O. Noordmans · Verzamelde Werken Inhoud Bijbelregister Zoeken
← Eschatologische verbanden in de wereldkerkGestalte en GeestRome als organisme →

Verzamelde Werken, deel 8 · Gestalte en Geest · Deel IV · Boek 1: Paulus komt en Petrus gaat – Hervormde overpeinzingen · p. 437–440

Antiquarische en mystische apostoliciteit

Wanneer Harnack in de voorrede voor zijn Chronologie van de oudchristelijke letterkunde heeft opgemerkt: dat wij naar de traditie teruggaan, dan gaat hij verder met te zeggen, dat zulks een grote krachts- en tijdsbesparing meebracht.129 Onderzoekingen als die van de Tübinger School, die de bronnen voor de kennis van het christendom veel verder uiteenschoven dan de traditie dat deed, om nl. aan die godsdienst meer tijd te geven zich op natuurlijke wijze te ontwikkelen, werden nu overbodig. Men kon voortaan bij de traditie navragen. En men kreeg zodoende de handen vrij voor datgene, waar het toch om te doen was, de geschiedenis van het christendom, die uit die bronnen viel af te lezen en die daaruit naar voren sprong.

Deze verhouding tussen het literair-historische en de geschiedenis herhaalt zich nu in menig opzicht bij het onderzoek naar het christendom zelf. Een historisch-kritisch onderzoek - denk aan de hypothesen Kuenen-Wellhausen - wordt gemakkelijk te constructief. Zoals de Tübinger School bij de rangschikking der bronnen een paar eeuwen meende nodig te hebben voor wat God in een paar decenniën gedaan had, zo zondigt het historisch-kritisch onderzoek in de breedte. Men zoekt overal materiaal bijeen, vaak achter het Nieuwe Testament om, op zoveel mogelijk verschillende plaatsen. Men doet de stof een fenomenologische behandeling ondergaan, zodat dingen die voor het gemeentelijk oog ver van elkaar verwijderd zijn, naast elkaar komen te liggen en op elkaar betrokken worden. Zo vormt men brede lagen historische stof, een soort sedimenten, die zich op bepaalde tijden hebben gevormd en zoekt daaruit de bedoelde structuurverbanden af te lezen. En hoewel niet alles bij deze onderzoekingen onder deze gezichtshoek gezien mag worden en er plaats voor 'mooie vondsten' overblijft, meen ik toch hier op een grondfout te hebben gewezen, die zich wreekt, zodra men daaruit conclusies gaat trekken voor een hedendaagse kerkorde. Onze wetenschappelijke belangstelling moge hier worden geboeid, de religieuze bekoring die er van uit kan gaan, is gevaarlijk. Deze verbanden liggen veel te horizontaal. Dit zijn niet de structuren van het Lichaam van Christus, hetwelk eschatologisch gestrekt staat. God werkt aan de heilsgeschiedenis niet op alle plaatsen tegelijk. Terwijl men het in den brede overal zoekt, heeft Hij in een verborgen hoek, soms ongemerkt en dáár alleen, zijn werk gewrocht. En uit die hoek komt zijn heil dan, langs een smal spoor, naar voren. En een verband met het naastliggende is dan meestal alleen mystisch gegeven.

Lukas heeft ons in de Handelingen der Apostelen daarvan een tafereel getekend, dat voor alle tijden een schouwspel is. En hier wordt het duidelijk dat ik, van het begin van dit hoofdstuk af, bezig ben mij aan te sluiten bij het slot van het vorige. Daar merkte ik aforistisch op, dat niet Petrus Paulus omvat, maar dat het omgekeerde het geval is. Niet het brede draagvlak van de Twaalve steunt de éne man van Tarsus, doch de op de weg naar Damascus door Jezus geroepen apostel stelt in de Handelingen de vroegere discipelen van Jezus in de schaduw. Er ligt in het begin van Lukas' tweede boek een vloer; de vloer van de synoptische evangeliën. Daarop treden op: Petrus, Johannes en Jakobus de Rechtvaardige. Zij staan er als "pilaren" (Gal. 2 : 9), naast elkaar. Heel anders Paulus, die daarop maar even verschijnt, om dan zijn eigen gang te gaan. Niet naast de Twaalve maar van hen weg, verder in de heilsgeschiedenis, als apostel des Geestes. Na Handelingen 15 merkt men zo goed als niets meer van de andere apostelen; alleen van Paulus vertelt de Schrift nog. Hoe zijn weg hem van stad tot stad uitgepaald wordt door het meetsnoer des Geestes, tot Rome toe, terwijl de bijbel over Petrus' betrekking tot die stad met geen woord rept.

