Hemel en hel
Toen Samuël zich omkeerde en wilde weggaan, greep Saul de slip van zijn mantel, doch deze scheurde af.
1 Samuël 15 : 27 (Vert. NBG.)
Wanneer men bij de bijbelse geschiedenis het tragische te pas brengt, moet men dat doen 'onder beneficie van inventaris'; men mag niet de hele inhoud van het woord zomaar overnemen. De tragiek van het menselijk lijden is een andere tegenover God dan tegenover het lot. Het verschil is zo groot, dat men dat lijden in het eerste geval nooit anders dan in oneigenlijke zin tragisch kan noemen. Geen enkele bijbelse figuur kan men plaatsen naast de personen van het Griekse drama. Het lijden van Jezus, dat geheel een handeling met God is en in geen enkel opzicht een schikking van het lot, brengt dat tot volle klaarheid.
Toch vallen er in de bijbel bij het lijden trekken op te merken die de zin daarvan meer verdiepen en onze spanning meer verhogen, dan bij het Griekse drama. Ik duidde dat reeds aan, toen ik het leven als handeling en dat als schikking tegenover elkaar stelde. De Griek wist ook wel van schuld, maar de tragische lijder beklaagde zich er dan over, dat het God was, die hem schuldig had laten worden, om hem daarna te kunnen verderven. Het lijden wordt dan een mysterie, van waaruit men alleen een beroep kan doen op een hogere gerechtigheid. - Op de grenzen van zulk een beschouwing komt de bijbel wel in zijn wijsheidsliteratuur, in het boek Job, maar nooit in de profetische boeken. Wanneer de Israëlitische mens in volle handeling stond en aan zijn toekomst werkte, dan wist hij zich ook ten volle verantwoordelijk. Dan was hij er zich van bewust dat de zonde hem niet werd toegeschoven, doch dat hij die had bedreven. De tragiek van zijn lijden wordt daardoor een diepere, een meer geestelijke en persoonlijke. Als de polen daarvan beginnen hemel en hel zich af te tekenen. Enerzijds de plaatsbekleding (Jes. 53) en anderzijds de verharding en de opstandigheid.
De wetten der bijbelse dramatiek - als ik het zo noemen mag - zijn in beide richtingen heel verschillend. Alleen het laatstgenoemde, de weg der verharding, kan tragisch heten; maar zij is het dan ook in zeer pregnante zin. Vooral zó, dat de zonde hoe langer hoe meer eigen zonde wordt. Wie aan Gods plaatsbekleding niet wil meewerken, die is veroordeeld de consequenties van die weigering te ondervinden. Zijn eigen zonde en schuld hechten zich dan des te meer aan hem vast, wanneer hij die van anderen niet wil helpen dragen. Zij worden tot onverbreekbare wetten, die hem geen wil en weg ten goede meer overlaten. Dat is de betekenis van de bijbelse leer der erfzonde en erfschuld. Daarmee neemt de bijbel geen elementen van noodlot in zich op, De Schrift gaat hier niet van de handeling naar de schikking terug. Daarom moet men die leer ook niet op het begin, maar op het geheel van het leven of op het einde toepassen. Erfzonde is geen particuliere toevalligheid, maar sociale tragiek. Zij is het gevolg van de weigering der plaatsbekleding. Wanneer Jezus zonder zonde, met name zonder erfzonde is, dan is dat geen gevolg van Maria's onbevlekte ontvangenis, zoals Rome wil. Dat is veel te natuurlijk gedacht en hoort eerder in een waarschijnlijkheidsrekening thuis. Jezus is zonder zonde en erfzonde, omdat Hij aan het kruis de zonden en schulden der wereld gedragen heeft. Erfzonde is een gevolg van een gebrek aan solidariteit.
De tragiek van Sauls leven laat ons toe een blik te slaan op de andere mogelijkheid. Onze tekstwoorden tonen ons hem op het ogenblik dat hij, bij een poging om een breuk met de profeet en met diens God te vermijden, met de slip van Samuëls mantel in de hand blijft staan. Dat is een echt tragisch ogenblik, dat representatief is voor Sauls verdere leven. Samuël en God gaan weg; wat er van hen overblijft, mag Saul zelf in handen houden. De gemeenschap en daarmee de plaatsbekleding, de mogelijkheid der verzoening, is verbroken. Saul blijft alléén achter, met zijn eigen zonde en schuld, die zich in het donker van zijn binnenste cumulatief vermeerderen. Daarbuiten, onder het licht van Gods zon en in zijn schepping, leven de anderen nog voort: Samuël en straks David en Jonathan en de priester Achimelech (1 Sam. 21 v.) en de anderen. Maar Saul kent straks van hen alleen datgene, waarmee hij zelf in handen is blijven staan. Hij ziet ze niet meer, zoals ze zijn in Gods dag, maar zoals ze schijnen in zijn eigen nacht. Daarom vervolgt hij David; werpt zijn speer naar Jonathan en roeit het geslacht van Achimelech uit. Hij woedt in zijn eigen wereld, waarin de levenden reeds bijna schimmen geworden zijn. Een enkele maal wordt het hem nog gegeven naar buiten te treden, in Gods wereld. Zo, wanneer David, met de afgesneden slip van Sauls mantel in de hand, hem naroept (1 Sam. 24). Maar dan sluit het donker zich weer dicht om hem toe. - Tot hij in de laatste, meest tragische nacht van zijn leven, in zijn behoefte om Samuël nog eenmaal te zien en te spreken, geen keus meer heeft en bewust zijn toevlucht neemt tot het dodenrijk (1 Sam. 28).
De hemel en de hel zijn beide van God. Maar zij zijn het niet op dezelfde wijze. Zij verschillen ook in graad van werkelijkheid. De hemel is een schepping Gods door de plaatsbekleding. De hel is een materialisatie van eigen zonde en schuld.