Retardatie
Ik zal met uw mond zijn, en zal u leren wat gij spreken zult.
Exodus 4: 12 (St.V.)
De tweede veertig jaren uit het leven van Mozes zijn heel anders dan de eerste. Nu werd hij niet groot (Exodus 2 : 11), maar klein. Hij had God ontmoet (3 : 1-6) en nu is het uit met zijn eigendunk en eigengereidheid. Zo ras tot toorn en zo gereed tot de daad als hij was aan het eind van de eerste periode van zijn leven, zo moeilijk is hij in beweging te krijgen, nu de taak om Israël uit Egypte uit te leiden, werkelijk aan hem wordt opgedragen. Hij is vol tegenwerpingen, als de Here tot hem komt. Hij beweert, dat hij niet wel ter tale is en dat God maar een ander moet zenden (4 : 10 en 13). Mozes heeft geleerd, dat het niet voldoende is, als het bloed spreekt. Hij heeft gemerkt, hoe weinig het zijn volk baatte, toen hij daarnaar luisterde en daarnaar handelde. Hij had moeten vluchten en sedert had dat volk andere veertig jaren in slavernij moeten verkeren. Thans komt God, thans komt de Geest om hem te leren spreken.
Er is een groot verschil tussen de leerwijze van het bloed en die van de Geest. Geboren worden en de moedertaal leren gaat op een heel andere wijze toe dan wederom geboren worden en de pinkstertaal leren spreken. Wanneer wij ons deze beide Mozessen voorstellen, die uit Exodus 2 en de andere uit Exodus 4, dan krijgen wij aanschouwelijk onderwijs omtrent de tegenstellingen in ons leven.
Wij komen onder de indruk van het feit, dat dezelfde mens uit zulke verschillende beginselen kan leven, zonder dat zijn identiteit daardoor verbroken wordt. Hoe kan deze Mozes, die toch blijft luisteren naar dezelfde naam, die hij als klein jongske ontvangen had, zo verschillende gestalten aannemen, als daar in die beide genoemde hoofdstukken ons zijn getekend. Wij krijgen de indruk, dat de eerste Mozes gebroken wordt en dat uit elk deel een tegendeel geschapen wordt. Hoe kunnen deze tegendelen, weer saamgevoegd, dezelfde Mozes opleveren? En welke betekenis behoudt die eerste dan nog, als de tweede geworden is? Waar blijft het bloed, als de Geest regeert?
Nochtans is het er. Als Mozes straks op de berg Sinaï de twee stenen tafelen uit zijn handen werpt, zodat ze beneden aan de berg in stukken vallen (Ex. 32 : 19), dan is zijn toom zo groot, dat deze door de beitel van Michel Angelo, als exemplaar in onze voorstelling is gaan leven.
Maar welk een volume heeft die toorn dan gekregen! Welk een plaats in de heilsopenbaring Gods! Welk een heiligheid is er aan, zodat wij - waar Mozes uit de tegenwoordigheid van zijn toomende God komt, wiens grimmigheid hij heeft zoeken af te bidden - bijna van een vonk van die goddelijke toom zouden kunnen spreken. Welke rol speelt het bloed hier nog?
Vragen te over, als men de mens ziet staan onder de werking des Geestes. Waar is de wil van de eerste Mozes gebleven? Bijna zou men zeggen: hij wil niet meer. In ons hoofdstuk lezen wij, hoe God zich over zijn onwil opwindt. En toch, wat betekent die eerste wil, die eigen wil uit Exodus 2 weinig, en hoe weinig achtergrond heeft hij, deze doodslagerswil, vergeleken bij de volharding en de beproefdheid (Rom. 5 : 4 Vert. NBG.), die in zijn tweede levensperiode in hem geboren zijn en die in de derde achter zijn geweldig levenswerk tot het einde toe blijven. En toch bestaat deze geestelijke gewilligheid bij haar geboorte letterlijk in de vorm van tegenspraak en schroomvalligheid.
Het is een geweldig ding, als de Geest de schepping nog eens ter hand neemt. Niemand kan ontkennen, dat uit het bloed alleen een mensenleven kan worden. Als wij de Israëls uit de historie schrapten en de Jakobs overhielden en zo ook deden met de Mozessen uit Exodus 2 en Exodus 4, met de Simons en de Petrussen, de Saulussen en de Paulussen, wat zou er dan van de heilshistorie overblijven? Wat zou er ook overblijven van de geschiedenis der mensen daaromheen? En hoe kan uw eigen leven zin hebben, als de Geest niet komt om er de zin in te leggen? Het leven heeft geen zin, maar het ontvangt een zin.
Wanneer men vraagt, wat een christen eigenlijk is, dan kan men daarop verschillende antwoorden geven.
Maar men kan ook zeggen: een christen is iemand, die gemerkt heeft dat men niet recht-toe, recht-aan kan leven. De Geest is een beginsel van regressie, van retardatie, vertraging. Augustinus heeft deze wet in biologische zin reeds ontdekt en vergelijkt haar met het terugtrekken van de pees van een boog.8⌫ Eerst terug en dan vooruit en in gelijke mate. Het mensenleven komt het verst, omdat het 't meest vertraagd wordt. Dat geldt in volle zin pas van het leven uit de Geest. Wie alle schroom, alle terughouding uit het christelijk leven als een inkruipsel beschouwt, heeft Exodus 3 en 4 nooit goed gelezen. Het leven wordt niet éénmaal, doch tweemaal gegeven. Vandaar de vergissingen die er ontstaan, als men er niet mee rekent, dat God de tweede maal het leven mededeelt, zoals het gebroken brood bij de tafel des Avondmaals. Alle ondoordachte aansporingen om, zoals Mozes eerst deed, lijf en leden maar flink te rekken en te strekken en er op los te gaan en er op los te slaan, zijn uit den boze. Voor het christelijk leven is de woestijn altijd een betere leerschool geweest dan 'der koningen huizen' (Matth. 11 : 8). Zo bij Mozes, bij Johannes de Doper; ook bij Jezus zelf. Ascetisme, puritanisme, of ook soberheid, bescheidenheid, schroom, ontzag zijn geen historische verschijnselen, die op een gegeven moment hun tijd gehad zouden hebben. Zij behoren tot het ijzeren bestand van het leven uit de Geest.
Retardatie is de eerste voorwaarde voor het ontvangen van die gaven, die de dragende kracht bezitten en de zachtmoedige aard, welke het bloed niet kan mededelen.