Ondergang
Geen uwer is over mij bezorgd, niemand heeft mij meegedeeld, dat mijn zoon mijn dienaar tegen mij heeft opgehitst om mij, zoals thans geschiedt, lagen te leggen.
1 Samuël 22: 8 (Vert. NBG.)
De figuur van Saul wil onze aandacht nog niet loslaten. Met een haast demonische macht blijft zij die gevangen houden. Zij betovert, ja behekst min of meer onze ogen, zodat wij grote moeite hebben om Saul te zien, zoals de profetie, wier pen hem voor ons tekende, wil, dat wij hem zullen bekijken. Of is die profetie ook zelve onder de indruk van de uitzonderlijke afmetingen en vormen van deze gestalte, geestelijk zowel als lichamelijk? In ieder geval was David dat, niettegenstaande alles en tot het einde toe. Hij heeft in hem niet alleen de gezalfde des Heren geëerbiedigd, maar hij heeft zich ook onder de ban van diens persoonlijkheid gevoeld. De klaagzang, die hij bij de dood van Saul en Jonathan heeft gemaakt, is er een aangrijpend bewijs van. En hoe zou God Zelf, die de profetie heeft ingegeven, door welke Sauls verschijning met zo kennelijke overgave is aangestaard en met zulk een indringende verzonkenheid is begrepen, hoe zou God Zelf, toen Hij hem moest verwerpen, zich daaronder gevoeld hebben?
Deze vraag behoeft een antwoord, als wij ons met de profeten, die de bedoelde gebeurtenissen te boek stelden, verdiepen in het fenomeen, dat de naam Saul draagt. Wat in het innerlijk van een mens plaatsvindt, kan men niet verstaan, zonder God er in te betrekken. Psychologie zonder theologie is niet mogelijk. De menselijke geest staat in een verkeer, een gesprek, ook wel een gevecht met God, waarbij het meest wezenlijke van die geest aan het licht komt. Jakob wordt tot Israël, als hij met God worstelt (Gen. 32 : 28).
Onze tekstwoorden laten ons in dat opzicht in de ziel van Saul een blik slaan, die veel verraadt. De stemming waarin Saul verkeert is in de zielkunde geen onbekende toestand. Zij ligt op de grens van de volkomen verbijstering. De geest heeft medelijden met zichzelf gekregen en heeft zich onder de invloed daarvan een slag omgewend, zodat hij met het oog op zichzelf gericht staat. In die blik naar binnen wordt alles opgezogen. Alle beelden van de dingen, die buiten zijn, worden daardoor vertekend en kunnen nu slechts dienen om dat medelijden te versterken. Hoor hem klagen: "Geen uwer is over mij bezorgd, niemand heeft mij meegedeeld, dat mijn zoon mijn dienaar tegen mij heeft opgehitst om mij, zoals thans geschiedt, lagen te leggen." De hele geschiedenis van 1 Samuël 16-22 wordt hier veranderd in één enkele reden tot argwaan. En in het centrum daarvan ziet hij zijn zoon en zijn dienaar in de rollen van een ophitser en een lagen-legger.
Men lette er op, dat Saul hier niet meer de namen van Jonathan en David gebruikt. Die hebben te veel van de dag en van het licht, waarin de werkelijke dingen gebeuren. Zij zouden de nachtmerrie kunnen verstoren en hem wakker kunnen maken. Neen, geen namen noemen! Maar een zoon en een dienaar, een tragedie! En verder zijn allen toeschouwers. Niemand is over hem bezorgd; niemand heeft hem mededeling gedaan.
In zulk een toestand kiest de geest zichzelf tot prooi. Hij aast op eigen hart en ziel en verscheurt die rauw en bloedig als een roofvogel zijn vangst. Schijnbaar doet hij het tegendeel door anderen tot slachtoffer te nemen. Waar de zoon en de dienaar hem ontgaan en zijn speer hen heeft gemist (1 Sam. 18 : 10; 19 : 10; 20 : 33), daar kiest hij nu sommigen uit de toeschouwers bij het treurspel: Achimelech, de priester met zijn familie, vijfentachtig man (1 Sam. 22 : 9-19). Het is een vreselijke, sadistische moord op volmaakt onschuldigen, die ons hier wordt beschreven. Maar Saul wendt zich niet om, als hij hem begaat. De daad brengt hem geen genezing. Hij blijft naar binnen staren; hij koestert onderwijl het medelijden met zichzelf. De sabelhouwen van Doëg, de Edomiet, die de priesters één voor één doodt, doorleeft hij inwendig. Zij treffen hem zelf en verschaffen hem een zoete pijn, die de enige vorm is, waarin het leven hem nog dragelijk is. De verscheuring van hart en geweten, moedwillig, met eigen hand, doet hem goed en voert zijn zelfmedelijden ten top.
Dit is de enige manier, waarop hij nog met God in aanraking kan komen. Een hel, waarin ook deze nog vrijwillig nederdaalt. Hij is de enige, die nooit en nergens geheel toeschouwer blijft. Hij is de laatste, wiens ware medelijden hij nog kan trachten te wekken. Want door de inwendige zelfverminking, die bitter-zoete wraak op zijn eigen bestaan, bedoelt hij eigenlijk Gods aandacht te trekken. Hij doodt Gods schepselen en verscheurt zijn wet, alleen maar om Hem te ergeren en Hem te dwingen zich met hem te bemoeien. Hij toont Hem zijn morele ontbinding en geeft Hem daarvan de schuld. Niet David en niet Jonathan heeft dat gedaan - zo klaagt hij God aan - maar Gij, Gij! Doordat Gij mij verworpen hebt! Welk antwoord zal God daarop geven? Hoe zou Hij kijken naar deze koning, om wiens hoofd een nacht duistert, waarin het leven zijn omtrekken verliest en waarin Hij en de menselijke geest tussen de afgronden en de rotsspleten der onderwereld van antwoord moeten dienen? Is het wonder, dat de profetie de adem inhoudt als zij deze situatie gaat beschrijven? Dat zij geboeid raakt, bijna tot schamens toe, en haar krachten uitput in een schier volmaakte tekening?
Welk antwoord zal God geven?