Dit is de vorm van de nieuwtestamentische structuurverbanden. De figuren komen er dan heel anders uit te zien. Paulus heeft geen opvolger, maar duikt als 't ware te Rome weer onder in de geschiedenis, om later van tijd tot tijd mystisch weer zichtbaar te worden. Hij volgt Jezus niet op, maar gaat Hem tegemoet. ⚑De weg van deze apostel is een enkel spoor, absoluut historisch. Zijn geschiedenis is ons in de Handelingen voluit verteld en het Nieuwe Testament bestaat verder bijna geheel uit zijn brieven.

Het verhaal is compleet en het levert ons in geen enkel opzicht een verzameling oudchristelijke antiquiteiten. Wij leren geen toestanden kennen, maar lezen aldoor van handelingen. Oudchristelijke antiquiteiten zou men wél kunnen noemen, wat Lukas ons in zijn tweede boek van Petrus, Johannes en Jakobus verhaalt. Daardoor leren wij de toestand der Jeruzalemse gemeente kennen, na Pinksteren. Maar de handeling gaat verder, met Paulus.

Paulus verlaat het terrein, waar deze oudchristelijke toestanden heersen. Hij verwijdert zich daarvan hoe langer hoe verder, letterlijk en overdrachtelijk. Hoe het toen precies in Jeruzalem en omgeving gesteld was, wordt voor de rijzende kerk van steeds minder betekenis. Petrus' stad kon Paulus' wereld toch lang niet omvatten. Wel neemt Paulus uit Jeruzalem allerlei mee. Hij neemt overleveringen aan van Petrus en de Twaalve. Maar hij heeft zijn eigen evangelie van Jezus ontvangen (Gal. 1 : 12). Dat evangelie omvat later ook overleveringen uit Jeruzalem. Maar Petrus had hem toch niet kunnen leren, hoe hij de Brief aan de Romeinen had moeten schrijven. Dat heeft de Heilige Geest hem geleerd.

Zoals het nu met Jeruzalem was, zo is het ook met de hele Oosterse katholiciteit. Zij kan niet het patroon leveren voor de komende Una Sancta. Haar breedheid is bedriegelijk. Die is te veel toestand; te weinig handeling. Te zeer antiquiteit; te weinig geschiedenis. Die katholiciteit is te decoratief-, zij maakt haar handen niet vuil. Dan liever het heilsleger!

Wat de kerkorde betreft, is het verschil tussen het Oosten en Rome zomaar te zien. In de Griekse helft van de oecumene vijf apostolische stoelen naast elkaar en evenzo de patriarchaten, meer op continuïteit bedacht dan op evolutie. De apostolische stoelen in beginsel een meervoudige opvolging van Jezus vertonende. En de patriarchaten, iets dergelijks doende onder politiek gezichtspunt. Nu in 't groot, wat Jeruzalem ons in 't klein te zien gaf: een vloer met pilaren. Verschijningen naast elkaar, een toestand uitbeeldende; met horizontale structuren als maatstaven voor de Oecumene, zonder historische en mystische perspectieven.

Stel daartegenover het roomse katholicisme. Niemand zal kunnen ontkennen dat dit, vergeleken met het andere, niet in de vorm van een toestand, maar in die van een geschiedenis bestaat. Het staat, om te beginnen, in het Westen alleen, zoals Paulus tegenover de Twaalve; zowel als apostolische stoel alsook als patriarchaat. De momenten, die in dit katholicisme van betekenis zijn, die de geldende verbanden construeren, liggen derhalve niet naast elkaar, maar na elkaar. Rome gaat, als Abraham en als Paulus, uit haar land en uit haar maagschap naar het land dat God haar wijzen zal. Haar continuïteit is niet steriel, haar successie niet zonder doel en daarom ook niet zonder einde. Antiquarisch alleen is zij de stad van Petrus; zijn stoel staat er nog. Mystisch echter is zij de stad van Paulus; zijn grootste brief is de lamp, waarmede zij het Westen heeft verlicht.

Eindnoten

  1. 129

    A. Harnack, Geschichte der altchristlichen Literatur, Leipzig 19582 (18971), p. VII v.↩

Verantwoording

Deze pagina is automatisch opgebouwd uit de OCR-tekst van het boek. Paginagrenzen zijn hersteld, afgebroken woorden samengevoegd en voet- en eindnoten aan hun verwijzing gekoppeld. Zet controlepunten aan om de OCR-correcties en de onzekere plaatsen (⚑) in de tekst te zien. De tekst is niet met het gedrukte boek vergeleken.

← Eschatologische verbanden in de wereldkerkGestalte en GeestRome als organisme →