Rome als organisme
Wij menen in de vorige hoofdstukken te hebben laten zien, dat er een bedriegelijke breedheid bestaat, die alles wat van haar uitgaat, schijnt te omvatten, terwijl toch haar deugd slechts hierin bestaat, dat zij zelve niet meegaat. Wij hebben dit trachten te verduidelijken aan de bronnen en de historie van het christendom; aan de Twaalve en Paulus; aan de oosterse en de roomse katholiciteit. Telkens kwam het historische en mystische naar voren tegenover het antiquarische. Het eerste bleek het laatste te omvatten en niet omgekeerd. Dit bracht ons tot een karakteristiek van Rome, die wij thans iets nader willen preciseren.
Wanneer men zich rekenschap geeft van een zeer algemene indruk, die Rome op ons maakt onder de gezichtspunten, die ons hier bezighouden, dan zien wij het uitgestrekt, niet in de breedte, maar in de lengte. Het komt ons voor, niet alsof het zit, op de stoel van Petrus, maar alsof het gaat, zoals Paulus, zich strekkende naar hetgeen vóór is. Niemand zal kunnen ontkennen, dat het in de volste zin des woords een geschiedenis heeft. Wij hebben niet het gevoel, dat wij bij de Reformatie een dode stad hebben achtergelaten. Integendeel: er is een Contrareformatie tegenover geplaatst, die eveneens een vernieuwing betekende. Wel neemt de macht van de paus nog steeds toe, en komt deze steeds meer tegenover zijn medebisschoppen en uit het midden van zijn clerus naar voren, maar daardoor wordt in de eerste plaats die eigenschap van Rome geaccentueerd, die laat zien hoe het zich niet in de breedte, maar in de lengte strekt. Een meervoudige, episcopale evenwichtstoestand, op duren berekend, zoals het Oosten die kent, wordt daardoor steeds meer verbroken. De paus zit hoe langer hoe minder in de stoel van Petrus, doch staat en gaat, evenals Paulus. Hij krijgt ook in de orden, vooral na de Reformatie, een eigen staand leger, dat hem min of meer onafhankelijk maakt van de eigenlijke kerkorde en waarmee hij posities in de wereld kan bezetten met een bewegelijkheid, die de officiële kerk mist. Aan deze dingen dacht ik, toen ik aan het slot van mijn vorig artikel opmerkte, dat bij Rome de successie niet zonder doel en daarom ook niet zonder einde was. Dat laatste wil ik hier nader verduidelijken.
Een continuïteit-zonder-meer is steriel. Wie al maar door een stoel bezet, wordt een ornament. Een doel vraagt om een toenemen in genade en Geest. Dat is een mystische continuïteit, die wij Paulus hebben toegeschreven. ⚑Vergeleken met het Oosten heeft Rome daarvan iets in zich. En wanneer wij in de oecumenische beweging met Rome geconfronteerd worden, dan voelen wij op dat punt onze verwantschap. Niet tot de Oriëntalen en niet tot de Anglicanen voelen wij ons, als het er op aankomt, aangetrokken, maar tot de Roomsen. Tussen hen en ons moet de beslissing vallen ten opzichte van de Una Sancta. Die anderen zijn ons te formeel, te bedrieglijk-breed, te schijnbaar-omvattend. Men kan slechts een-worden, als men zich samen strekt naar een prijs der roeping Gods (Fil. 3 : 14), een doel in en achter deze wereld.
Daarin ligt opgesloten, dat men wil ophouden met te duren. De pauselijke stoel heeft deze discontinuïteit als mogelijkheid in zich. De onfeilbaarheidsverklaring van 1871 en de perfectionering van het canonieke recht in 1918 hebben, in formeel opzicht, wat de volmaking van het primaat van de bisschop van Rome betreft, tot een zeker absurdum geleid. De ontwikkeling schijnt mij, waar zij niet verder kan, in haar tegendeel te moeten omslaan. - Deze Hegeliaanse speculatie zou ik achterwege hebben gelaten, als niet een nuchtere waarneming van het roomse kerkelijk leven tot hetzelfde resultaat leidde. Er valt in het pontificaal beraad een soepel parlementarisme en een zorgvuldig achtnemen op de openbare mening op te merken, die in die mate in Hervormde kerken niet altijd worden gevonden. De theoretische grondslag daarvoor ligt in de, althans in die vorm, nieuwere roomse opvatting, dat de kerk een groeiend organisme is. Een voorstelling, die niet geheel identiek is met de leer van het mystieke lichaam van Christus, maar meer op de kerkelijke vormen van toepassing is. Een biologische inslag valt daarin niet te miskennen, zoals er trouwens aan het moderne roomse denken meer naturalistische trekken eigen zijn.
In verband met deze dingen behoeft de mogelijkheid niet zonder meer te worden afgewezen, dat het papaal systeem bezig zou zijn in een derde periode over te gaan, waarin het in zekere zin zijn oplossing en einde zou vinden. De eerste zou dan die zijn, waarin het canonieke recht werd afgeleid uit de meest verschillende bronnen, van welk recht het Decretum Gratiani (1150) de samenvatting gaf. De tweede zou overwegend gekenmerkt zijn door pauselijke decretaliën (1150-1870).130 En in de derde periode zou dan nu langzamerhand, zonder dat daarvoor bepaalde regels worden aangegeven, een vrijer conferentie-wezen de overhand krijgen, waarbij ook leken zouden worden betrokken en waarbij de stoel van Petrus een meer formele betekenis zou behouden. De kerkelijke beslissingen zouden daarbij een enigszins vrijblijvend karakter krijgen en op geleidelijker en soepeler wijze tot stand komen. Sedert de proclamatie van 's pausen onfeilbaarheid heeft het spreken ex cathedra trouwens ook dadelijk reeds een hypothetisch karakter aangenomen door allerlei beperkende bepalingen. Op dit punt heeft de ontwikkeling van het roomse kerkrecht - tegen het eerste gezicht in - een punt bereikt, waarop - zeker niet toevallig - ook het hervormde is aangeland.
En wat nu van Rome zelf uit in beweging werd gebracht, wordt door de wereldsituatie in dezelfde richting voortgestuwd. Wanneer er eens een Amerikaanse paus wordt gekozen, wat toch wel zal moeten gebeuren - wil de Westerse kerk haar doelstellend karakter bewaren en wil de successie niet steriel worden - dan is daarmee ook het christelijk Rome tot een antiquiteit geworden. Van welke kant men de zaak ook beziet, van overal staart de mogelijkheid van het einde der papale suprematie iemand in het gezicht; en zolang die mogelijkheid niet wordt uitgeschakeld, blijft de westerse katholiciteit levensvatbaar. - Dit wil niet zeggen, dat voor dat einde niet een of andere decoratieve vorm zou kunnen worden gevonden. Maar het zou wel betekenen, dat de westerse christenheid mystisch de rol van Paulus weer had opgenomen.