor de hemelvaart. Jezus kan haar niet meer beantwoorden en Hij maakt dan ook dadelijk daarop plaats voor de Geest.

De eerste elf verzen van de Handelingen der Apostelen geven een samenvatting van wat Lukas ook reeds had medegedeeld aan het slot van zijn evangelie. Men vergelijke de beide teksten. Deze samenvatting is echter tegelijk een soort uitbreiding, een vervaging. De verhalen uit Lukas 24 worden enigszins verdoezeld; de kleuren worden minder helder. Het is alsof Jezus' figuur hier nog onduidelijker omtrekken gaat krijgen dan aan het slot van het evangelie reeds het geval was. De crisis neemt toe. ⚑Men moet dan ook niet menen, dat wij hier een aanvulling van het Evangelie krijgen, waardoor wij pas recht te weten zouden komen wat er na de opstanding gebeurd is en waarbij de ons uit de evangeliën bekende verschijningen van Jezus met een vrij hoog cijfer vermenigvuldigd zouden worden. Zulk een aanvulling is het juist niet. Het is een inleiding op de Handelingen der Apostelen en in zoverre gaat het hier niet over de verschijning, maar over de verdwijning van Jezus om plaats te maken voor de Heilige Geest. In die "veertig dagen" (vs. 3) mag men geen intensivering van Jezus' tegenwoordigheid vinden, maar men moet er uit horen een langzaam terugtreden van de Heer; een gelegenheid tot gestadige verneveling van zijn 'presentie'.

Daarom acht ik ook de vertaling van vers 2, zoals Brouwer die geeft, de juiste. De meesten hebben hier, dat Jezus zijn bevelen aan de apostelen had gegeven "door de Heilige Geest". Er zou dus in die veertig dagen op Pinksteren vooruitgegrepen zijn. Ook de nieuwe vertaling heeft dit. Brouwer echter wil, dat Jezus toen zijn opdrachten heeft gegeven met het oog op de Heilige Geest. Deze overzetting spreekt voor zichzelf. Het hele verband wijst ook in die richting. Waarom zou Jezus hier "door de Heilige Geest" moeten bevelen? Neen, Hij bereidt de jongeren hier zeer duidelijk op Pinksteren voor. Dat is de strekking van zijn spreken over het koninkrijk Gods (vs. 3). En het is de letterlijke inhoud van wat er verder in vers 4 en 5 staat. En wanneer dan de pertinente vraag van de discipelen komt, waar het koninkrijk Gods uit de evangeliën nu blijft, dan beantwoordt Hij die niet, maar verwijst hen voor het laatst naar de Trooster. Diens ambt zal het zijn, op deze allerkritiekste wereldvraag een antwoord te geven. En dan gaat Jezus heen.

Men mag van die 'veertig' dagen geen misbruik maken door er ruimte in te scheppen voor kerkstichting door Jezus, zoals Rome wel doet; of voor het omvormen van het Koninkrijk tot een mysterie, zoals de hedendaagse katholiserende beweging dat wil. Jezus heeft de vraag naar het Koninkrijk opengelaten en overgedragen aan de Trooster. De veertig dagen zijn geen duidelijke heilshistorische ruimte, maar een vage accommodatie aan het kerkelijk jaar. In Lukas 24 zijn ze slechts één dag.

Voor ons is deze inleiding op de Handelingen der Apostelen van zo grote betekenis, omdat wij nu weten dat de vraag naar het Koninkrijk-uit-de-evangeliën bij God actueel blijft en dat zij de laatste stoot heeft gegeven aan Jezus' hemelvaart en aan de uitstorting des Heiligen Geestes.

De blinden, de lammen, de melaatsen, de doven, de doden, de armen (Matth. 11 : 5) behoeven de hoop nog niet op te geven.

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Beneden en bovenGestalte en GeestVan Pasen naar Pinksteren →