Ontlediging
Toen zeide de Here: Sta op, zalf hem, want deze is het.
1 Samuël 16: 12 (Vert. NBG.)
Daarop nam hij zijn staf in de hand, zocht zich vijf gladde stenen uit de beekbedding en deed ze in de herderstas ... maar zijn slinger hield hij in de hand.
1 Samuël 17: 40 (Vert. NBG.)
Wel zelden is er een held op het wereldtoneel getreden met zo lichte en lenige schreden als David, Israëls tweede koning. Zie hem komen, als hij door zijn vader, Isaï, geroepen is van bij de schapen, om te verschijnen voor de profeet Samuël, die het bevel des Heren had ontvangen om een van Isaï's zonen tot koning te zalven. Zijn zeven broers waren de ziener reeds gepasseerd. Nu komt daar de jongste, de schaapherder, met de geuren en de kleuren van de velden aan hoofd en leden. En van deze heet het in onze eerste tekstwoorden: Deze is het!
Of kijk, hoe hij opkomt in Sauls leger, als de reus Goliath de slagorden van de levende God tart (1 Sam. 17). Van een wapenrusting ontdoet hij zich weer. In zijn eigen lijfrok treedt hij naar voren, zoekt vijf gladde stenen uit een beekbedding, bergt ze in zijn herderstas en beslist daarmee de veldtocht.
Ik zou daarop niet gewezen hebben, wanneer het in de verhalen over koning David slechts een idyllische trek was. Het wil echter meer zijn dan dat. Vergelijk slechts het eerste optreden van David met dat van Saul. Deze laatste komt ook van het vee en van het veld, als hij tot koning gezalfd wordt. Hij was bezig de ezelinnen van zijn vader te zoeken. Maar als koninklijke figuur en als krijgsman treedt hij dadelijk in volle statuur en als 't ware geharnast te voorschijn. Zijn regering en zijn oorlogen kunnen dadelijk beginnen en zij doen dat ook. Bij David is dat alles geheel anders. Hij begint spelenderwijze. Heel geleidelijk en langzaam en pas stuk voor stuk voegen de delen van zijn koningschap zich samen tot dat rijke geheel, dat het centrum is geworden van het Oude Testament. Wat voorafging was voorbereiding; wat volgde naspel. En het Nieuwe Testament geeft eigenlijk pas de echte voortzetting van Davids koningschap. Dan wordt de Zone Davids te Jeruzalem ingehuldigd.
Wie daarop let, vindt in dat speelse optreden van David een geheimenis. Men placht vroeger, meer dan thans, in het Oude Testament, wat men noemde, typen van Christus te vinden; voorafschaduwingen van diens verschijning, persoon en werk. Davids rijk is zo in de heilsgeschiedenis wel het meest opgemerkte voorteken geworden van het koninkrijk Gods. Een rijk met een koning naar Gods hart.
Wanneer wij nu op een bijzonderheid daarvan ingaan, dan treft ons een zekere gelijkenis tussen het optreden van David met dat van Jezus. Beider schouders zullen zoveel hebben te dragen, dat dit alles niet ineens en niet dadelijk daarop mag worden geladen. Zij komen op in hun rijk met een overvloed en een reserve aan kracht, die niet terstond mogen worden verbruikt, maar die nodig zullen zijn om het werk tot voltooiing te brengen. Daardoor krijgt hun eerste verschijning dat lichte en gewillige, dat wij bij David opmerkten. Het is er ook bij Jezus in de evangeliën, bij zijn epifanie. Bach heeft het ons doen horen in de beide koraal-voorspelen Christ, unser Herr, zum Jordan kam. Dat zijn schreden gedragen worden door zulk een speelse volvaardigheid kan slechts bestaan uit kracht zijner Godheid (Heid. Cat., vr. 17), waardoor alleen Hij de lasten van zijn ambt zal kunnen dragen. En dat is dat geheimenis, waarvan ik een zekere gelijkenis zo pas reeds bij David meende te kunnen opmerken.
Deze overeenkomst kan slechts een zeer oppervlakkige zijn. Maar zij is er. Wij horen dat duidelijk uit ons eerste tekstwoord, als de Here zegt: Deze is het. David heeft dan nog niets gedaan, wat hem voor het koningschap zou predisponeren. Hij heeft schapen geweid. Hij heeft ze ook gehoed en bijwijlen een leeuw en een beer verslagen; maar dat zullen wel meer herders hebben gedaan.
Zijn zalving berust enkel op goddelijk welbehagen en verkiezing en zij wordt gevolgd door een aangegrepen-worden van Gods Geest. David heeft voortaan God achter zich en wordt in theocratische zin ook Gods zoon genoemd.
Het begin van Sauls koningschap was ook zo geweest. Hij had zich na de aanwijzing tot het koningschap tussen het pakgoed verscholen (1 Sam. 10 : 22). Hij was ook door de Geest gegrepen (10 : 10). Maar bij zijn epifanie, zijn verschijning, bleek hij toch te veel eigen gewicht te hebben. Zijn treden waren te zwaar. Hij was niet als een veder op de mond van de Almachtige. Bijbelheiligen kunnen slechts zijn, die zich door de storm van Gods openbaring laten dragen.